3.2.6. Stückjunker

Tussen 1760 en 1780 groeide stamvader Johan August op in Stralsund en kreeg daar onderwijs, blijkens de brief van Carl naar Helsingfors. De stad bloeide na het einde van de Pommerse Oorlog in 1762 op dankzij veel economische en militaire activiteit, met name in de handels- en oorlogsvaart. Het bestuur van de Pommerse havensteden Stralsund en Barth gaf opdracht tot het bouwen van 17 grote schepen. In het directe achterland lagen uitgestrekte bossen aan rivieren, waar enorme eiken en dennen sneuvelden. De houtkap vond vooral plaats in en rond Bassendorf, in de noordpunt van het landgoed Nehringen. De rivier de Trebel werd naar het zuiden bevaarbaar gemaakt tot de grotere Peene, die oostwaarts uitstroomt in de kustwateren. Langs Wolgast en Stralsund ging het noordwaarts tot in de Oostzee. (1)


Scheepsbouw in de haven van Stralsund
Aquarel C.A. Detloff, Stralsund Museum

In de doopboeken duikt bij de familienaam twee keer een Stückjunker op. Dat is bij de artillerie de hoogste rang bij onderofficieren en tevens de beginrang voor edelen, vergelijkbaar met de vaandrig (Fahnjunker) bij de infanterie en de kornet bij de cavalerie. De corpsen binnen een compagnie staan onder aanvoering van een konstabel (korporaal bij de infanterie), diens sergeant en een twintigtal artilleristen. Bij de marine is de adellijke context afwezig. Dat is de rang waarin de stamvader bij de Admiraliteit van Amsterdam in 1793 begon.

De eerste die naar voren komt is Carl Wilhelm Meienfeldt. Dankzij zijn precieze leeftijd bij overlijden is het mogelijk zijn geboorte terug te rekenen. Bij de St. Marienkerk in Stralsund is op 21 maart 1788 zijn doop als onecht kind te vinden, zonder vermelding van zijn achternaam, die hij wel bij zijn huwelijk in 1807 in de Zweedse vesting Wismar draagt. De pastor noteert Catharina Maria Vick als moeder en noemt dezelfde vader als bij de begrafenis staat: der Vater zu dem Kinde soll seyn der Stückjunker August School. (2)

De andere die naar voren komt is Augusta Juliana Meijerfeldt. Bij de doop van haar tweeling in de kerk van Wolfsdorf nabij Stralsund op 13 december 1791 vermeldt de pastor slechts haar echtgenoot Thilow en noteert bij twee doopgetuigen: vor diesen beyden haben gestanden der Stückjunker Schohl aus Stralsund. (3)

In de Zweedse monsterrollen komt deze Schohl te voorschijn bij de artilleriebrigade van de vesting Stralsund. De verrassing die wacht is dat zijn voornamen Johan August luiden. Dat nodigt uit tot verder zoeken. Doordat zijn leeftijden in maanden nauwkeurig zijn opgeschreven is te reconstrueren dat hij juli 1762 is geboren. Volgens de opgave was dat in Stralsund, was hij Luthers gedoopt en ongehuwd. Begin 1778 startte hij als leerling-konstabel in de compagnie van de oude kapitein Gustaf Gabriel von Quillfeldt. Op 26 februari 1781 was zijn bevordering tot sergeant onder de ook al oude konstabel Martin Handt, maar een verhoging van soldij kreeg hij niet. (4)

In 1783 en 1785 staat hij opnieuw vermeld als sergeant. Begin 1788 was hij Styckjunkare, dus kreeg hij in nog geen drie jaar tijd twee bevorderingen via de rang van konstabel.

De stamvader hang in de lucht om deze Johan August te zijn. Dat zou betekenen dat hij altijd artillerist was; eerst 15 jaar in Zweedse en vanaf 1793 in Hollandse dienst, met medeneming van een andere achternaam. Hoe zit het dan met die Franse dienst? 

Terug   ***   Verder

1. “Bassendorfer Schiffe und ihre Fahrte”, Ostsee-Zeitung.
2. Landeskirchliches Archiv der Evangelisch-Lutherischen Kirche in Norddeutschland, Kirchenkreis Pommern , Stralsund St. Marien, Taufen 1781-1815, Bild 52.
3. Landeskirchliches Archiv der Evangelisch-Lutherischen Kirche in Norddeutschland, Kirchenkreis Pommern, Franzburg Stadt-Land, Mischbuch 1763-1815, Bild 55.
4. Svenska Krigsarkivet, 0023
Generalmönsterrullor, 1720 Kong. Artillerie Bataillon Stralsund general-major Fromhold Armfelt, Capitaine Moraus Compagnie, 4de Konstapel-Skapet, blad 382.