Volgens de brief van zoon Carl stapte de stamvader over van het Franse naar het Nederlandse leger. Als gevolg van de Franse revolutie van 1789 waren adellijke officieren uit de marine ontslagen en de koninklijke corpsen ontbonden. Zo was de één na grootste marine ter wereld snel in verval geraakt.
Vermoedelijk reisde Johan August op eigen houtje met een schip van Frankrijk naar Nederland. Dat betekent dat hij vrijwel geen sporen nalaat. Alleen hoogwaardigheidsbekleders krijgen reispassen voor een veilige doortocht. Werkvergunningen en visa voor tijdelijk verblijf of procedures voor immigratie en naturalisatie zijn nauwelijks bekend, net als identiteitsbewijzen of ingezetenschap van een land. Dat soort officiële documenten komen met de vorming van de natiestaat in de eeuw daarna en zijn vooral relevant voor mannen met geld die kiesrecht en regeringsfuncties ambiëren. Eenmaal aangekomen in de Amsterdamse haven waren er wel enige douaniers, maar die vroegen reizigers niet naar hun papieren. Dan hadden zij hooguit het bonnetje van de kapitein voor het betaalde vaargeld gekregen. Hun aandacht ging vooral uit naar de handelswaar aan boord. Daar kon beslag of een heffing op worden gelegd. Franse schepen kwamen in oorlogstijd niet in de buurt van de Waddenzee en Zuiderzee uit terechte vrees aan de grond te lopen. Zelfs in vredestijd bracht een loods een vreemd schip niet verder dan de Rede van Texel.
Maritieme confrontaties deden zich alleen voor op open zee of de Westerschelde, die sinds de Val van Antwerpen in 1585 was geblokkeerd. De Habsburgers probeerden de blokkade van de ‘Oostenrijkse Nederlanden’ eind 1784 te doorbreken. Een keizerlijk brik voer vanuit de haven van Antwerpen richting de Westerschelde. De Duitse keizer en landheer van de Zuidelijke Nederlanden Jozef II eiste vrije doorvaart naar de Noordzee. Terugzenden dreigde hij als oorlogsverklaring op te vatten. Dit was een onderdeel van zijn eisenpakket, die de Republiek na Franse bemiddeling schoorvoetend inwilligde, maar deze niet. Aangekomen bij de grens negeerde de kapitein van de brik een waarschuwing om terug te keren. Een losse flodder van een Nederlands marineschip bracht hem evenmin op andere gedachten. Toen een kogel van een gericht schot een soepketel aan boord raakte, wendde de kapitein alsnog geschrokken de steven en haastte zich terug naar Antwerpen. Deze ‘Keteloorlog’ kreeg geen militair vervolg op het water, maar een diplomatiek vervolg aan de Franse onderhandelingstafel. De overstap van de stamvader zal daarom niet tijdens de Keteloorlog zijn geweest.
Een half jaar voordat de stamvader bij de Amsterdamse Admiraliteit in dienst trad was er eind 1792 nog een poging om de blokkade van de Westerschelde op te heffen. Ditmaal eisten de Fransen vrije doorvaart vanaf de Noordzee naar Antwerpen. Na weigering door de Republiek beriepen zij zich op het natuurrecht van vrij gebruik van internationale rivieren, maar wilden in werkelijkheid de Belgen over land en nu ook zee van hun Habsburgse juk bevrijden. Op 30 oktober formeerden zij een flottielje in Duinkerken onder het bevel van de Amerikaan John of Jean Moultson, bestaande uit diens fregat de Ariel (24 stukken), de Fanfaron onder Van Stabel, de Eveillé onder Mullon, de kanonneerboot de Sainte-Lucie (14 stukken) onder Castagnier en twee bewapende vissersschepen. Op 16 november was het vertrek en al na enkele uren was Oostende de eerste halte. Te midden van een enthousiaste bevolking plantte Moultson met de burgemeester een vrijheidsboom. De Franse minister van Marine feliciteerde hem en beloofde promotie. Op 24 november ging het verder, maar de Fanfaron liep aan de grond. Moultson trok hem vlot met de hulp van de andere schepen. Alleen vaandrig Jean-Joseph Castagnier volgde met de St. Lucie zijn eigen plan en voer door naar fort Rammekens bij Vlissingen. Geïrriteerd voegden de anderen zich bij hem. Na hiernieuwde weigering voer het hele flottielje op 1 december ongehinderd door naar Antwerpen, om daar te constateren dat de Habsburgers twee dagen eerder de citadel al hadden overgegeven aan de Franse landtroepen onder generaal Dumouriez.
Charles-François Dumouriez (1739-1823)
Pierre-Louis Bouvier 1796, Musée Historique Lausanne
De revolutionaire Fransen zetten hun bevrijding van de Europese volkeren voort en verklaarden op 1 februari 1793 de oorlog aan de Britse koning en de Nederlandse stadhouder Willem V. Generaal Dumouriez stak samen met de Patriotten onder Daendels de grens over om de Bataven te komen verlossen. Hij bezette Breda, maar stuitte bij de grote rivieren op een stevige verdediging van Gorinchem tot Willemstad, zoals de Fransen in het Rampjaar 1672 ook door de zoetwatervloot waren tegengehouden. Dumouriez gebruikte tegenslag bij Aken en Maastricht als excuus om zich naar het front met de Habsburgers te haasten, maar delfde ook daar het onderspit in de Slag bij Neerwinden. Nog in maart ontruimde hij de Republiek en aansluitend de Zuidelijke Nederlanden. Wetend welke ontvangst hem in Parijs te wachten stond liep hij over naar de geallieerden.

Rond die tijd voerde Castagnier bij Antwerpen wederom een eigen plan uit. Hij liet zich met de St. Lucie en een ander schip de Schelde afzakken. Bij de grens aangekomen liet hij het anker zakken, want zag veel Nederlandse en opgetrommelde Britse schepen bij het fort van Bath. Al dan niet wetend van de overwinning bij Neerwinden roeiden een zevental Nederlandse sloepen onder commando van Bloys van Treslong in de nacht van 20 op 21 maart 1793 naar de twee Franse schepen. Zij werden ontdekt en moesten een zwaar bombardement vanaf de forten Lillo en Liefkenshoek trotseren. Desondanks wisten de luitenants Wolterbeek en Lobrij de twee schepen inclusief 14 kanonnen te veroveren. Zij sleepten de buit naar Bath en Vlissingen, samen met 57 krijgsgevangenen. De overige Fransen van het flottielje ontsnapten over land, nadat zij hun schepen tot zinken brachten.

R. Pollard, Londen
Zeeuws Archief, HTA Vlissingen, nr 2229
Dit voorval staat bekend als de ‘Expeditie op de Schelde’. Dat Johan August tot de 57 krijgsgevangenen behoorde is denkbaar. De drie hoofdpersonen Lobrij, Bloys van Treslong en Wolterbeek ontmoette hij na indiensttreding twee maanden later aan boord.
