2.1.5. Overstap

Na zijn Franse dienst stapt de stamvader over naar het Nederlandse leger. Meer informatie dan de brief van zijn zoon Carl is niet aanwezig. Door zijn start in Amsterdam als bevelhebber van het geschut op een oorlogsschip in 1793 is de meest waarschijnlijke aanleiding de Franse revolutie van 1789. Door ontslag van adellijke officieren en ontbinding van koninklijke corpsen raakt de één na grootste marine ter wereld snel in verval. 

Mocht Johan August op eigen houtje met een schip van Frankrijk naar Nederland reizen, dan laat hij vrijwel geen sporen na. Alleen hoogwaardigheidsbekleders krijgen reispassen voor een veilige doortocht. Werkvergunningen en visa voor tijdelijk verblijf of procedures voor immigratie en naturalisatie zijn onbekend, net als identiteitsbewijzen of ingezetenschap van een land. Dat soort officiële documenten komen pas met de vorming van de natiestaat in de eeuw daarna en zijn alleen relevant voor rijke mannen die kiesrecht en regeringsfuncties ambiëren.

Eenmaal aangekomen in de Amsterdamse haven zullen douaniers hem niet naar zijn papieren vragen. Enerzijds heeft hij hooguit een bonnetje  van de kapitein voor het betaalde vaargeld, anderzijds gaat hun aandacht alleen uit naar de handelswaar aan boord, waar zij beslag of een heffing op willen leggen. Bij de admiraliteit komen zij niet, net zo min als de Franse oorlogsschepen. In oorlogstijd zouden die aan de grond lopen voordat zij de Zuiderzee bereiken. In vredestijd brengt een loods een vreemd schip niet verder dan de Rede van Texel. Maritieme confrontaties doen zich alleen voor op open zee of de Westerschelde, die sinds de Val van Antwerpen in 1585 is geblokkeerd. Eerst proberen Habsburgers en dan Fransen de blokkade te doorbreken.

De poging van de Habsburgers is al eind 1784. Een keizerlijk brik vaart vanuit de haven van Antwerpen richting de Westerschelde. De Duitse keizer en landheer van de Zuidelijke Nederlanden Jozef II eist vrije doorvaart naar de Noordzee. Hij zegt terugsturen als oorlogsverklaring op te vatten. Dit is een onderdeel van zijn eisenpakket, die de Republiek na Franse bemiddeling schoorvoetend inwilligt, maar deze niet. Aangekomen bij de grens negeert de kapitein van de brik een waarschuwing om terug te keren. Een losse flodder van een Nederlands marineschip brengt hem evenmin op andere gedachten. Als een kogel van een gericht schot een soepketel aan boord raakt, wendt de kapitein alsnog geschrokken de steven en haast zich terug naar Antwerpen. Frankrijk weet een einde aan deze ‘Keteloorlog’ te maken met diplomaten aan de onderhandelingstafel, niet met militairen op het water. De stamvader lijkt hier dus niet bij betrokken te zijn.

De poging van de Fransen is eind 1792. Zij eisen de vrije doorvaart vanaf de Noordzee naar Antwerpen. Na weigering door de Republiek beroepen zij zich op het natuurrecht van vrij gebruik van internationale rivieren, maar willen in werkelijkheid de Belgen ook over zee van hun Habsburgse juk bevrijden. Op 30 oktober formeren zij een flottielje in Duinkerken. Onder het bevel van de Amerikaan John of Jean Moultson bestaat het uit diens fregat de Ariel (24 st), de Fanfaron onder Van Stabel, de Eveillé onder Mullon, de kanonneerboot de Sainte-Lucie (14 st) onder Castagnier en twee bewapende vissersschepen. O16 november is het vertrek en al na enkele uren is Oostende de eerste halte. Temidden van een enthousiaste bevolking plant Moultson met de burgemeester een vrijheidsboom. De Franse minister van Marine feliciteert hem en belooft hem promotie. Op 24 november gaat het verder, maar de Fanfaron loopt aan de grond. Moultson trekt hem vlot met de hulp van de andere schepen. Alleen vaandrig Jean-Joseph Castagnier volgt met de St. Lucie zijn eigen plan en vaart door naar fort Rammekens bij Vlissingen. Geïrriteerd voegen de anderen zich bij hem. Na weigering van de doorvaart vaart het hele flottielje op 1 december ongehinderd naar Antwerpen, om daar te constateren dat de Habsburgers twee dagen eerder de citadel al hadden overgegeven aan de Franse landtroepen onder generaal Dumouriez.

Charles-François Dumouriez (1739-1823)
Pierre-Louis Bouvier 1796, Musée Historique Lausanne 

De revolutionaire Fransen zetten hun bevrijding van de Europese volkeren voort en verklaren op 1 februari 1793 de oorlog aan de Britse koning en de Nederlandse stadhouder Willem V. Generaal Dumouriez steekt samen met de Patriotten onder Daendels de grens over om de Bataven te komen verlossen. Hij bezet Breda, maar stuit bij de grote rivieren op een stevige verdediging van Gorinchem tot Willemstad. Hij hoort van tegenslag bij Aken en Maastricht, haast zich naar het front met de Habsburgers, delft het onderspit in de Slag bij Neerwinden en ontruimt nog in maart de Republiek en aansluitend de Zuidelijke Nederlanden. Wetend welke ontvangst hem in Parijs te wachten staat loopt hij over naar de geallieerden.

Rond die tijd voert Castagnier bij Antwerpen wederom een eigen plan uit. Hij laat zich met de St. Lucie en een ander schip de Schelde afzakken. Bij de grens aangekomen laat hij het anker zakken, want ziet veel Nederlandse en opgetrommelde Britse schepen bij het fort van Bath. Al dan niet wetend van de overwinning bij Neerwinden roeit een zevental Nederlandse sloepen onder commando van Bloys van Treslong  in de nacht van 20 op 21 maart 1793 naar de twee Franse schepen. Zij worden ontdekt en moeten een zwaar bombardement vanaf de forten Lillo en Liefkenshoek trotseren. Desondanks weten de luitenants Wolterbeek en Lobrij de twee schepen inclusief 14 kanonnen te veroveren. Zij slepen de buit naar Bath en Vlissingen, samen met 57 krijgsgevangenen. De overige Fransen van het flottielje ontsnappen over land, nadat zij hun schepen tot zinken brengen.


R. Pollard, Londen
Zeeuws Archief, HTA Vlissingen, nr 2229

Dit voorval staat bekend als de ‘Expeditie op de Schelde’. Of Johan August tot de 57 krijgsgevangenen behoort is niet bekend. De drie hoofdpersonen Lobrij, Bloys van Treslong en Wolterbeek ontmoet hij na zijn indiensttreding twee maanden later wel aan boord.

Terug   ***   Verder