2.3.4. Weg uit Rotterdam

De samenstelling van de Nederlandse familie Von Meijenfeldt is halverwege de negentiende eeuw als volgt. Aan de Goudsche Cingel, wijk 13, nr. 883 in Rotterdam wonen Catharina Margaretha von Meijenfeldt-Pieploo, haar zoon Jan en haar dochter Nel. In Delft wonen haar zoon Hendrik. zijn vrouw Naatje en dochter Anna Catharina Henriëtte. In Amsterdam maken zowel Wilhelmina Augusta van Meijerfeldt met haar gezin als Carl von Meijenfeldt met Nel Diederich en vijf kinderen op Kattenburg veel verhuizingen mee.

Op 25 januari 1858 komt Catharina Margaretha op 74-jarige leeftijd te overlijden. Jan en Nellie verhuizen naar de Hoogstraat, waar zij een woning van de weduwe Canta huren voor 1,50 gulden per week. Hendrik wordt om niet te achterhalen redenen teruggeplaatst tot Commies der Vierde Klasse, hetgeen de nodige financiële consequenties heeft. Hij wordt in 1859 nog wel door zijn werkgever van Schiedam naar Rotterdam teruggeroepen en krijgt daar zijn oude rang terug. Hij woont met zijn gezin aan de Mannenlaan wijk 13 nr. 373d en daarna aan het Weenaplein wijk 17 nr. 317. Korte tijd later stijgt hij tot Commies der Tweede Klasse en krijgt Delfshaven als nieuwe standplaats, maar hij hoeft hiervoor nog niet uit Rotterdam te verhuizen.

Carl zit al tien jaar in Amsterdam als hij in 1860 de betrekking Bewaarder bij de Magazijnen van de Marine krijgt toegewezen. Hij had het jaar daarvoor weer een dochter Petronella Wilhelmina gekregen en al na 10 maanden verloren. Kort daarna wordt Carl bevorderd tot Conserveerder van eiken- en andere houtwaren. Hij staat onder het directe bevel van de Magazijnmeester en is speciaal belast met de sortering, conservatie en afgifte van de verschillende houtwaren, waarbij hij van een eigen waarmerk gebruik maakt. Het gaat niet alleen om het aangevoerde en onder zijn beheer in de molen of op de werf te zagen ruwe hout, maar ook om het bij de scheepsbouw vrijkomende afvalhout, dat hij in bruikbaar, wrak en onbruikbaar moet sorteren.

Carl en Nel krijgen in 1862 een zoon Pieter. Hij zou in 1871 slachtoffer worden van een pokkenepidemie. In 1864 wordt een laatste kind geboren: Hendrik Diederich. In verband met deze uitbreiding verhuist het gezin in 1866 naar de Kattenburgergracht 530, tegenwoordig 13. (1)

De twee broers van de tweede generatie Hendrik en Carl lijken zich niet meer thuis te voelen in de Evangelisch-Lutherse Kerk. Sinds de verhuizing naar Amsterdam laat Carl zijn kinderen er zelfs niet meer dopen. In 1867 hakken zij de knoop door: zij sluiten zich aan bij de Gereformeerde Kerk, beter bekend als de Afscheiding. De Nederlands Hervormde Kerk met de koning aan het hoofd zal voor hen te hiërarchisch zijn. Carl laat dat jaar in één keer zijn vier jongste kinderen dopen.

Bij Koninklijk Besluit van 1868 wordt de betrekking van Conserveerder opgeheven. Carl krijgt eervol ontslag en wordt in zijn 53-ste levensjaar op wachtgeld gezet. Het jaarlijkse inkomen voor het grote gezin is vanaf dat moment 500 gulden. (2) Nu Carl geen baan meer heeft weet de Gereformeerde Kerk hem te vinden voor activiteiten. Al in 1869 neemt de Vereniging voor Gereformeerd Onderwijs hem aan om voor een proefperiode van één jaar reizend agent te worden. Hij zal 200 gulden traktement, 200 gulden reiskosten en 10% van elke aangebrachte contributie ontvangen.

Hendrik krijgt weer een nieuwe standplaats: Dordrecht. Op 23 juni 1866 verhuist hij met vrouw Naatje en dochter Anna naar de Kromhout 61. Anna wordt in 1870 door dominee Fruijn in de Augustijnenkerk bevestigd. Dit is de oudste Hervormde kerk van Nederland, waar de Afgescheidenen ook gebruik van maken. Zij vertrekt dat jaar naar Rotterdam, waar zij naaister wordt aan het Stedelijk Krankzinnigengesticht aan de Hoogstraat. Twee jaar later keert zij terug naar haar ouders in Dordrecht. Vermoedelijk is zij ziek, want zij overlijdt daar op bijna 21-jarige leeftijd op 24 juli 1872. Hendrik en Naatje zijn daarmee van al hun kinderen beroofd. Hendrik krijgt dat jaar op 61-jarige leeftijd eervol ontslag met behoud van pensioen, waarbij zijn 15 zeejaren overigens abusievelijk over het hoofd worden gezien. (3)

Cato, de dochter van Carl en Nel, trouwt in 1874 met Jan van der Tas. Jan was in 1848 in Wateringen geboren als zoon van zoon van broodbakker Leendert van der Tas (1824-1885) en Johanna Beekenkamp v/h geh. Nicolaas van der Vlugt (1822-1863). Jan was op 24-jarige leeftijd naar Amsterdam gekomen met zijn even oude verloofde Maria Otten, die korte tijd later het veld ruimde. Hij had in 1872 de kruidenierswinkel “De hand naar Leiden” op de Leidschestraat bij het Koningsplein gekocht. Cato krijgt acht kinderen bij Jan. Jan is tot zijn dood diaken in de Gereformeerde Kerk en bestuurslid van het oude mannen- en vrouwenhuis, waar hij bekend staat als “Vader Van der Tas”. Hij is medeoprichter van het suppletiefonds voor Christelijke Verzorging van behoeftige krankzinnigen. (4) Bij de huwelijken van de kinderen van Cato verzorgden haar broers Carl, Frits en Hendrik von Meijenfeldt de (christelijke) ceremonie.

Jan en Nellie zijn in Rotterdam achtergebleven en wonen nog aan Goudsche Singel nr. 883 of 77. Op 11 december 1878 overlijdt Jan op 70-jarige leeftijd ongehuwd en kinderloos. Een dag later doen twee agenten bij de gemeenten aangifte en informeren Hendrik. Deze reist twee dagen later per spoor van Dordrecht naar Rotterdam. Hij laat een smid laten komen om twee slotjes open te breken. Hij wikkelt de begrafenis af en noteert aan baten 278,37 gulden tegen 40,22 gulden aan kosten, waardoor de drie erfgenamen ieder bijna 80 gulden ontvangen. Nellie wordt de dag van het overlijden van Jan opgenomen in het Stedelijk Krankzinnigengesticht aan de Hoogstraat.

Hendrik Diederich, de jongste zoon van Carl, werkt in 1879 al op 14-jarige leeftijd zes maan­den bij Willem B. Posno in Amsterdam. Hij krijgt een getuigschrift:

… en hem steeds bewijzen van werk­zaam­heid en volwas­sen­heid heeft ge­geven terwijl het slechts met leedwezen is, dat hij ge­noem­den heer, op ver­zoek zijns vaders, uit zijnen dienst ont­slaat.

Op Nellie na zijn nu alle Rotterdamse familieleden overleden of vertrokken naar Dordrecht en Amsterdam. Het is dan al duidelijk dat alleen Carl de familienaam Von Meijenfeldt kan voortzetten.

Terug   ***   Verder

1. Stadsarchief Amsterdam, Bevolkingsregister 1874-1893, archiefnummer 5000, inventarisnummer 1811, folio 112.
2. Bijlagen van het Verslag der Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1873-1874, bijlage L, pag. 409 en elk jaar daarna tot en met 1893-1894, pag. 683.
3. Regionaal Archief Dordrecht, 256. Burgerlijke Stand en Bevolking, Inventaris 424, blad 41, Inventaris 279, Akte 22. Familiearchief, N.3, nrs. 61-66, over de vergeten zeejaren bij zijn pensioenberekening, 
4. De Spiegel, Weekillustratie voor het Christelijk Gezin, 27 juni 1908, blz. 308.