Vanaf 1824 krijgen de vrijwel gepensioneerde stamvader en zijn veertigjarige vrouw geen kinderen meer. De nieuwe generatie Von Meijenfeldt bloeit op.
In 1826 komt de na de bevrijding in het leven geroepen commissie om de achterstanden uit de Franse tijd te liquideren eindelijk met de uitkomst voor de vorderingen van de marine. De naam van Johan August verschijnt enkele malen in de Nederlandse Staatscourant.
Hij krijgt als belanghebbende bij het vereffenen van achterstallige scheepssoldijen van de Brutus en de Braband onder Kikkert de oproep om bij het Ministerie van Financiën in Den Haag documenten over te leggen, die na onderzoek kunnen leiden tot het uitreiken van ‘bewijzen van vereffening’ om bij de kassa te innen. (1)
Wilhelmina Augusta trouwt op 26-jarige leeftijd met de 29-jarige Arendt van Paddenburg. Hij is bediende en winkelknecht, onder andere in een schoenwinkel, maar later ook boekbinder in de traditie van zijn familie. Arendt was in 1818 anderhalve maand in het Buitengasthuis aan een geslachtsziekte geholpen, maar dat vormt geen hinderpaal voor het krijgen van kinderen. (2)
Vader van Paddenburg was 20 jaar overleden als chirurgijn in ‘s-Graveland. Moeder Johanna Catharina Cornie is getuige en vermoedelijk ook koppelaarster, omdat haar moeder Antoinette Swarts de zus was van de opvoedende oma van Wilhelmina Augusta. Bovendien was haar zus Jannetje Cornie in 1813 de tweede vrouw geworden van Willem Schultze, de zwager van Wilhelmina Augusta. De laatste geeft bij de ondertrouw naar waarheid op dat haar moeder Maria de Ruijt overleden is en haar vader Johan August lange tijd absent. Om die reden overlegt zij van haar grootouders De Ruijt afschriften van overlijdensakten, maar van vaderszijde laat zij “onbekend” invullen. De vier getuigen staan voor haar in tijdens de bruiloft op 15 augustus 1827. (3)
Het Almoezeniersweeshuis is inmiddels in 1825 ontruimd en omgebouwd tot Paleis van Justitie. In een ander groot Amsterdams gebouw, het Lutherse Diaconiehuis, overlijdt Hendrik Pieploo op 21 maart 1827. Hij is vijf jaar weduwnaar geweest en bijna 80 jaar oud. (4)
De kinderen in Rotterdam krijgen basisonderwijs volgens de geldende Wet van 3 april 1806 voor het Lager Schoolwezen en Onderwijs in de Bataafsche Republiek. Sinds die datum is het onderwijs een zorg van de overheid geworden via toezichthouders. Leraren hebben een diploma van de Kweekschool nodig, geven klassikaal en niet meer hoofdelijk les in taal en rekenen. Een leerplicht of -recht voor kinderen tussen 6 en 12 jaar bestaat niet. De scholen zijn openbaar, neutraal en niet leerstellig, maar als concessie aan de kerk worden naast maatschappelijke ook christelijke deugden onderwezen. Tientallen jaren later ontstaat de schoolstrijd van katholieken en gereformeerden die bijzondere scholen met gelijke financiering willen stichten.
Rotterdam heeft in de stad in die tijd verscheidene Burgerscholen en Armenscholen. Omdat het gezin het niet breed heeft, maar ook niet in de bedeling zit, zal de keuze niet gemakkelijk zijn, maar taal en rekenen krijgen zij zeker onder de knie. Medio 1821 richt Rotterdam de Tusschenschool op. Het schoolgeld daarvoor kost Johan August met korting voor drie of meer kinderen slechts 50 cent per kind per maand en schoolbehoeften zijn gratis. Per kind moet hij een bewijs overleggen van doop of geboorte en van vaccinatie of doorstane ziekte, alles begeleid door een verklaring van twee wel bekende stadgenoten. Op 1 januari 1822 gaat de school werkelijk van start. Jan en Hendrik zijn dan al ouder dan 12, maar de anderen nog niet.
Oudste zoon Jan is al timmermansleerling en snel daarna timmermansknecht. In 1827 moet hij zich vanwege zijn 18de verjaardag inschrijven voor de Nationale Militie. Er bestaat een vijfjarige dienstplicht tussen 18 en 22 jaar, hoewel onvrijwillige toetreding vrijwel niet voorkomt. De Nationale Militie bestaat uit een beroepsleger en vrijwilligers, bij tekorten aangevuld na een loting uit ingeschrevenen. Jan kan hieraan ontkomen door zich niet in te schrijven, net als 10 tot 30 procent van zijn leeftijdgenoten. Die optie kiest hij niet, met een militair als vader, en schrijft zich in bij de gemeente Rotterdam. Bij volgnummer 32 staat bekende informatie over hem, maar zijn gemeten lengte is een mooie aanvulling: 1 el, 6 palmen, 5 duimen en 0 strepen (172,5 cm). Hij krijgt het hoge lotnummer 959, waardoor de kans op inloting groot is. Mocht hij in dat geval niet willen, dan mag hij proberen iemand met een lager nummer af te kopen. Of hij wel of niet in dienst gaat is niet zeker. Wel dat hij na catechisatie bij de Evangelisch-Lutherse dominee Fortmeijer op 1 april 1828 openbaar geloofsbelijdenis aflegt. (5)
Tweede zoon Hendrik begint kort na zijn 14de verjaardag op 15 november 1824 bij de Koninklijke Marine aan een opleiding tot stuurman. Hij staat hardnekkig met de achternaam van Megenfeldts aangeduid. De opleiding vindt plaats aan boord van wachtschepen – in dit geval een soort drijvende scholen – bij Hellevoetsluis. In december is zijn eerste schip het fregat Kenau Hasselaar, in januari 1825 gaat hij met de hele bemanning over op de Amstel, in 1826 op de Java en rond de jaarwisseling op de Euridice. Drie tot vier keer per jaar krijgt hij acht dagen verlof om van boord naar huis in Rotterdam te gaan. (6)
1. Nederlandsche Staatscourant, Bijvoegsel 27 mei, 31 mei, 30 juni en 5 juli 1826.
2. Patiënten Mannen Veneriek 1818, Stadsarchief Amsterdam, 5268 Buitengasthuis, Inv 2424, folio 137.
3. Trouwregisters 1827, SA 5009, Inv. 1087, fol 92; Huwelijksbijlagen, Noord-Hollands Archief 358.157, Inv 458.3, fol 92.
4. Diaconiehuis, Noord-Hollands Archief 358.7, Inv 179, blad 76.
5. Militaire Zaken, Stadsarchief Rotterdam 356, Inv 90, 1827 nr 32. Register der aangenomen ledematen bij de Christen Gemeente toegedaan de onveranderde Augsburgsche Geloofsbelijdenisse binnen Rotterdam, SR Inv 254, blad 72.
6. Soldij-Rollen 309 Kenau Hasselaar fol 806, 208 Amstel fol 219, 309 Java fol 29, 259 Euridice fol 28 en 326 Leije fol 21, Nationaal Archief, 2.12.14 Stamboeken Marinepersoneel.