Voor degenen die zich lieten meeslepen door het avontuurlijke leven van de Zweedse graven von Meijerfeldt zal de afsluiting van het eerste deel abrupt zijn gekomen. Nadat de laatste graaf in 1800 stierf, ontdeed zijn weduwe zich in korte tijd van alle Pommerse bezittingen, om haar levensavond nog 15 jaar in grootse staat in Stockholm en op omliggende landgoederen te voeren. Een halve eeuw later vond in Helsingfors de ontzegeling plaats van de resterende papieren en bleek de Weense erfenis onbereikbaar.
Even abrupt als de laatste Zweedse graaf in Stockholm stierf, duikt in Amsterdam de stamvader van de Nederlandse familie op. Afgezien van de andere locatie gebeurt dat in hetzelfde jaar 1800, onder dezelfde naam Johan August von Meijenfeldt uit dezelfde stad Stralsund afkomstig. De veldslagen, hofintriges en erfgeschillen van het Zweedse deel maken plaats voor het harde bestaan van zeelieden, arbeiders en burgers in dichtbevolkte Hollandse havensteden. Het levensverhaal van de stamvader bestaat uit drie hoofdstukken:
De Amsterdamse Admiraliteit
Het Bataafs Zeecorps
‘s Lands Werf te Rotterdam
De kroniek gaat vanaf 1838 verder met het levensverhaal van één van zijn zonen, stamhouder Carl. Het is exemplarisch voor de Nederlandse maatschappij halverwege die eeuw: verheffing uit armoede en gebrek via kerk en school in gezondere en veiliger leef- en werkomstandigheden. Zijn levensverhaal komt in twee hoofdstukken:
In de twintigste eeuw keren oorlog en belevenissen in het buitenland terug. De kroniek splitst zich in parallelle verhalen van de familietakken en eindigt met overzichten:
