2. DE HOLLANDSE TIJD

1. Jeugd
1760 Pommers begin
2. Op zee
1793 Admiraliteit
3. Bataafs
1800 Zeekorps
4. Eigen huis
1810 ’s Lands Werf
5. Kattenburg
1835 Scheepmaker
6. Bijbel
 1878 Mannenbroeders
V. LEUSDEN DE HAAS DE KOE V.D. TAS KREBER AUGUSTIJN

Voor degenen die zich lieten meeslepen door het avontuur­lijke leven van de Zweedse graven von Meijerfeldt zal de afsluiting van het eerste deel ab­rupt zijn geko­men. Nadat de laatste graaf in 1800 stierf, ontdeed zijn weduwe zich in korte tijd van alle Pommerse bezittingen, om haar levensavond nog 15 jaar in grootse staat in Stockholm en op omliggende landgoederen te voeren. Een halve eeuw later vond in Helsingfors de ontzegeling plaats van de resterende papieren en bleek de Weense erfenis onbereikbaar. 

Even ab­rupt als de laatste Zweedse graaf in Stockholm stierf, duikt de stamvader van de Nederlandse familie in Amsterdam op. Dat gebeurt in hetzelfde jaar 1800, onder dezelfde naam Johan August von Meijenfeldt en afkomstig uit dezelfde stad Stralsund. De veldslagen, hofintriges en erfgeschillen van het Zweedse deel maken plaats voor het harde bestaan van zeelieden, arbeiders en burgers in dichtbevolkte Hollandse havensteden.

Na de Zweedse jaren begint in dit tweede deel van de Familiekroniek de Hollandse tijd. De familiegeschiedenis wordt verder verteld aan de hand van het levensverhaal van de stamvader en naadloos aansluitend dat van de stamhouder. De chronologische vertelling stopt in 1900 en maakt plaats voor verhalen en overzichten per familietak. Plaats van handeling blijft wel Holland, wil in steeds grotere cirkels rond de binnenstedelijke havengebieden van Amsterdam en Rotterdam, met twee grote uitzonderingen voor een flink aantal familieleden: de tropenjaren en de oorlogsjaren. Het leven van de Hollandse familie is exemplarisch voor de ontwikkeling van een deel van de maatschappij: met harde arbeid, streng geloof en onderlinge zorg verheffing uit gebrek en ziekte tot de stedelijke gegoede burgerij. 

Terug   ***   Verder