Na hun huwelijk blijven Carl en Nel in hun ouderlijk huis wonen. Hendrik verhuist met Naatje naar de grotendeels agrarische buurgemeente Overschie, wijk 3, huis 26. Daar is hij na het succesvol afronden van zijn opleiding per 1 april 1845 tijdelijk aangesteld als ’s Rijks Commies. Beide jonge vrouwen raken snel zwanger. Nel krijgt op 27 februari 1846 een dochter Engelina Catharina Elisabeth, gedoopt door dominee Fortmeijer. Naatje krijgt op 8 mei een zoon Hendrik Jacobus August, op 31 mei gedoopt door dominee Prins in de Grote Kerk van Rotterdam. In alle voornamen zijn de ouders en grootouders goed vertegenwoordigd.
Moeder Cato verkrijgt in datzelfde jaar een Verklaring van Armoede, omdat zij verkeert in behoeftige omstandigheden en is niet in staat om eenige Proces- of Justitiekosten, zegel- of registratieregten of boeten te kunnen betalen”. Om ruimte te maken verhuist zij met Jan en Nel het jaar daarop terug naar de Goudsche Singel, maar wel meer naar het noorden in wijk 13 met huisnummer 883. (1)
Op 30 april 1847 wordt namelijk een tweede dochter van Carl en Nel geboren. Haar doopnamen zijn Petronella Wilhelmina. In het jaar 1848 slaat het noodlot toe. Het jongste meisje is nog maar net een jaar oud als het ziek wordt en op 6 augustus 1848 komt te overlijden. Ook de eerste dochter is inmiddels ziek en sterft op 25 augustus op 2½-jarige leeftijd. Ruim drie jaar na het huwelijk is Nel beroofd van haar kinderen, maar blijkt zij wel weer zwanger. Op 16 april 1849 komt een zoon. Zij geven het kind de naam Evert Diederich, een combinatie van voor-en achternaam van de vader, omdat geen van haar broers en zussen de naam zal voorzetten.
Hendrik krijgt op 3 augustus 1846 een vaste benoeming tot Commies der Vierde Klasse en dat leidt het jaar daarop tot twee overplaatsingen: per 1 mei 1847 naar Hellevoetsluis 30 kilometer verderop en eind van dat jaar naar Rotterdam, waar zij aan de Torenstraat, wijk 7, nr. 184 gaan wonen. Op 10 september 1849 krijgt Naatje een tweede zoon. Zij geven hem de traditionele namen Johan August. Op 30 september doopt dominee Bouwman hem in de Grote Kerk. Hen overkomt hetzelfde als Carl en Nel: op 22 oktober overlijdt de tweede zoon slechts 1½ maand oud en op 6 maart 1850 de eerste zoon nog geen vier jaar oud.
Dat jaar trekken Carl en Hendrik weg uit Rotterdam. De reden daarvoor is niet het ontlopen van verdere zuigelingen- en kindersterfte. Ook buiten Rotterdam heersen volksziekten, die onder andere het gevolg zijn van de stedelijke gewoonte om vroegtijdig te stoppen met borstvoeding, waardoor de kinderen vervuild drinkwater binnenkrijgen en hun ingewanden besmet raken.
1. W.J.L. Poelmans, De Nederlandse Leeuw 1933, pag. 423 en 454.