Al een jaar na zijn eervol ontslag krijgt Carl von Meijenfeldt een nieuwe betaalde baan. Tijdens de eerste landelijke bijeenkomst van de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs op 28 april 1869 te Zwolle wil het bestuur hem aanstellen als Reizend Agent naast de al werkzame 25 vrijwillige lokale Agenten, meestal dominees, om geld in te zamelen voor nieuwe scholen. (1)


Carl is gemotiveerd. Op zijn openbare lagere school waren maar weinig christelijke deugden onderwezen en de kerk had dat buitenschools niet gecompenseerd. Hij is beschikbaar, voldoet aan het profiel en kan de extra inkomsten goed gebruiken. Het bestuur bericht in het weekblad De Bazuin van 6 augustus dat alles rond is en vraagt een ieder hem dringend aan te bevelen, vooral in de ‘voorbede van de Broeders’.
Sinds de Onderwijswet van 1857 hadden protestanten geprobeerd het openbaar onderwijs van binnenuit te verchristelijken, maar de meesten waren de weg ingeslagen van bijzonder onderwijs, toegelaten in de Grondwet van 1848, maar zonder subsidie. De kerken hadden zich verenigd in de CNSO (Christelijk Nationaal School Onderwijs) om die bijzondere scholen op te zetten. Al snel kwam er van de Hervormde Kerk een uniform onderwijspakket met subsidie, terwijl de Christelijk Gereformeerden de verantwoordelijkheid bij de ouders van onderop legden. Na een aantal jaren leidde dat tot hun eigen landelijke vereniging met als hoofdthema ouders helpen met de financiering.
Nichtje Anna in Dordrecht keert opnieuw terug naar Rotterdam om met haar eerste baan te starten. Op 7 februari 1870 begint zij als naaister in het Stedelijk Krankzinnigengesticht in de Hoogstraat, waar zij op kamers gaat wonen. Zo nu en dan pendelt zij met de trein naar Dordrecht, zoals op 3 april om bij de hervormde dominee Thomas Anthony Fruin geloofsbelijdenis af te leggen in de Augustijnenkerk.
Op 21 mei 1870 is het feest op Kattenburg. Carl en Nel vieren hun 25-jarig huwelijksfeest. Zoon Carl Frederik gaat een week na zijn 20ste verjaardag door de ‘wasstraat’ van de Nationale Militie. Hij is 168 centimeter lang, heeft ook een pokdalig aangezicht en krijgt op 13 maart 1871 met lotnummer 73 vrijstelling wegens broederdienst. Op 20 april doet hij bij de dominee en twee ouderlingen met twee getuigen geloofsbelijdenis.
Of de pokdalig omschreven aangezichten van Evert en Carl Frederik er op duiden dat zij in in hun jeugd de pokken hebben gehad is niet met zekerheid te zeggen. Wel dat de negenjarige Pieter op 5 december 1871 aan de pokken overlijdt. Op dat moment heerst de laatste grote pokkenpandemie. Het virus grijpt razendsnel om zich heen, vooral als gevolg van de verplaatsing van soldaten en vluchtelingen in de Frans-Duitse Oorlog van 1870, in het toch al ongezonde milieu van de dichtbevolkte gebieden wijd rondom het epicentrum Parijs. Meer dan 20.000 Nederlanders sterven, van wie 60% jonger dan 10 jaar. De ziekte is weliswaar niet heel besmettelijk, maar wel dodelijk door langer contact thuis of op school. Na een incubatietijd van ongeveer 12 dagen volgen zware hoofdpijnen, hoge koorts, huiduitslag van rode stipjes en blaasjes tot zwerende en stinkende grijze puisten, shocktoestand en de dood. Al tientallen jaren bestaat een vaccin; rechtzinnige protestanten met hun weigerachtige houding betalen de hoogste tol. Vermoedelijk waren Pieter en Hein wel gevaccineerd, omdat dit in Amsterdam op school verplicht is en enkele pokkenbriefjes bewaard zijn gebleven. (2)
Ook Hendrik krijgt eervol ontslag bij de Rijksoverheid. Hij vertrekt per 1 april 1872 bij het Ministerie van Financiën. De oorzaak is niet opheffing van zijn functie, zodat hij geen wachtgeld krijgt. Hij is al 61 jaar oud, maar dat is te vroeg voor leeftijdspensioen. Toch komt hij in aanmerking voor pensioen wegens ligchaamgebrek. Dat is geen excuus om hem af te danken, want zijn laatste beoordelingen zijn “zeer voldoende” bij gedrag, maatschappelijke positie en ordelijke levenswijze, voldoende bij de omgang met publiek en collega’s en middelmatig bij vlugheid van begrip en algemene kennis. Het probleem is dat zijn lichaamsgestel niet voldoende is. Van welke aard staat niet vermeld. Het jaarsalaris van Hendrik van f 540 plus standplaatstoelage van f 180 wordt omgezet naar een pensioen van f 387. Hendrik kijkt als man van cijfers scherp naar de berekening van het pensioenbedrag en ziet dat zijn 15 zeejaren in strijd met de wet niet zijn meegeteld. Zijn verzoekschrift bij de Koning van 4 juni heeft succes. (3)
Anna woont in die tijd weer thuis. Zij was het vorige jaar op 10 oktober als naaister ziek uit Rotterdam weg gegaan. Thuis sterkt zij niet aan maar gaat achteruit. Tot ontzetting van haar ouders sterft zij op 24 juli 1872, nog net geen 21 jaar oud. Mogelijk is zij een slachtoffer van de pokkenpandemie. Hendrik en Naatje zijn nu van al hun vier kinderen beroofd. (4)

1. Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs 1869-1870.
2. Stadsarchief Amsterdam, 5009 Burgerlijke Stand, Inv 3664 Overlijden 1871, fol 136, akte 9212. W. Rutten, “De vreselijkste aller harpijen. Pokkenepidemieën en pokkenbestrijding in Nederland in de 18de en 19de eeuw”, dissertatie Landbouwuniversiteit, Wageningen 1997, pag. 401.
3. Wet betreffende de burgerlijke pensioenen van 9 mei 1846 Stb 24, gewijzigd bij Wet van 3 mei 1851 Stb 49. NA 2.08.05.39, Inv 1999. Concept-brief d.d. 4 juni 1872 van Hendrik aan de Koning.
4. Regionaal Archief Dordrecht, 256 Burgerlijke Stand, Inv 262 Overlijden 1872, fol 147v, akte 586.
