3.8.7. Kruitdiefstal

Op 7 april 1793 kreeg Johan August Schohl ontslag uit het Zweedse leger. Daar had hij niet om gevraagd en zijn contract was ook niet verlopen. Het ontslag was oneervol en op staande voet vanwege verduistering en verkoop van kruitvaten uit het magazijn van de Koninklijke Artillerie. (1)

Drie dagen later al hield de Krijgsraad haar eerste zitting. De militaire aanklager sprak van de ontvreemding van 16 houten vaten van elk 100 pond (centenaar) gevuld met buskruit. Hij meldde dat deze inmiddels in de binnenstad waren ontdekt in de kolenkelder achter een houtopslag bij koopman Wallis. Deze verklaarde ten overstaan van de Krijgsraad de vaten op 28 maart voor 112 Rijksdaalder van Schohl te hebben gekocht, die ze dagen later op een huifkar met vier paarden bespannen kwam afleveren. Op de dag van zijn ontslag werd Schohl vermist en een dag later was duidelijk dat hij gevlucht was.

In de verhoren komen de eerder behandelde twee vermeldingen van Stückjunker Schohl in de doopboeken terug. In de Knieper voorstad woonde hij op kamers bij blikslager Wachsmuth, in 1788 de eerste getuige bij de doop van zijn onechte zoon. Nadat hij de nacht van zijn ontslag niet thuis was komen eten en slapen, was Wachsmuth hem na een tip te paard nagereisd naar het 23 km zuidwestelijk gelegen Franzburg en eerst langsgegaan bij de vrouw van de pachter op ‘Wolstorp’, omdat zij de zuster van Schohl was.

öfwer Schohls frånwaro först beslutit söka honom hos deß Syster, som är gift med Arrendatoren på Wolstorp
besloot Schohls verblijfplaats eerst te zoeken bij het huis van zijn zuster, getrouwd met de pachter op Wolstorp

Hier komt de tweede en beslissende vermelding om de hoek kijken. Stückjunker Schohl was eind 1791 in de kerk van Wolfsdorf bij Franzburg doopgetuige geweest bij pachter Thilow en zijn vrouw Augusta Juliana Meijer(feldt), de zuster van de Nederlandse stamvader. Door deze zusterrelatie en dezelfde voornamen Johan August, leeftijd rond 32 jaar, geboorteplaats Stralsund en baan als geschutschef luidt de conclusie, dat  Schohl en de stamvaer één en dezelfde persoon zijn. Zelfs de datum van zijn vlucht past, want een schip van Hamburg naar Amsterdam deed er maar een paar dagen over. Daar aangekomen met zijn Zweedse papieren van 15 jaar militaire ervaring en rang van Stückjunker kan de aanmonstering als Eerste Konstabel en per saldo Konstabel-Majoor niet moeilijk zijn geweest. Ook het inwisselen van zijn naam Schohl voor Meijenfeldt was in die tijd niet al te ingewikkeld. De enige die waarschijnlijk een probleem had was de Zweedse graaf, die voor een gevluchte dief geen plaats in zijn testament inruimde.

Deze ontdekking is strijdig met de brief van zijn zoon Carl aan Helsingfors, waarin staat dat hij eerst in Franse dienst ging. Jammer van al dat onderzoek, maar vermoedelijk speldde hij zijn kinderen dit op de mouw.  Het verhaal van de ontploffing van de kruitfabriek waarin alle familiepapieren verloren gingen komt hiermee eveneens in een ander daglicht te staan. Nergens in de familie is de kruitdiefstal overgeleverd en getuige zijn brief uit Altona schaamde de stamvader zich daar enorm voor. Zoon Carl vergiste zich ook wel eens, zoals hij de achternaam van zijn grootmoeder (Spint in plaats van Sparre) verhaspelde, maar het ligt niet voor de hand dat hij dacht dat de artilleriebrigade van Stralsund Frans in plaats van Zweeds was. Hij kan de volgorde wel hebben omgedraaid, omdat vader in Rotterdam van 1810 tot 1813 in Franse dienst was door de inlijving van het Koninkrijk Holland bij Napoleons keizerrijk. 

Terug   ***   Verder

1. Svenska Krigsarkivet, 0023 Generalmönsterrullor, 1738. R. Oldach, “Stadt und Festung Stralsund. Die Schwedische Militärpräsenz in  Schwedisch-Pommern 1721–1807”, Greifswald 2017, pag. 395-397. Stadtarchiv Stralsund, Rep. 3, Nr.6351,