1.1. Lijflandse Meijers

Het ligt voor de hand de herkomst van het geslacht Meijer te zoeken waar meijer – zoals eerder verklaard – de term voor hun beroep was. Dat is de noordelijke helft van Europa, zowel westelijk (Westfalen, Nedersaksen, Gelre en Utrecht) als oostelijk (Estland en Lijfland). Deze gebieden maken in de vijftiende eeuw onderdeel uit van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie, waarin paus en keizer een centrale rol vervullen.

Het geslacht Meijer is van oeroude adel in Lijfland en zal ooit eerder uit het westen zijn gekomen. Er is een oeroud wapen bekend van een witte sikkel op een blauw schild. De Meijers zijn vazallen van de ridders van de Duitse Orde. Van het geslacht is Johann Meijer in 1480 en 1510 op het landgoed Bubus en in de stad Riga de eerst bekende telg. Hijzelf en zijn nakomelingen hebben hoge functies in dienst van de Orde en zijn een goede huwelijkspartij voor de daar levende vazallengeslachten von Fa­rens­bach, von Tiesen­hausen, von Wran­gel, von Bremen, von Taube, von Wulff en von Hastfer. Met het uiteenvallen van de Duitse Orde in 1562 werkt hij onder de Estische Ridderschap, die zich onder bescherming van de Zweedse koning heeft geplaatst. (1)

Terug   ***   Verder

1. L. Fenske en K. Militzer, “Ritterbrüder im Livländischen Zweig des Deutschen Ordens” (Baltische Historischen Kommission, “Quellen und Studien zur Baltischen Geschichte”, Band 12), Köln/Weimar/Wien 1993. A. Fahne von Roland, “Geschichte der Westphälischen Geschlechter unter besonderer Berücksichtigung ihrer Übersiedlung nach Preußen, Kurland und Liefland”, Köln 1858. A. von Transehe-Roseneck, “Die ritterlichen Livland­fährer des 13. Jahrhunderts”, Würzbach 1960.