2.1.2. Kruitdiefstal

In het Zweedse leger verdient Johan August ruim 60 rijksdaalder per jaar, aangevuld met broodrantsoenen, uniformtoelage en vrije inkwartiering. Dat is een behoorlijk inkomen, maar toch weet hij enorme schulden te maken. In het beste geval komt dat doordat hij een maandelijkse toelage voor de opvoeding van zijn zoontje betaalt, maar bij onderofficieren van het garnizoen spelen drank en spel doorgaans een grotere rol. Begin 1793 biedt koopman Christopher Wallis hem de voor artilleristen gebruikelijke uitweg: verkoop van kruit uit het magazijn van de Koninklijke Artillerie. Sinds de grote kruitontploffing in Stralsund van 1770 mogen burgers maximaal 10 pond bezitten. Johan August laat zich overhalen om hem maar liefst 16 kruittonnen van 100 pond (centenaar) te leveren en vraagt daarvoor een prijs van 12 rijksdaalder per stuk. Op dinsdag 26 maart bereiken zij een akkoord over 7 rijksdaalder per kruitton.

Een dag later regelt Johan August een huifkar bespannen met vier paarden bij Johann Friedrich Freese uit de Tribseer Vorstadt. Op Witte Donderdag 28 maart ligt rijp op de daken en wegen. Onderweg van zijn huis in de Knieper Vorstadt ziet hij tegen zeven uur in de morgen Freese hem tegemoet lopen vanaf het Laboratorium, waar diens kar met paarden bij een wachtpost staat. Zij halen eerst nog twee afdekzeilen thuis op en rijden op de huifkar langs het Laboratorium naar het reserve magazijn. Hij opent dat met zijn sleutels en samen laden zij de 16 houten tonnen, elk gevuld met 50 kg buskruit, op de huifkar en dekken het met de zeilen af. Lopend voor de kar uit leidt Johan August de vracht door de Knieper Tor, linksaf door Hinter Johannis en Fehr Straβe, rechtsaf in Baden Straβe tot een vuurton de steeg naar de Heilig Geist Straβe blokkeert.

Rechtsonder Kniepertor F
C. Angell, “Neuer Grundriss der Stadt Stralsund“, Berlin 1803

Johan August loopt de steeg door in de richting van de Langen Straβe en verdwijnt in de open poort van Wallis. Een kwartier later loodst hij de huifkar naar de openstaande poort. Daar staat Wallis met zijn brouwersgezel Johan Holtz klaar om de kruittonnen af te laden, in de kolenkelder op te slaan en met hout en matten aan het zicht te onttrekken. Voor de ontvangst van zijn 112 rijksdaalder schrijft hij een kwitantie uit:

Kwitantie van Johan August voor de verkoop van het buskruit

Johan August denkt na het afbetalen van zijn schulden van de hele zaak af te zijn, omdat hij er van uitgaat dat het van een artillerie-oefening overgebleven kruit niet gemist zal worden. Dat loopt anders, want de nauwkeurige magazijnmeester meldt op donderdag de ontvreemding en de wachtpost zegt hem bij het magazijn gezien te hebben. Op zondag 7 april wordt de grond hem te heet onder de voeten. Hij bezoekt in de ochtend Wallis, die bevestigt dat de kruitvaten nog bij hem in de kelder verborgen zijn. In de middag gaat hij terug naar zijn vertrekken in het huis van Wachsmuth, ontdoet zich van zijn uniform en vertrekt in een Levantjas. Om 20:00 uur wordt niet langer op hem gewacht voor het avondmaal en om 22:00 uur mist hij de overnachting door sluiting van de buitendeur. Ditmaal bedriegt zijn voorgevoel hem niet, want diezelfde dag is hij als dader ontmaskerd, op staande voet uit het Zweedse leger ontslagen, heeft aanklager Ronander voor de Krijgsraad een aanklacht in gang gezet en is een zoekactie naar hem in gang gezet. (1)

Vertrekkend uit Stralsund ontmoet Johan August in Franken Vorstadt om 19:30 uur dienstbode Catharina Dorothea Jäger. Hij vraagt haar Wachsmuth te melden dat hij in Franzburg te vinden is. Vervolgens loopt hij 23 km in zuidwestelijke richting en komt daar om 1:00 uur in de nacht aan. Na kloppen op de deur van kleermaker Hartman, de zwager van Wachsmuth, mag hij vanwege de bezorgde en ellendige indruk die hij maakt een nachtje blijven. Die ochtend om 7:00 uur komt dienstbode Jäger met haar bericht aan de deur bij Wachsmuth, die onmiddellijk een paard regelt bij paardenhandelaar Zahr en daarop naar zus Augusta Juliana in Wolfsdorf rijdt. Rond het middaguur ontmoet Johan August hem in Franzburg, neemt een geldbeurs met 12 rijksdaalder in ontvangst en vertrekt op het paard spoorslags naar de grensstad Damgarten, waar een andere zwager Hartman hem over de grens naar Mecklenburg helpt. Zodoende ontsnapt hij aan de achtervolgers, die pas om 19:00 uur Wachsmuth lopend naar huis tegenkomen, in Franzburg naar Damgarten worden doorverwezen en daar constateren dat de vogel over de grens is gevlogen. 

Diezelfde avond ontdekken de Zweden het verborgen kruit bij Wallis. Drie dagen later begint de Krijgsraad aan een reeks verhoren van onder andere wagenvoerder Freese, koopman Wallis en blikslager Wachsmuth. De inbreng van Johan August bestaat uit een brief, die hij op 19 april in vrijheid vanuit Altona schrijft aan zijn legerchef Armfelt. Zonder illusie over de mogelijkheid van terugkeer vraagt hij om excuses en begrip voor zijn daden. Na de verhoren van de Krijgsraad spreekt de strafkamer van het Niedergericht van Stralsund een oordeel over de burgers uit. Koopman Christopher Wallis kon en moest op vele manieren begrijpen dat het kruit gestolen was. Bovendien overtrad hij het verbod om meer dan 10 pond in huis te hebben in ernstige mate. Daarom krijgt hij een boete van maar liefst 500 rijksdaalder opgelegd. Wallis bepleit de boete naar 200 rijksdaalder te verlagen met de argumenten dat hij bezweek onder de druk van Schohl, niets van de diefstal afwist en de voorraad kruit in zijn kelder geen handel maar opslag betrof. Dit betoog baat hem niet, maar zijn koopmansloopbaan heeft er geen nadelige gevolgen van.

Christopher Wallis op latere leeftijd
Hallwylska Museum

Wachsmuth verweert zich met het argument dat Schohl zijn geldbeurs en paard van hem afpakte toen hij in Franzburg aankwam om met hem over een grondtransactie te praten. Ook hij wordt veroordeeld, maar krijgt geen straf door het afleggen van een zuiveringseed, inhoudende dat hij niets van de diefstal en de vlucht afwist. Hij overlijdt een half jaar later door ouderdom en wie weet alle opwinding. (2)

Onderste zin: Beforderung der Flucht des Stückjunkers Schohl

Terug   ***   Verder

1. Svenska Krigsarkivet, 0023 Generalmönsterrullor, 1738. R. Oldach, “Stadt und Festung Stralsund. Die Schwedische Militärpräsenz in  Schwedisch-Pommern 1721–1807”, Greifswald 2017, pag. 395-397.
2
. Stadtarchiv Stralsund, Rep. 3, Nr.6351,