2.1.6. Zweeds contact

Aan boord van de Erfprins van Brunswijk is nog iemand van Zweedse afkomst: de zeven jaar oudere Alexander Söderquist uit Karlskrona. Hij was vaandrig toen hij in dienst van de Republiek trad en als luitenant op het schip aangenomen. In gevechtssituaties is hij de directe chef van Johan August. Die situatie doet zich niet voor, want hij Op 13 augustus 1795 komt in Paramaribo een einde aan zijn leven. Kapitein Hartsinck meldt dit treurige nieuws in een brief van 4 februari 1796 aan majoor Von Borck, de broer van de weduwe, met het verzoek haar in te lichten. Zij hoort het pas een jaar later. Bij het vertrek van haar man uit Karlskrona was zij zwanger. Zij doet het verzoek het nog niet betaalde soldij aan haar uit te keren voor de opvoeding van haar zoon. Dat verzoek wordt ingewilligd bij besluit van 3 januari 1803. (1)

Een klein jaar na dit sterfgeval duikt een andere Zweed in Paramaribo op, opnieuw een luitenant uit Karlskrona. Aan boord van het fregat de Pollux in het eskader van de nieuwe Bataafse regering onder vice-admiraal Braak komt hij in mei 1796 de Surinamerivier opvaren. Het gaat om de twaalf jaar jongere Pieter Ziervogel, die volgens familieverhalen een vriend van Johan August wordt en blijft. Zijn voorouders Ziervogel komen uit Eisleben in Saksen, oudoom Casper was chirurgijn van koning Karel XII en diens gelijknamige zoon was chirurgijn op Texel. Zijn vader Samuel Fredrik Ziervogel was kapitein op het linieschip Sophia Albertina, wist bij de afvaart in 1782 in Karlskrona een grote brand manhaftig te blussen, werd daardoor tot Ridder in de Zwaard Orde geslagen, maar vond na de afvaart de dood in een zware storm voor Texel. Dat weerhield zijn zoon, die toen nog Pehr heette, niet van een keuze voor de marine. In het kadettenkorps had hij als vaandrig deelgenomen aan de oorlogsvloot in de Zweeds-Russische Oorlog (1788-1790) in de gewonnen Slag bij Hogland, terwijl graaf von Meijerfeldt de landtroepen aanvoerde. Na de vrede had hij zijn bevordering tot luitenant gekregen met koninklijke toestemming om in buitenlandse dienst te treden. Ziervogel was bij de Admiraliteit van de Maze (Rotterdam) terecht gekomen en al eerder naar West-Indië gereisd. In 1794 had hij allerlei opdrachten in de Noordzee en op de Rijn uitgevoerd, totdat hij op de Waal vastvroor en het Franse invasieleger hem van alles wat hij nog bezat – behalve zijn uniform – beroofde. De Patriotten hadden hem zijn luitenantsrang in de Bataafse marine teruggegeven. (2)

De overkomst van beide luitenants van Karlskrona naar de Republiek en de betaling aan de weduwe lopen via een derde Zweed: graaf Löwenhielm, tussen 1789 en 1805 buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister voor het Koninkrijk Zweden in Den Haag. Tijdens de Eerste Coalitieoorlog doet hij samen met consul Hasselgreen in Amsterdam zijn uiterste best de neutraliteit van Zweden te beklemtonen, hoewel dat vanwege hun schrik over de terechtstelling van de Franse koning niet goed lukt.

Fredrik Adolph Löwenhielm (1743-1810)
Per Krafft sr
Christina Augusta von Fersen (1754-1846)
National Museum Gripsholm 2304

De vrouw van  Löwenhielm is achtergebleven in Stockholm. Daar voert Christina Augusta von Fersen een grote staat gelijk aan Lovisa Augusta Sparre von Meijerfeldt. Zij is ook hofdame, één van de drie gratiën en Brita Horn opgevolgd als minnares van de toenmalige hertog, inmiddels regent en toekomstige koning Karel XIII, naar zeggen de vader van haar zoon Carl Axel Löwenhielm. In Haag krijgt Löwenhielm op 25 juli 1798 op Zorgvliet een zoon Frederik Adolf bij Anna Maria de ‘l Espinasse, die de naam van zijn moeder gaat dragen. (3)

Terug   ***   Verder

1. Nationaal Archief, 1.01.46 Admiraliteitscolleges, 2254 De Erfprins van Brunswijk, capitein Pieter Hartsinck 1793, folio 5. Bouppteckning Alexander Söderquist 23-12-1797. 
2. J.A.A. Lüdeke, “Denkmal der Wieder-Eröffnung der deutschen Kirche in Stokholm”, Stockholm 1823, pag. 450-451, gebaseerd op Ridderhuis aantekeningen en originele documenten van Justitieraad Carl Ziervogel (1740-1828), broer van Samuel Frederik, oom van Pieter. De vriendschap staat in brieven van Govert von M aan zijn neven Frits in 1934 [CH-16] en Carl in 1935 [CG-40].
3. p.m.