2.2.2. Paramaribo

Aan boord van het fregat “De Erfprins van Brunswijk” verlaat Johan August von Meijenfeldt in 1793 een revolutionair continent. Frankrijk stelt koning Lodewijk XVI onder de guillotine terecht, verklaart de Britse koning George III en de Nederlandse stadhouder Willem V de oorlog en annexeert in razende vaart Duitse gebieden en grote delen van de Zuidelijke Nederlanden. Het schip gaat koers zetten naar een niet minder revolutionair continent: Amerika. De eerste President van de Verenigde Staten George Washington tekent de Neutraliteitsverklaring in de Frans-Britse oorlog en slavenopstanden zijn er aan de orde van de dag.

Het fregat heeft de opdracht om ten eerste konvooi te verlenen aan een aantal bevoorradingsschepen voor Suriname en West-Indië. De tweede instructie luidt de Nederlandse kolonies tegen dreigende vijandelijkheden te beschermen. Deze zijn natuurlijk te verwachten van de plaatselijk aanwezige Fransen op open zee en in het aangrenzende Cayenne, de hoofdstad van Frans-Guyana. Een maand eerder heeft Nederland Sint-Maarten op de Fransen veroverd. De vijandelijkheden zijn ook te verwachten vanuit het oerwoud door de marrons (ontsnapte slaafgemaakten), hoewel guerrillaleider Boni net door verraad is gedood. De kolonisten maken zich op voor een laatste grote krachtsinspanning, om een einde te maken aan de aanvallen op de plantages, waar toch al onrust heerst in verband met tal van onrechtvaardigheden (te weinig voedsel, te zware werkomstandigheden, te harde straffen). Slavenleider Tula zou op Curaçao de kiem voor een opstand gaan leggen.

Na een zuidelijke koers langs de westkust van Europa volgt de oversteek. Eind januari 1794 wordt het anker gelost in de haven van de Surinaamse hoofdstad Paramaribo. De opdracht tot bevoorrading is geslaagd. Ook de tweede opdracht lijkt te slagen. Het vuur van de slavenopstand dooft enigszins door de arrestatie en ter dood veroordeling van guerrillaleider Tula op Curaçao, een verzachtend verbod op slavenwerk op zondag en het Franse besluit tot afschaffing van de slavernij in Cayenne nog niet bekend was. 

Voor Johan August zijn er ruime mogelijkheden om deel te nemen aan de levendigheid en het vertier in Paramaribo. Al op 4 april 1794 – twee maanden na aankomst in Paramaribo – gaat zijn kapitein Pieter Hartsinck in ondertrouw met de 22-jarige weduwe Nelly Maria Gueyle. Zij was de jongste dochter van de Nederlandse plantersfamilie op het Deense eiland St. Thomas.  

Uit een monsterrol blijkt dat het soldij van Johan August in de periode 1 oktober tot en met 31 december 1794 is opgehoogd van f 26 naar f 32 per maand. Dat hangt samen met het feit dat zijn directe chef konstabel majoor Fredrik Bon uit Keulen door ziekte niet meer in staat is zijn functie te vervullen. Op 13 augustus 1795 krijgt hij ook daadwerkelijk de functie van konstabel majoor. Fredrik Bon overlijdt nog datzelfde jaar. (1)

In Europa had de invasie van Fransen en Patriotten zich intussen uit zuidelijke richting naar ’s-Hertogenbosch, Maastricht en Nijmegen doorgezet. Verzonnen of niet, maar van dat moment komt de uitspraak “Wat nu? wat nu? zei Pichegru”, doelend op de oversteek van de immer onneembare grote rivieren door de Franse opperbevelhebber. In de winter van 1794 op 1795 had de natuur hem een handje geholpen met een strenge vorst, waardoor de rivieren dicht waren gevroren. Pichegru had weten door te stoten naar Utrecht en Amsterdam. Zeeland had zich overgegeven en stadhouder Willem V was naar Engeland gevlucht. Een dag later was de Bataafse Republiek als Franse vazalstaat een feit geworden. De vijf Admiraliteiten waren omgevormd tot een 21 leden tellend Comité tot de Zaken van Marine. 

Op 5 maart 1795 had Johan August de feestelijke verjaardag van Prins Willem V in Paramaribo nog fmeegemaakt. Hij hoort dat de prins een brief had gestuurd om een opstomend Engels eskader te verwelkomen. Veel bestuurders en marineofficieren zijn weliswaar prinsgezind, maar besluiten toch liever de omwenteling in Den Haag te erkennen. Achterliggende reden is de betrekkingen met Cayenne te herstellen om de Franse kapers te bestrijden. Mei 1796 komen vijf oorlogsschepen en een handelsschip van de nieuwe Bataafse regering de Surinamerivier op varen. Vice-admiraal A. Braak was met twee schepen uit Nederland op weg gegaan en had in Cayenne vier schepen aangetroffen en meegenomen. Hartsinck stelt zich onder zijn commando. Diens schip verliest zijn orangistische naam en wordt omgedoopt tot ’s Lands Fregat van Oorlog “’t Vertrouwen”, vernoemd naar het VOC-schip dat augustus 1795 door de Engelsen bij Kaap de Goede Hoop was genomen. Braak stelt het provocerend hijsen van de nieuwe Bataafse vlag liever nog wat uit. (2)

Eind juni 1796 wordt Johan August net als de andere manschappen uit dienst ontslagen. Frankrijk en de Bataafse Republiek waren ondermeer onderlinge bescherming van de koopvaardijvloot overeengekomen. De sterke man van de Bataafse regering – Pieter Paulus – had zich in 1796 met succes aan de reorganisatie gezet van de eens zo fiere Hollands-Zeeuwse marinevloot, waarvan nog maar bitter weinig over was. Voor hem waren er twee belangrijke problemen geweest: de prinsgezindheid van de officieren en de buitenlandse afkomst van de bemanning. Eén van de maatregelen van Paulus was het ontslag van de (onder)officieren van de vloot en het opnieuw aannemen na het zweren van de eed van trouw aan de nieuwe landsregering tegen een iets lagere gage.

Johan August raakt in Paramaribo bevriend met een andere Zweed, eerste luitenant Pehr of Pieter Ziervogel, die in 1772 in de admiraliteitsstad Karlskrona geboren is. Hij is aan boord van het fregat Pollux met Braak uit Cayenne meegekomen. Zijn voorouders komen uit het Saksische dorp Eisleben bij Mansfeld. Casper was chirurgijn van koning Karel XII en diens zoon Casper landschirurgijn op Texel. Pieter was in het kadettenkorps vaandrig geworden en had deelgenomen aan de oorlogsvloot in de Zweeds-Russische Oorlog (1788-1790), vooral in de gewonnen Slag bij Hogland, waarna hij tot luitenant was bevorderd. Graaf Johan August Meijerfeldt jr. (1725-1800) was in die oorlog opperbevelhebber van de grondtroepen. Vanwege de vrede had Ziervogel in 1791 Koninklijke toestemming gekregen om in buitenlandse dienst te treden. Via graaf Löwenheim in Den Haag had hij zijn loopbaan bij de Admiraliteit van Rotterdam vervolgd, hoewel hij aan Nederland geen goede herinneringen had kunnen hebben: hij was 10 jaar oud toen zijn vader Samuel Frederik Ziervogel als zeekapitein van het Zweedse linieschip “Sophia Albertina” in een zware storm voor de kust van Texel in 1781 ten onder was gegaan. En dat terwijl zijn vader bij de afvaart in Karlskrona nog manhaftig een vuur op het schip had weten te blussen, zodanig dat koning Gustaaf III hem tot Ridder in de Zwaard Orde had benoemd. Pieter was naar West-Indië en Suriname afgereisd en had na terugkomst in 1794 allerlei opdrachten in de Noordzee en op de Rijn uitgevoerd, totdat hij op de Waal was vastgevroren en het Franse invasieleger hem van alles wat hij nog bezat – behalve zijn uniform – had beroofd. De patriotten hadden hem echter zijn rang teruggeven en hem aan boord van de Pollux naar West-Indië gezonden. (3)

Al na enkele maanden overlijdt Braak en na de plechtige begrafenis wordt Hartsinck commandant over de gehele vloot. Hij eist van de lokale gouverneur Friderici betalingen voor de verdediging van Paramaribo en laat zich niet uitlokken door de Engelse schepen met de oude Nederlandse driekleur en toegezonden vaatjes Hollandse boter. Johan August behoort weliswaar tot de buitenlandse bemanning, dat hij prinsgezind is moet worden betwijfeld. Hij lijkt er geen moeite mee te hebben op 1 juli 1796 de eed af te leggen, waardoor hij in zijn functie als konstabel majoor wordt hersteld. Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om op zijn soldij 2 gulden te korten. (4)


“Het Fregat Vertrouwen voor anker op de rede van Paramaribo”
onder commando van Kapitein-ter-Zee P. Hartsinck en drie Nederlandse koopvaarders 1797
Olie op canvas, onbekende artiest 1800, doek 56 x 112 cm, 10 kg
Het Nederlands Scheepvaartmuseum, inventarisnummer A.3535

In februari 1797 deelt Hartsinck aan Frederici mee dat hij opdracht heeft te vertrekken. Het uitvaren van de vloot wordt telkens uitgesteld, enerzijds als gevolg van de aanhoudende verzoeken van de plaatselijke machthebbers om ondersteuning, anderzijds vanwege de op de loer liggende Frans-Guyaanse kapers, alsook van de blokkade van de riviermondingen door vijandelijke Britse oorlogsschepen. De haven van Paramaribo loopt steeds meer vol met schepen, die zich door achterstallig onderhoud in een steeds deplorabeler toestand bevinden.

Hoewel hij op 1 juli 1796 weer in dienst is genomen behoort Johan August bij de 100 manschappen aan boord van ’t Vertrouwen die Hartsinck het jaar daarop om ontslag vragen. Zijn voorganger Braak zou in aanwezigheid van kapitein Bloys van Treslong op 15 mei 1796 hebben beloofd om binnen 6 à 7 maanden huiswaarts te varen om daar na vier jaar dienst ontslagen te worden en het verdiende soldij in ontvangst te nemen. Die maanden zijn inmiddels verstreken. Hartsinck belegt op 30 mei 1797 een conferentie van de scheepskapiteins. Volgens de notulen zegt Bloys van Treslong dat de manschappen de woorden van Braak verkeerd hebben verstaan. Hartsinck vindt het verzoek moeilijk te rijmen met de nog geen jaar geleden gezworen eed, zegt dat sowieso geen schip beschikbaar is om nu uit Paramaribo te vertrekken en wil liever snel met het voltallige konvooi vertrekken. (5)

Snel blijkt nog bijna twee jaar te duren. Hartsinck vormt op 21 maart 1799 met alle marineschepen en koopvaarders die mee willen een eskader naar Europa. Een half jaar later wordt het onbeschermde Suriname door een Britse vloot bezet. Het Bataafse eskader zeilt om de Britse eilanden heen naar Noorwegen. Op deze wijze komt Johan August behouden op 1 september aan in de Noorse kustplaats Bergen, waar zijn pas 6 jaar oude fregat tegen houtprijs wordt verkocht en ontmanteld. Hij gaat met Hartsinck, Ziervogel (die in Noorwegen het bevel over de Pollux was gaan voeren) en de meeste anderen over land terug naar de Bataafse Republiek.

Op 16 mei 1800 wordt Johan August uiteindelijk wel uit dienst van de Amsterdamse Admiraliteit ontslagen. Niet vanwege onvoldoende prestaties, maar vanwege het gebruik om alleen officieren in vaste dienst bij de marine te houden. Onderofficieren (verbonden aan de Admiraliteiten resp. Departementen) en matrozen (verbonden aan de kapitein) krijgen een contract per reis.

Wat betreft de financiële afrekening zijn er twee componenten. De eerste is een aandeel in de opbrengsten van buitgemaakte schepen. Omdat er helemaal geen gevechtshandelingen zijn geweest bedragen deze inkomsten nihil. De tweede component is het soldij dat Johan August heeft opgebouwd. Hij had 26 maanden en 14 dagen gediend als 1e Constabel voor 26 gulden per maand. Daarna had hij 10  maanden en 18 dagen gediend als Constabel-Majoor voor 32 gulden per maand. Na aftrek van 339,40 gulden op de betaalsrollen moest aan hem voor de periode 29 mei 1793 tot 1 oktober 1795 een netto bedrag van 713,19 gulden worden uitbetaald.

Terug   ***   Verder

1. Nationaal Archief, 2.01.28.01. Inventaris van het archief van het Comité tot de Zaken van de Koloniën en Bezittingen op de Kust van Guinea en in Amerika, (1791) 1795-1800 (1805), inv. 128, Stukken betreffende ’s Lands schepen in de rivier Suriname, Monsterrolle der Kost Penningen, pag. 258, V. Constap. fol, 21, J.A. Meijenfeldt, van 1 Octb. tot ult. Decb. Dagen 90,  Tagens 7 st.  Montant f 32, 4, 5.
2. J. Wolbers, “Geschiedenis van Suriname”, Utrecht 1861.
3. J.A.A. Lüdeke, “Denkmal der Wieder-Eröffnung der deutschen Kirche in Stokholm”, Stockholm 1823, pag. 450-451, die zich voor dit verhaal baseert op Ridderhuis aantekeningen en originele documenten van Justitieraad Carl Ziervogel (1740-1828), broer van Samuel Frederik en oom van Pieter.
4. Nationaal Archief, Monsterrollen Departement van Marine (toegangsnummer 2.01.30), Confereer-Rolle ‘s-Lands Schip Brutus (inventarisnummer 863), folio 10.
5. Nationaal Archief, voetnoot 1, pag. 355, Notulen van een Conferentie Raad gehouden aan Paramaribo, Litt. A, J.A. von Meijenfeldt.