4.9.4. Treysa

In Treysa in het noorden van Hessen is Moses Meijer in 1767 geboren. Hij neemt de achternaam Meijerfeld aan. Hij en zijn kinderen wonen ook in naastgelegen Ziegenhain in Schwalmstadt en wonen tevens richting Kassel in Spangenberg en Melsungen. In de genealogie komen veel nakomelingen in Berlijn en Aken voor. Een aantal weet in de Nazi-tijd naar het buitenland te ontvluchten, maar een groot deel overleeft het niet. (1) 

De bekendste telg is Max Meyerfeld. Al op zijn tweede overlijdt zijn moeder en als hij twaalf jaar oud is ook zijn vader. De jongere zus van zijn vader en broer van zijn moeder met de familienaam Friedberger vangen hem en zijn broer warm op. Hij studeert in Giessen, Straatsburg en Berlijn Engelse letterkunde. Max wint in 1896 een prijs van 253 Rijksmark met een scriptie over Robert Burns en promoveert op 30 juli 1898 op dezelfde auteur. Vanaf 1899 schrijft hij boeken, artikelen, recensies, vertalingen (Burns, Galsworthy, Moore, Synge en Wilde) en krantenartikelen (Neue Zürcher Zeitung). 

In 1902 verhuist Max van zijn studentenflat aan de Charlottenstrasse 81 naar een huis aan de Lützowufer 29 in Berlijn om zich in de mondaine stad te storten. Hij verwerft van een aantal Britse schrijvers de rechten om te vertalen, uit te geven en in theaters op te voeren. Omdat de Engelsen moralistische bezwaren maken, krijgen deze schrijvers soms meer inkomsten uit Duitsland, zoals Oscar Wilde. Max heeft een uitvoerige correspondentie met al deze Britse schrijvers en bezoekt hen elke zomer in Londen. (2)

Max Meyerfeld

Tegenover anderen schermt Max de rechten af, zoals tegen de Oostenrijkse componist en dirigent Alexander von Zemlinsky, die daardoor Wildes opera “Een Florentijnse Tragedie” niet kan opvoeren. Zelf beleeft hij een financieel debacle als hij de door hem uitstekend vertaalde “Hertogin van Padua” na drie voorstellingen in Hamburg in december 1904 moet beëindigen wegens wanprestaties op het toneel.

Hij is inmiddels een bekend schrijver als hij op één van zijn bezoeken aan Londen aan executeur-testamentair Ross (die hij in 1904 in Dresden voor het eerst ontmoet had) vraagt naar Wildes in gevangenschap geschreven apologie. Na aanvankelijke weigering en een enkele jaren durende correspondentie, krijgt hij de wereldprimeur. In 1905 verschijnt in het januari- en februarinummer van de Neue Rundschau de Duitse vertaling van het door Ross samengestelde excerpt van het manuscript, getiteld “De Profundis, Aufzeichnungen und Briefe aus dem Zuchthaus in Reading“. Spoedig verschijnt het in boekvorm en volgen vertalingen in vele wereldtalen in een voor die tijd onvoorstelbaar hoge oplage van een miljoen exemplaren.

Max’ vijf jaar oudere broer Emil is koopman in Frankfurt a.M., maar moet vanaf 1894 met tussenpozen behandeld worden voor geesteszwakte en epilepsie. In 1907 stemt Max in met diens opname in een instituut en een curatorschap over diens financiën. Al een jaar later overlijdt zijn broer en wikkelt hij de erfenis af. In 1914 wordt jij vanwege het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in dienst opgeroepen. Hij krijgt een schrijversbaan. Als hij het voorstel doet het mogelijk Duits-kritische werk “Britling sees it through” van H.G. Wells te vertalen, leidt dat uiteindelijk tot zijn ontslag in 1915 wegens duurzame ongeschiktheid. 

In 1924 overhandigt de zoon van Oscar Wilde het originele manuscript aan Max, onder voorwaarde dat hij het na vertaling zal teruggeven. Zo heeft hij opnieuw een wereldprimeur met de Duitse uitgave van de volledige tekst van “De profundis, Epistola in carcere et vinculis”, terwijl het originele Engels pas in 1960 mag worden gepubliceerd. Op de voorpagina van de New York Times Book Review van 21 december 1924 doet hij zelf uitgebreid verslag van de gang van zaken. (3)

Deze primeur komt voort uit de belangrijke plaats die Max geleidelijk in de Engelse literatuur heeft verworven. Hij hoopt ook de Duitse literatuur onder de Engelse aandacht te brengen, maar vraagt zich wel af “whether any notice had been taken in Oxford of Gerhart Hauptman’s 60th birthday”. (4)

Osbert and Sacheverell Sitwell en Siegfried Sassoon zijn de Engelse vrienden die Max heeft in de jaren twintig. Op 8 september 1927 komen de drie mannen vanwege Sassoon’s 41ste verjaardag samen met Nellie Burton, de legendarische huishoudster in Londen, naar Berlijn en de foto van hun bijeenkomst bestaat nog. In 1933 krijgt Max een Berufsverbot van de Nazi’s. Hij denkt door overgang naar het protestantisme de problemen op te lossen, maar vergeefs. In de gedachte dat Hitler slechts een voorbijgaand kwaad is, wuift hij zijn nicht Edith Mosenthal-Meyerfeld met dochters Ellen en Alice uit naar Engeland in 1938. Op 3 oktober 1940 sterft hij een natuurlijke dood in de Bavariakliniek in Berlijn-Schöneberg en een dag later wordt hij begraven op Berlijn-Wilmersdorf, oorlogsbegraafplaats Güterfelde (blok J, rij UR, graf 151).

Neef Kurt Meijerfeld is 24-jarige student als hij rond 23 juni 1912 de Europese kranten haalt. De Telegraaf schrijft onder het kopje “Een liefdesdrama” dat hij dood in zijn kamer was gevonden. “Door een revolverschot had hij een einde aan zijn leven gemaakt. Uit door den jongen man achtergelaten brieven bleek, dat hij tengevolge van een ongelukkige liefde in een oogenblik van vertwijfeling de hand aan zichzelf geslagen had. De jonge Kurt Meyerfeld, die tot een zeer aanzienlijke familie behoort, had het plan gevorm zich aan de architectuur te wijden en legde zich met hart en ziel op de voorbereidende studiën toe. Ongeveer een half jaar geleden leerde hij echter op een bal een schoone Poolsche kennen, die nog slechts korten tijd in Berlijn woonachtig was. Deze Poolsche, die voor een buitengewone schoonheid doorging en door haar verschijning in de salons te Berlijn veel opzien verwekte, was met een onbemiddeld man gehuwd geweest. Op aandringen van haar vader, een bankier, had zij zich tenslotte van haar man laten scheiden en zich met haar dochtertje te Berlijn gevestigd. De jonge Meyerfeld werd hartstochtelijk op haar verliefd en vormde het vaste plan met haar te huwen zoodra zijn maatschappelijke positie dit zou veroorloven. Ook de dame zag den knappen, jonge student niet ongaarne, maar verklaarde tevens, dat aan een huwelijk den eersten tijd niet te denken viel, daar zij eerst definitief van haar man gescheiden moest zijn.” Het verhaal gaat verder: Zij komt in aanraking met een architect en door haar bemiddeling kan Kurt bij hem geplaatst worden. Deze architect raakt ook verliefd, biedt haar een betere positie en die accepteert zij. Kurt merkt dat zijn liefde niet meer beantwoord wordt. Hij gaat naar het Duitsch Theater, soupeert alleen, bezoekt om één uur nog een danslokaal, keert terug naar zijn kamer, trekt zijn rokkostuum met bloem aan, schrijft een reeks brieven aan zijn familie en zijn beminde, steekt vier grote kaarsen aan, pakt zijn revolver, staat voor de spiegel bij haar portret en schiet zich in de borst. Als men de kamer binnendringt vindt men het lijk.

Drie kinderen van Ruben Meijerfeld overleven de Nazi-terreur niet. Verpleegkundige Rosalie en Sofia en hun schoonzus Johanna Ziegelroth-Oppenheimer gaan van hun woning aan de Uhlandstraβe 10 in Halle naar een zogenaamd “Judenhaus” aan de Hindenburgstraβe 34 (nu Magdeburgerstraβe 7) en van daar samen met 153 andere Joden op 1 juni naar Sobibor bij Lublin in Polen, waar hun leven twee dagen later na 65 respectievelijk 63 jaar eindigt. Hun broer Max wordt in 1941 in een Nazikamp in Riga gedood. Voor de oorlog is hij fabrikant in olie, benzine, vetten in Keulen. 

Stolpersteine, Uhlandstraβe 10, Halle/Saale

Terug   ***   Verder

1. Dit verhaal is deels gebaseerd op onderzoek van Nathan M. Reiss. [CH-118]
2. Bijvoorbeeld met J.M. Synge, The Library of Trinity College Dublin, Max Meyerfeld.
3. FA Kranteknipsels Jt.462.
4. Correspondentie met biograaf dr. Horst Schröder. [CH-481]