2.3.9. Rekest

In 1810 en de jaren daarna staat Johan August niet meer op de scheepsrollen van de Nederlandse marine. Daarmee komt een einde aan een periode van 17 jaar met twee Atlantische tochten en veel manoeuvres voor de kust. Hij lost in die tijd veel kanonschoten, maar altijd als groet of sein, nooit met gerichte kogels op een vijand.

Johan August neemt nog geen afscheid van de marine. Hij gaat op zoek naar opdrachten aan wal probeert zijn achterstallige soldij binnen te krijgen. Niet zijn traktement van f 62,50 per kwartaal, want dat heeft hij gedurende 8½ jaar kunnen (laten) ophalen. Volgens de rollen is hij sinds 1804 de nodige maanden aan boord van oorlogsschepen geweest, waarmee hij het volgende soldij verdiend heeft:

BEGIN EIND PERIODE BEREKENING voorschotten en betalingen
26-02-1804 31-12-1805 22 mnd + 4 dag à f 30 = f 664
Brutus – Kikkert     – f 220,17 = f 443.3
01-01-1806 31-12-1806 12 mnd à f 30 = f 360
Braband – Kikkert f 244.16 = f 115,5
01-01-1807 31-03-1808 15 mnd à f 30 = 450
Braband – Kikkert f 143.5 = f 306.15
01-04-1808 17-04-1808 17 dag à f 30 = 17
Wadden – Kikkert f 38.16 = f 21.16
18-04-1808 30-06-1808 2 mnd + 13 dag à f 30 = 73
Braband– Melvill
Texel – Hofmeijer 01-07-1808 Niet aan boord Geen soldij
Armade – Verdooren 11-08-1809 Niet aan boord Geen soldij

Op de eerste en derde soldijrol staat aangetekend “Compenseerd bij ’t Fonds”, gevolgd door een bedrag. Het gaat niet om de inhoudingen voor kwekelingen, voor weduwen en voor oude zeeliedenbedrag, want dat zijn  enkele stuivers. Deze substantiële bedragen worden niet uitgekeerd, maar met maandbrief gestald bij het laatstbedoelde fonds. Nu is het voor Johan August zaak het er uit te krijgen. In diverse advertenties medio februari 1809 had de Minister van Marine en Koloniën ontslagen zeelieden opgeroepen zich daarvoor tot de directeur van het fonds te wenden. (1) 

Na een jaar van vergeefse pogingen richt Johan August zich met een verzoekschrift tot de Minister zelf.

Kleurentekening gemaakt door Johan August 

Om het te laten opvallen maakt hij een kleurrijk papier, met bovenop kroon, wapen en rood-wit-blauwe vlaggen en wimpels van het Koninkrijk Holland. Rondom tekent hij brandbommen, kogels en kanonnen om zijn werk als konstabel te illustreren. In het midden schrijft en ondertekent hij op een peervormig omlijnd plaket een gedicht met de titel Een Blijk van Hulde en trouw  eerbiedig opgedraagen, waarvan de laatste regel luidt: Dat op ’t gedaan verzoek een gunstig antwoord schenkt. (2)

Johan August voegt dit bij een door hem zelf geschreven rekest van twee bladzijden, gedateerd 17 maart 1810 vanuit de Boomstraat 5. Daarin schrijft hij in de periode 1804-1809 gage te hebben ontvangen over ’s Konings tijd, maar niet over de Bataafsche tijd. Over die eerste helft zegt hij meermaals geld uit zijn Maandbrief op ’t Fonts te hebben aangevraagd, zelfs met een beroep op de eerdergenoemde krantenadvertentie, maar vergeefs

Achterzijde request aan minister Paulus van der Heim

Johan August roept de hulp van de Minister in, om de met zwaar werk eerlijk verdiende gelden bij het fonds los te krijgen om niet brodeloos met vrouw en kinderen thuis te zitten. (3)

De timing van dit verzoek had beter gekund. Enkele maanden later valt het doek voor koning Lodewijk Napoleon en zijn ministers. Holland wordt geheel bij het Franse Keizerrijk ingelijfd en alle verzoekschriften blijven liggen.

Terug   ***   Verder

1. Koninklijke Courant, 16 februari 1809. Amsterdamsche Courant, 18 februari 1809.
2.
Gekleurde gravure op papier 15,5 x 19,2 cm. Gelders Archief, Collectie Alexander Ver Huell, 2039-1781.
3. Request aan de Minister van Marine en Koloniën, NA 2.01.29.01, Inv 327, fol 193-194.