Johan August pakt na de aanmonstering zijn boeltje snel bij elkaar, want hij moet binnen enkele dagen aan boord zijn. Hij begeeft zich naar ’s Lands Dok op Kattenburg.
’s Lands Dok, Werf en Zeemagazijn op Kattenburg
Johann Wilhelm Winther 1730
Daar ligt de Erfprins van Brunswijk. Het fregat is twee jaar eerder gebouwd op het achterliggend ’s Lands Werf en te water gelaten. In het naastliggende ’s Lands Zeemagazijn liggen de kanonnen, zeilen, vlaggen, scheepsuitrusting en watervoorraden. Die zomer 1791 was het volledig uitgebrand, maar gelukkig zijn de zwart geblakerde buitenmuren net op tijd wit bepleisterd en de binnenkant hersteld en gevuld. Sinds 1973 is hier het Scheepvaartmuseum gevestigd. Eenmaal aan boord zoekt Johan August zijn slaapplaats in de achtersteven en laat daar zijn spullen achter. Zelf heeft hij zijn deken, kussen en bultzaken moeten meeslepen of ter plaatse kopen. Bij de schrijver kan hij eventueel wel een psalmboekje en een hangmat krijgen.
Op 13 juni 1793 gaat de Erfprins van Brunswijk voor het eerst varen, na twee weken laden en stouwen. Kapitein Hartsinck geeft opdracht het anker te lichten. Johan August heeft al het geschut aan boord en schipper Gerrit van der Riet alle tuigage. Vanwege de ondiepe Zuiderzee mag het schip maar half belast worden en is alleen de rompbemanning aan boord. Het schip vaart de haven uit, het IJ op en met behendigheid langs van Pampus. Na een week komt in de Bocht van Durgerdam een andere loods aan boord om veilig door de vaargeulen van de Zuiderzee te laveren. Al na een dag bestelt Hartsinck vanuit de Kuil van Marken extra balansmateriaal.
Op 16 juli wordt het Nieuwe Diep bereikt, de nieuwe ligplaats van de admiraliteit tegenover Texel. Timmerlieden komen aan boord om de dekken waterdicht te maken. Zij oordelen dat ‘breeuwen’ (naden opvullen met harpluis ofwel afgedankt geteerd touw) zeer noodzakelijk is. Het College in Amsterdam gaat na enig delibereren akkoord met financiering. Op 23 juli is de aankomst op de Rede van Texel. Een controleur komt de monsterrol van de schrijver goedkeuren.
Met het kaliber van de vier vierponds kanonnen is Johan August bij nader inzien niet tevreden. Hartsinck is het met hem eens en zendt een missive naar Amsterdam met het verzoek ze te mogen vervangen. De equipagemeester geeft mondeling positief advies en ook de advocaat-fiscaal is akkoord. Het College stemt in, zolang een eventuele uitvaart maar niet op de komst van de kanonnen wacht. (1)
Deze waarschuwing is goed te begrijpen in de militaire context. Nog maar vier maanden eerder was de Franse invasie in de Republiek vastgelopen bij de grote rivieren. Hartsinck had daaraan bijgedragen voor Hardinxveld, als commandant van een Scheveningse pink met 12 man en twee 12-ponders. Na de terugtrekking van de Fransen achter hun grenzen zijn zij op land en zee zeker nog niet verslagen. Daarom krijgt Hartsinck vrijwel parallel aan het besluit van het College opdracht van de luitenant-admiraal Van Kinsbergen om de Noordzee op te varen om binnenkomende handelsschepen te beschermen. De Erfprins van Brunswijk is met het fregat Eensgezindheid en de kotter Snelheid ingedeeld in het “Project Esquader om te kruissen op de O.I. retourschepen“. (2)
Bevoorraad met voedsel en water en aangevuld met bemanning vaart Hartsink op 31 juli de Noordzee op. Eerst moet hij tussen de Doggersbank en de Noorse havenstad Bergen jagen op Franse kapers, hetgeen hij zonder incidenten klaart. Na drie weken laat hij het anker zakken in de haven van Lerwick op Hitland (Shetland), 900 kilometer van noorden van Texel. Johan August lost saluutschoten voor de wal, ook voor de Eensgezindheid en Snelheid als die op 25 augustus binnenvaren. Samen gaan zij kruisen en elkaar seinen als zij vreemde schepen zien. Meestal zijn het geen vijandelijke maar Engelse of Amerikaanse. Begin september krijgt Hartsinck een aanschrijving van prins Willem V om medio oktober konvooi te gaan geven aan een uitvarende vloot naar West-Indië, dus de drie schepen moeten thuiskomen. Op 17 september verlaten zij het gebied en kunnen konvooi geven aan een groepje handelsschepen. Op 22 september ligt de Erfprins van Brunswijk weer op de Rede van Texel.
Johan August ontvangt op 1 oktober een tweede voorschot van 24,4 gulden, want hij moet aan wal om de vier kanonnen te wisselen. Intussen wisselt nog wat bemanning. De benoeming van konstabel-majoor Frederik Bon uit Keulen voor 32 gulden per maand zal Johan August minder enthousiast maken. Nu moet hij het achterdeel van het fregat ontruimen, waar hij met bediening goed te eten krijgt, in een eigen ruimte goed slaapt en dankzij hygiëne en een latrine gezond blijft. Gelukkig voor hem komt het zover niet, want Bon blijkt op het moment suprême niet scheep te gaan.
Timmerlieden breeuwen de Erfprins van Brunswijk opnieuw gedurende maar liefst twee weken. Zij ontdekken houtworm. Nadat de equipagemeester in Amsterdam wat van het hout gevuld met diertjes laat zien, besluit het College een grondige inspectie en reparatie uit te voeren. Proviand voor tien maanden gaat aan boord. Het College volgt Hartsincks voorstel een aanvulling jenever toe te voegen.
1. Resolutiën Admiraliteit van Amsterdam, Nationaal Archief 1.01.46, Inv 1506, 26 juli 1793 en 30 juli 1793.
2. J.D. Hoeufft, “Beschryvinge van het gebeurde ten tyde van den inval der Franschen in ons land, benevens de middelen van defensie, aangewend door den ridder J.H. van Kinsbergen, vice-admiraal van Holland en West-Friesland, commandeerende alle scheepen en gewapende vaartuigen op dien tyd”, Amsterdam 1794, deel 2, pag. 391.