2.3.4. Kindersterfte

De tweede generatie krijgt te maken met veel zuigelingen- en kindersterfte. Naast epidemieën zijn genoemde oorzaken in de westelijke steden van Nederland het vroegtijdig stoppen van borstvoeding, waardoor de ingewanden besmet raken door vervuild drinkwater.

Wilhelmina Augusta von Meijerfeldt verliest hierdoor één kind: Wilhelmina Augusta (1835-1837). Andere kinderen overlijden in hun twintiger jaren: Johannes Nicolaas (1828-1853), Johanna Susanna (1830-1857) en Willem Gerrit (1839-1860). Johanna Susanna wordt net oud genoeg om te trouwen en twee kinderen te krijgen. Zoon Arend Casper Franciscus van Paddenburg (1832-1890) leeft langer, maar blijft ongehuwd en kinderloos. Het gezin verhuist in 1850 naar de (Kleine) Nieuwe Nieuwstraat 38 in Amsterdam. Wilhelmina blijft Hersteld Luthers, terwijl haar man en kinderen Nederlands Hervormd zijn. Vader Arendt is winkelknecht. Het gezin verhuist in 1853 naar de Kleine Anjelierstraat 25, in 1854 naar de Pijlsteeg 117 en in 1858 nog een keer. (1)

Hendrik en Naatje verliezen hun twee zoons op vroege leeftijd: de tweede wordt maar een maand oud, de eerste drie jaar. Hendrik wordt in 1850 overgeplaatst naar Schiedam en slaagt voor zijn examen Commies Roeijen der Derde Klasse, in welke rang hij ook bevorderd wordt. Op 26 september 1851 wordt daar een dochter Anna Catharina Henriëtte geboren. Zij wordt een maand later door dominee Roldanus in Schiedam gedoopt. In 1854 wordt een zoon geboren die opnieuw de namen Hendrik Jacobus August krijgt. Omdat hij in Delft is gestationeerd, wordt het kind daar door dominee Broens gedoopt. Het jaar daarop verliest het gezin voor de derde keer een zoon. Alleen de dochter is nog in leven.

Carl en Nel krijgen twee dochters: Engelina Catharina Elisabeth in 1846 en Petronella Wilhelmina in 1847. In verband met ruimtegebrek bij de familie Diederich verhuizen zijn moeder, broer Jan en zus Nellie dat jaar naar de Goudsche Singel nr. 883. In de maand augustus 1848 slaat het onheil ook toe in het gezin van Carl. Beide dochters komen te overlijden.  In 1849 wordt een zoon  geboren en gedoopt door de Rotterdamse dominee Hollinghousen (1792-1855). De voor- en achternaam van zijn grootvader Evert Diederich worden zijn twee doopnamen.

Carl verhuist met zijn gezin naar Amsterdam. De reden is dat hij in 1850 wordt overgeplaatst naar ’s Rijks Werf in Amsterdam. Hij gaat daar als Scheepstimmerman der Eerste Klasse dienst doen. Het gezin begint op 5 juni 1850 in een kelderwoning aan de Kleine Kattenburgerstraat 695. In 1851 wordt een zoon Carl Frederik geboren. Een jaar later vindt een verhuizing plaats naar een verdieping op de Nieuwendammergrachtje 822 om het groeiend aantal kinderen te herbergen. Nog datzelfde jaar verhuist het gezin opnieuw, naar de Kattenburgerstraat 665 (nu 145). In 1853 volgt een zoon Frederik Hendrik. In 1854 wordt Carl benoemd tot schilder en schrijver bij de Tweede Meesterknecht A. van der Sluis. In 1856 wordt een dochter Catharina Margaretha (Cato) geboren en in 1857 een zoon Johan August. Carl wordt gepromoveerd tot Aannemer in de Houthaven.

Kattenburg te Amsterdam. Carl von Meijenfeldt (1815-1899) woont met gezin van links naar rechts:
– 1866-1888: Kattenburgergracht 530, nu 13;
– 1850-1852: (Kleine) Kattenburgerstraat 695 kelder;
– 1852-1866: (Kleine) Kattenburgerstraat 665, nu 145;
– 1852: Nieuwendammergracht(je) 822 verdieping, nu flatgebouw Marinierskade.

In 1858 overlijdt moeder Catharina Margaretha von Meijenfeldt-Pieploo te Rotterdam. Jan gaat met zijn zuster Nellie in de Hoogstraat wonen. Daar huurt hij een woning van de weduwe Canta voor 1,50 gulden per week. Hendrik wordt om niet te achterhalen redenen teruggeplaatst tot Commies der Vierde Klasse, hetgeen de nodige financiële consequenties heeft.

 

1. Stadsarchief Amsterdam, 5000. Bevolkingsregister, inventaris 839, pagina 669, inventaris 841, pagina 749 en inventaris 380, pagina 1338.
2.