De cholera epidemie van de jaren vijftig kost in Amsterdam 1100 levens. Nadat deze is uitgewoed bevalt Nel op 3 april 1856 van een dochter. Zij krijgt de namen van oma Catharina Margaretha, roepnaam Cato. Vroedvrouw Horskens helpt niet alleen bij de bevalling, maar verzorgt ook de aangifte op het stadhuis twee dagen later. Nels vader kon in Rotterdam nog gemakkelijk bij de doop getuigen toen de oudste zoon naar hem vernoemd werd. Carls moeder is 72 jaar, waardoor een treinreis van Rotterdam naar Amsterdam van haar te veel gevraagd is.
Op 1 september 1857 om 10 uur in de morgen krijgen Carl en Nel een vierde zoon. De volgende dag blijkt uit de aangifte op het stadhuis dat hij de namen van zijn grootvader Johan August krijgt. Na het overlijden van zijn Rotterdamse neefje acht jaar eerder krijgt de derde generatie alsnog een Johan August III. Zijn roepnaam is Jan. ter onderscheiding van zijn oom komt er junior bij. Bij Carl wordt als beroep commandeur genoteerd. Datis niet helemaal correct, want hij is op 24 augustus aangenomen als Aannemer in de Houthavens.
Terwijl de oudste zoons aan de lagere school beginnen, vindt de doop van de twee jongste kinderen steeds maar niet plaats. Carl staat bij de gemeente nog steeds ingeschreven als Evangelisch-Luthers. Die kerk schrijft net als de Katholieke kerk voor pasgeboren kinderen binnen een paar dagen te dopen, teneinde ze van hun erfzonde te bevrijden. Hoewel zijn broer Hendrik in Rotterdam ook als Evangelisch-Luthers staat ingeschreven, laat hij zijn kinderen Hervormd dopen, want dat is de kerk van hun moeder. Die kerk gaat uit van een ceremoniële doopdienst als middel om het kind in de geloofsgemeenschap op te nemen. Daarbij is de aanwezigheid van de moeder gewenst, dus vindt de doop na de kraamtijd plaats. Maar ook die periode passeert bij de twee kinderen van Carl.
Het is mogelijk dat het aan de Lutherse dominees Amsterdam ligt. Lagers is overleden. Domela Nieuwenhuis, hoogleraar aan het seminarie, vader van de later beroemde sociaal voorman en revolutionair, is een stuk vrijzinniger. Lentz is wel orthodox en heeft Frits thuis gedoopt, maar mogelijk Carl zal minder op hebben met zijn beweging naar de Augsburgse Confessie en een hereniging met de Hersteld Lutherse Gemeente. Vermoedelijk weet Carl niet dat zijn vader daarvan in 1801 lidmaat was, laat staan dat een halfzus nog steeds. Dat jaar verliest Wilhelmina Augusta haar 27-jarige dochter Johanna Susanna van Paddenburg op 11 november en haar twee kleinkinderen kort daarop ook, waarna zij in 1858 met haar man en twee zoons naar de Dirk van Hasseltsteeg 616 in Amsterdam verhuist.
Naar later blijkt voelt Carl zich meer met de leerstellingen van Calvijn dan met die van Luther verwant, vooral met de Dordtse leerregels en de zelfstandigheid van de lokale geloofsgemeente. De Hervormde kerk weekt zich juist los van die regels en de Koning meet zich een centralistische rol aan. Om die reden spreekt de Afscheiding van 1834 hem meer aan, maar hij schrikt terug van het verbod op de naamgeving ‘gereformeerd’ en het beboeten en detineren van halsstarrige dominees. Beweerd wordt dat de broers enige tijd Vrijmetselaar zijn geweest, maar loges worden door de elites bevolkt en religieuze disputen zijn uit den boze. Misschien is er verwarring met graaf Carl Friedrich von Meijerfeldt jr, die lid was van de loge van de Zweedse koning. (1)
In Rotterdam blaast moeder Catharina Margaretha Pieploo haar laatste adem uit. Zij overlijdt op 25 januari 1858 om 22:00 uur thuis op 74-jarige leeftijd. Gedurende 23 jaar is zij weduwe van de stamvader geweest en sterft als laatste van de oorspronkelijke generatie. Uit Amsterdam komen Carl en Nel met de stoomtrein, misschien één of meer van de jongens. Vanaf Delft reizen Hendrik en Naatje op hetzelfde spoor, samen met dochter Anna die haar eerste borduursteken van oma in Rotterdam leerde. Jan en Nellie ontvangen hen in de woning aan de Goudsche Singel 883. Op 30 januari is de begrafenis van moeder op Crooswijk. Voor een eigen familiegraf is geen geld, dus eindigt zij net als vader in een huurgraf, in haar geval vierde klasse, rij 30. (2)
Na de begrafenis wordt Hendrik op 1 april teruggeplaatst tot Commies der Vierde Klasse en op 15 januari 1859 overgeplaatst van Delft naar Rotterdam. Op 18 oktober verhuist hij met zijn gezin naar een huurhuis aan de Mannenlaan 373 (later Generaal van der Heijdenstraat), in een woonblok tussen het oude familiehuis en het noordelijk gelegen Crooswijk. Op 1 februari 1860 is hij wel weer Commies Roeijen Derde Klasse.
Het Amsterdamse gezin van Carl en Nel groeit op 31 juli 1859 verder. Voor de vierde keer wordt een dochter geboren. Zij krijgt de namen Petronella Wilhelmina van haar moeder, net als haar twaalf jaar eerder in Rotterdam overleden zus. De bevalling vindt zoals gewoonlijk thuis en niet in het ziekenhuis plaats. Daar is niet veel capaciteit en er heerst veel kraamvrouwenkoorts, doordat een goede afscheiding met zieke patiënten en hun artsen ontbreekt. Thuis is de kwaliteit van de zorg door vroedvrouwen verhoudingsgewijs hoog. Desondanks verliest Nel haar dochter al na zes weken op 10 september. Dat is te vroeg om te denken dat het aan het wisselen van de borstvoeding naar vervuilde melk en spenen ligt. Van die zomer is bekend dat het heet en droog is, zodat veel bacteriën het maag- en darmstelsel via ongewassen doeken kunnen bereiken. Zelfs bij artsen is de zuigelingensterfte in die tijd nog een raadsel en voor deze ouders is het een verdrietige goddelijke beschikking.
1. Brief van xxx.
2. Overlijdensakte 258, Stadsarchief Rotterdam 999-09, Inv 1858A, fol 67. Begrafenis 211, SR 676, Inv 19, fol 110.
