Carl von Meijenfeldt en zijn zonen in Amsterdam zijn mannenbroeders, zoals dat later is gaan heten. In navolging van de Statenvertaling van de bijbel spreken de mannen elkaar aan als broeder, met name als bestuurder in kerk, onderwijs, vakbond en zorg. Dominees en professoren zijn de aanvoerders en ondernemers spelen een vooraanstaande rol. De ochtend en avond zijn voor de kerkdienst en tussendoor voor het samenzijn in de voor- en achterkamer van de Amsterdamse familiehuizen.
In Amsterdam hadden twee leeftijdgenoten van Carl de toon gezet voor een brede maatschappelijke invulling van de geloofsovertuiging, hoewel niet dezelfde als de zijne: de sefarisch-joodse arts Samuel Sarphati en de doopsgezinde bankier Christiaan Pieter van Eeghen. In de tweede helft van de negentiende eeuw volgen de lutherse predikant Ferdinand Domela Nieuwenhuis en de orthodox-hervormde bierbrouwer Willem Hovij dezelfde weg. De eerste sticht de Sociaal-Democratische Bond en noemt zijn broeders kameraad. De tweede organiseert in zijn bedrijf wekelijks besprekingen over de bijbel, zending en algemene, vaderlandse en kerkgeschiedenis en geeft zijn arbeiders vrije zondagen en christelijke feestdagen met behoud van loon, plus extra loon voor degenen die op die dagen soms doorwerken. Hovij stelt fondsen in voor 65-jarigen, weduwen en wezen en arbeidsongeschikten door bij iedereen twee procent loon in te houden en dat zelf te verdubbelen. In de Czaar Peterstraat laat hij 62 arbeiderswoningen en een koffiehuis bouwen.
Carl en zijn zonen krijgen steun van de beweging van Hovij in de volgende fase van de schoolstrijd. Door ouders in het leven geroepen bijzondere Scholen met de Bijbel verheugen zich in een toestroom van protestantse leerlingen die voor het eerst naar school gaan of van openbare scholen overkomen, maar daar dreigt een einde aan te komen. In 1877 ligt een nieuwe Lager Onderwijswet gereed met extra zware en dure eisen aan gebouwen, materialen en leerkrachten voor alle scholen, maar alleen subsidie voor openbare. De wet behaalt in beide Kamers een meerderheid, omdat de liberalen onverwacht de meerderheid krijgen van de opgekomen 50% van de 100.000 stemgerechtigde Nederlanders via een districtenstelsel. Arme christelijke families zijn de dupe: zij hebben daardoor geen stemrecht, maar moeten het hoogste schoolgeld betalen, mede door hun grote gezinnen.
De hoop richt zich nu op koning Willem III. Zoon Evert neemt actie. Na zijn jongelingenwerk laat hij zich in januari 1878 in de kerk verkiezen tot diaken, net als zwager Jan drie jaar eerder. Bovendien neemt hij zitting in een comité voor een volkspetitionnement van alle gelovigen in Nederland om het bijzonder onderwijs te redden.

De Amsterdamse christelijke scholen formeren een stuiversvereniging. Deze groeit snel naar 2200 leden en verkrijgt rechtspersoonlijkheid dankzij koninklijke goedkeuring van de statuten. Evert neemt zitting in het bestuur en draagt bij aan de verspreiding van het periodiek ‘Neêrlands Hope’.
Medio 1878 zijn Hovij en zijn vrouw eerste ondertekenaar voor Amsterdam van een Smeekschrift aan de koning om de wet niet te tekenen. Op de tweede lijst staan de handtekeningen van Jan van der Tas en Carl Frederik von Meijenfeldt bovenaan. Onder Jan staat zijn vrouw Cato, onder Carl Frederik staat Margaretha de Haas, de vrouw met wie hij 3½ jaar later in het huwelijk treedt. Op de 161ste lijst staan de handtekeningen van Carl en Nel en hun zonen Evert, Frits en Jan. Onder het smeekschrift zetten uiteindelijk 470.000 protestanten en katholieken hun handtekening, bijna vijf keer zo veel als er in het hele land stemgerechtigden zijn. De koning ontvangt een delegatie, maar kan ondanks sympathie staatsrechtelijk zijn handtekening onder de wet niet weigeren.
Carl nadert de 65-jarige leeftijd. Dat is dan al de pensioengerechtigde leeftijd voor rijksambtenaren. Hem komt een bescheiden pensioen toe, zo bescheiden dat het minder is dan zijn wachtgeld. Aan zijn wachtgeld is geen leeftijdslimiet verbonden, zodat hij dat hogere bedrag behoudt. Vanaf 1880 beginnen na Cato sinds haar huwelijk met Jan van der Tas zes jaar eerder ook de zoons één voor één het ouderlijk huis op de Kattenburgergracht 13 te verlaten.
Zoon Jan zal altijd een uitzondering blijven. In 1880 wordt hij meerderjarig. Begin december stuurt hij een gedicht Aan mijn lieve vrouw Keetje Kreber!!!
Sinterklaasgedicht (eerste regels)
Het gedicht is een reactie op een schimpdicht van haar, dat een man van taal als hemzelf heeft geweld vanwege de vele spelfouten en bovenal zijn verkeerde naam Goehan. Op advies van St. Nicolaas krijgt zij van hem geen geschenk, maar met de roe op haar bil. Hij sluit de vijftig rijmregels af met Uw Liefhebbende Vent Johan August Von Meijenfeldt en met zijn afbeelding, die niet is bijgesloten. Deze Keetje is hoogstwaarschijnlijk Cornelia Henderica, dochter van oom Pieter Kreber en tante Keetje Diederich. Bij jongvolwassenen is het in zwang geraakt om elkaar op deze manier ironische en liefdevolle verklaringen te doen. Maar dit gedicht gooit blijkbaar roet in het eten, want een klein jaar later trouwt Keetje niet met Jan, maar met de Utrechtse pianostemmer Johan Antoon Wagenaar.
Zoon Hendrik is met zijn 15 jaar nog minderjarig. Hij heeft net een soort stage van zes maanden gedaan op kantoor bij Willem B. Posno in Amsterdam. Na afloop krijgt hij een getuigschrift mee, waarin staat dat “het slechts met leedwezen is, dat hij genoemden heer, op verzoek zijns vaders, uit zijnen dienst ontslaat”. (1)
1. Smeekschrift om een School met den Bijbel aan Zijne Majesteit den Koning, Nationaal Archief 2.02.04, Inv 4482, 4484 en 4494.
2. Sinterklaasgedicht, Familiearchief N.57, nr. 41.
3. Brief van Willem B. Posno, Amsterdam 8 november 1879.
