2.5. Mannenbroeders

In navolging van de Statenvertaling van de bijbel spreken Carl von Meijenfeldt, zijn zonen en andere mannen elkaar aan als broeder, met name in hun bestuursfuncties bij kerk, onderwijs, vakbond en zorg. Vandaar dat zij later mannenbroeders zijn gaan heten. Op de zondagen houden zij strenge rust met kerkgang in de ochtend en avond. Daartussen komen zij samen in de voor- en achterkamer van de Amsterdamse familiehuizen voor koffie en een drankje.

De voorzitters van de besturen zijn dominees, professoren en ondernemers. In Amsterdam geven de sefarisch-joodse arts Samuel Sarphati en de doopsgezinde bankier Christiaan Pieter van Eeghen een brede maatschappelijke invulling aan hun geloofsovertuiging. In de tweede helft van de negentiende eeuw sticht de lutherse predikant Ferdinand Domela Nieuwenhuis de Sociaal-Democratische Bond en noemt zijn broeders kameraad. Omdat de Christelijk-Gereformeerden geen leiders en hiërarchie kennen, sluiten Carl en zijn zonen zich aan bij de orthodox-hervormde bierbrouwer Willem Hovij, de grote financier van de beweging van Abraham Kuyper. Broodbakker Barend-Jan Lindeboom hoort wel tot hun kerk en is vaak voorzitter dankzij diens broer Lucas, die dominee en professor in Kampen is. 

De zonen van Carl behoren tot de groep van hardwerkende middenstanders en beambten, die meewerken aan de toegang van het brede publiek tot betere levensomstandigheden. Evert stapt over naar de bierbrouwerij van Hovij, Carl Frederik grossiert in Zwitserse horloges, Frits en Jan administreren schoon drinkwater, Cato’s man Jan van der Tas verkoopt betaalbare cacao, koffie en thee uit de koloniën en de jonge Hendrik wordt bankbeambte. In de Christelijk-Gereformeerde gemeenschap zijn ze collectant, ouderling en diaken. Ook zijn ze secretaris en penningmeester in de school-, arbeid- en zorgbesturen.

Bij dit alles dient zich ook nog een nieuwe ronde in de schoolstrijd aan. Op het moment dat de bijzondere Scholen met de Bijbel zich verheugen in een toestroom van protestantse leerlingen vanuit alle kanten, ligt in 1877 een nieuwe Lager Onderwijswet gereed. Het voorstel bevat goed te verdedigen zware eisen aan gebouwen, materialen en leerkrachten met een rijksbijdrage in de extra kosten. De eisen gelden voor alle scholen, maar alleen de openbare krijgen de bijdrage. In beide Kamers behaalt de wet een meerderheid, omdat bij de verkiezingen maar de helft van de 100.000 vermogende en daardoor stemgerechtigde mannen naar de stembus gaat en via het districtenstelsel de absolute meerderheid aan de liberalen schenkt.

Arme christelijke families hebben hun laatste centen al in hun scholen moeten steken, hebben geen stemrecht om de onderwijswet tegen te houden en moeten uitgerekend als enige het hogere schoolgeld opbrengen, wat in hun grote gezinnen extra zwaar weegt. Hun hoop richt zich nu op koning Willem III. Zoon Evert heeft geen kinderen, maar is een vooraanstaande actievoerder. Na zijn jongelingenwerk is hij in januari 1878 in de kerk verkozen tot diaken, net als zwager Jan van der Tas drie jaar eerder, en neemt zitting in een comité voor een volkspetitionnement van alle gelovigen in Nederland om het bijzonder onderwijs te redden.

De Amsterdamse christelijke scholen formeren een stuiversvereniging. Deze groeit snel naar 2200 leden en verkrijgt rechtspersoonlijkheid dankzij koninklijke goedkeuring van de statuten. Evert neemt zitting in het bestuur en draagt bij aan de verspreiding van het periodiek ‘Neêrlands Hope’.

Medio 1878 zijn Willem Hovij en zijn vrouw eerste ondertekenaar voor Amsterdam van een Smeekschrift aan de koning om de wet niet te tekenen. Op handtekeningenlijst 161 staan Carl en Nel en hun zonen Evert, Frits en Jan. Op lijst 2 staan Jan van der Tas en zijn vrouw Cato alsmede Carl Frederik von Meijenfeldt en Margaretha de Haas, de vrouw met wie hij huwelijksplannen heeft. Uiteindelijk zetten landsbreed 470.000 protestanten en katholieken hun handtekening, bijna vijf keer zo veel als er in het hele land stemgerechtigden zijn. De koning is onder de indruk, ontvangt een delegatie, maar kan ondanks sympathie staatsrechtelijk zijn handtekening onder de wet niet weigeren. (1)

Carl nadert de 65-jarige leeftijd, dan al de pensioengerechtigde leeftijd voor rijksambtenaren. Hem komt een bescheiden pensioen toe, zo bescheiden dat het minder is dan zijn wachtgeld. Aan zijn wachtgeld is geen leeftijdslimiet verbonden, zodat hij dat hogere bedrag behoudt.

In de jaren tachtig speelt Willem Hovij een nog grotere rol voor het gezin Von Meijenfeldt. Evert gaat in het magazijn van zijn brouwerij werken. Wekelijks neemt hij deel aan besprekingen over de bijbel, zending en algemene, vaderlandse en kerkgeschiedenis. De arbeiders hebben vrije zondagen en christelijke feestdagen met behoud van loon, plus extra loon voor degenen die op die dagen soms doorwerken. Hovij stelt fondsen in voor 65-jarigen, weduwen en wezen en arbeidsongeschikten door bij iedereen twee procent loon in te houden en dat zelf te verdubbelen. In de Czaar Peterstraat laat hij 62 arbeiderswoningen en een koffiehuis bouwen. Hovij is in zijn brouwerij grootverbruiker van het zuivere water van de Amsterdamsche Duinwater-Maatschappij, zodat Frits en Jan hem kunnen verwelkomen als commissaris.

Het ouderlijk huis op de Kattenburgergracht 13 wordt na het eerdere vertrek van Cato nog leger in de jaren tachtig door drie huwelijken. Alleen Jan en Hendrik blijven thuis. De laatste loopt als 15-jarige een soort stage van zes maanden op het kantoor bij Willem B. Posno in Amsterdam, van wie hij na afloop een getuigschrift meekrijgt, waarin staat dat “het slechts met leedwezen is, dat hij ge­noem­den heer, op ver­zoek zijns vaders, uit zijnen dienst ont­slaat”. (2)

Terug   ***   Verder

1. Smeekschrift om een School met den Bijbel aan Zijne Majesteit den Koning, Nationaal Archief 2.02.04, Inv 4482, 4484 en 4494.
2. Brief van Willem B. Posno, Amsterdam 8 november 1879.