2.1.3. Legaat

Eind 1793 verhuist Augusta Juliana met haar gezin van Wolfsdorf naar het landgoed Schabow. Dat ligt net over de grens in Mecklenburg aan de rivier de Recknitz. De familie von Bassewitz is eigenaar en trekt Theodosius Thilo  als pachter aan. Daar bevalt zij op 28 juli 1794 opnieuw van een tweeling: een zoon Albrecht Christian Helmuth en een dochter Ida Elisabeth Wilhelmina. De doop vindt op 1 augustus plaats in de evangelisch-lutherse kerk van Behren-Lübchin, acht kilometer zuidelijker en nog maar tien kilometer boven Nehringen. Voor het eerst verschijnt haar achternaam Meijerfeld hier op papier. (1)


Hr. Theod. Bernh. Thilow, Pächter zú Schabow. Augusta Juliane geb. Meijerfeld.

Op 10 juni 1795 ziet Augusta Juliana zichzelf opgenomen in het testament van de Zweedse graaf en gravin. Naast de adellijke familieleden en de executeur staat zij met haar echtgenoot als enige expliciet bij naam vermeld. Johan August staat er niet in, wat gezien zijn recente kruitdiefstal en vlucht naar het buitenland weinig verbazing wekt. Paragraaf 9b) luidt als volgt:

Testamentum des Grafen von Meijerfeldt und seiner Frau Gemahlinn, paragraaf 9b

Uit de nalatenschap zal zij een legaat krijgen ten bedrage van 1000 rijksdaalder. De toevoeging N 2/3 tel zu 32 s. betekent nieuwe rijksdaalders van twee-derde grootte in 32 shilling gerekend. Dat leidt tot een behoorlijke legaat ter waarde van bijvoorbeeld een flink vrijstaand familiehuis met grond. Aan de uitbetaling is een hele reeks voorwaarden verbonden. Zij moet op de dood van de graaf en van de 50-jarige gravin wachten. Kosten van uitbetaling worden niet afgetrokken, maar rente komt er evenmin bij. Het bedrag gaat niet naar haar zelf toe, maar naar haar echtgenoot. De uitkering is geen lump sum, maar een garantiefonds voor jaarlijkse betalingen, die bovendien uitsluitend de jaarlijkse pachtsom dekken. Mocht er nog een restbedrag zijn na haar eigen dood, dan gaat dat in gelijke delen naar de dan levende kinderen uit haar beide huwelijken.

Dat in het testament staat dat zij vooral in haar tweede huwelijk met veel kinderen gezegend is klopt goed: twee uit haar eerste en vijf uit haar tweede. Het is nog maar net verzegeld of de kindersterfte slaat toe in het gezin. Op 18 november 1795 overlijdt Ernst August Wilhelm van de vier jaar oude tweeling uit Wolfsdorf. Op 6 januari 1796 sterft dochter Ida Elisabeth Wilhelmina op 1½-jarige leeftijd op Schabow.

Linkerkolom de vader: der Pächter Hr. Theod. Bernh. Thilo aúf Schabow
Rechterkolom de moeder: fraú August. Juliane geh. Meijerfeldten

Twee jaar later is het gezin weer op sterkte. Op 16 oktober 1796 wordt zoon Jacob Peter Theodosius (roepnaam Theodor) geboren en op 10 mei 1798 komt zoon Carl Heinrich. De kerkdiensten in Behren-Lübchin vinden steeds enkele dagen nadien plaats. (2)

Augusta Juliana verliest op 21 april 1800 haar vader, de Zweedse veldmaarschalk. In Stockholm zal zij niet zijn, maar de bijzetting in de St. Andreaskerk zonder pracht en praal op 15 juli 1800 vermoedelijk wel. Zij staat immers in het testament en woont dichtbij. Executeur-testamentair Johann Arnold Joachim PommerEsche, de opvolger van diens kort daarvoor gestorven vader Johann Christian, die zoals eerder beschreven de opdracht heeft alle Pommerse bezittingen af te stoten, biedt haar aan het legaat voor een bedrag van 500 rijksdaalder af te kopen. Na een afweging van deze halvering tegen een ongewisse uitbetaling in de verre toekomst brengt haar er toe het aanbod te accepteren. Een andere reden is dat eigenaar von Bassewitz van het landgoed Schabow meer belangstelling heeft voor de opbrengsten van het kansspel dan van het landgoed, dat daarom in de verkoop gaat. Wolfsdorf heeft inmiddels een nieuwe pachter Von Beringe. (3)

Het gezin vertrekt van Schabow en vindt onderdak in het stadje Sülze (Bad Sülze) aan de Recknitz. Daar krijgt Augusta Juliana op 18 november 1801 haar laatste inmiddels tiende kind. Het is een zoon met de namen August Friedrich Daniël en de doop is vijf dagen later. In november 1802 komt de regeling met gravin von Meijerfeldt-Sparre rond. Met het bedrag  worden de opstallen en inventaris van een een Gehöft (hofstede) in Marlow gefinancierd, het nieuwe woonhuis van het gezin. (4)

Terug   ***   Verder

1. Evangelische Kirche Behren-Lübchin, Taufen, Heiraten u Tote 1766-1884, Taufen fol 117.
2. Noot 1, Tote
 fol 523/185 en Taufen fol 122 en fol 127.
3. Der Eigentümer Hagenow zu Langenfelde und Friedrich Steinmann zu Gnoien als Vormünder der Thilowschen Kinder contra das königliche Hofgericht in Greifswald, Wismarer Tribunal, Relationen, Urteilsbegründungen des Assessoren, Landesarchiv Greifswald, 010.01. Schwedische Regierung Stralsund. 1805 IV nr. 6 d.d. 22-04-1805, pag. 1-88.
3. Evangelische Kirche Sülze, Taufen, Heiraten, Kommunikanten u Tote 1791-1831, fol 112-113.