1.1.4. Johann, heer van Bubus, kastelein van Riga

De eerst bekende telg van het oeroude adellijke geslacht met oeroud wapenschild Meijer is Johann (Johan) Meijer (Mejer, Meyer). Over zijn (voor-)ouders en datum en plaats van geboorte en overlijden is niets bekend. Alleen de jaren 1480 en 1510 staan bij hem vermeld. Hij moet toen al redelijk op leeftijd zijn geweest, omdat zijn zoon Wolmar tien jaar later al stadhouder over het gebied Wenden is. (1)

Johann Meijer is getrouwd met Gertrud von Fahrensbach.  Het Duits-Baltische vazallengeslacht von Fahrensbach vestigt zich met de Kruistochten vanuit het Rijnland in Estland, in eerste instantie op het eiland Ösel, later in Marienland (Märjamaa) in het district Rappel (Rapla), dicht tegen de noordelijke grens van Lijfland (nu Estland).

Wapenschild von Fahrensbach

Het wapen van de familie is een rode muur die op zes plaatsen is uitgebouwd op een zilveren plaat en een krijger met Hongaarse muts. In het geslacht Von Fahrensbach is uit die tijd een Gertrud te vinden. Zij is in in 1445 in Weimar, Saksen geboren. Haar ouders Dietrich von Farensbach (* 1410, † na 1478) en Elisabeth/Aleit Schwartzhoff († na 1460) reizen met haar naar Reval, waar hij ridder is. Gertrud huwt eerst met Wolmar von Üxküll (* 1444, † na 1493) en daarna met Kersten von Rosen (* 1458, † 1535). Uit het tweede huwelijk zijn twee dochters bekend. Zij overlijdt in 1489. Van een derde huwelijk met Johann Meijer en een zoon Wolmar is niets bekend. (2)

Johann Meijer is Heer van Bubus (eerst staat er Babbus). Na enig zoeken blijkt 50 km ten noorden van Rīga en 12 km van de Oostzeekust in het kirchspiel Kremon het hof Bubbusch, Babsel, Pabbasch (Pabasile, Pabazi) of Pobaβ te liggen. De Lijven gaven deze plaats in 1231 de naam Visikendorp. De Duitse benaming is etymologisch terug te voeren op het Lijfs voor ‘eiland/hoogte in het moeras’. De geaccidenteerde omgeving draagt de bijnaam La Livlande Suisse en is bekend om zijn houtproductie. Aanvankelijk is de Duitse Orde heer en meester, sinds 1562 ligt het in Pools-Lijfland en vanaf 1620 in Zweeds-Lijfland. Het gebied van het kasteel Krimulda wisselt vaak tussen de Lijflandse Orde en het Aartsbisdom Riga, tussen Russen, Polen en Zweden en wordt meermaals verwoest. (3)

Over de vraag of Bubus een allodiaal of erfelijk leengoed is bestaat onzekerheid. Bij de nakomelingen van Johann Meijer wordt het niet expliciet genoemd. Wellicht hebben zijn voorouders het dan evenmin gehad. Verwarrend is dat Johannes (Hans) Meijer Babbusch in 1598 koopt van Stanislaus Kotz, die het van de Pools-Litouwse tevens Zweedse koning Sigismund III had verkregen. Deze Meijer en zijn erfgenamen wonen er ook. (4) In 1625 verkrijgt Andreas Winne het landgoed van koning Gustaaf Adolf en verkoopt het in 1644 aan de Zweedse gouverneur-generaal, die het cedeert aan Peter Heltscher Rosenbohm, echtgenoot van Anna von Wulffenschildt, waardoor het in 1661 in handen komt van nog een verwarring veroorzakende figuur: Valentin von Meijer. Na de reductie onder koning Karel XI is het een publiek of kroondomein.

Pabbasch in het kierchspiel Kremon

Johann Meijer is in 1510 kastelein (kastellan) van het slot in Riga. Hij is de plaatsvervanger van of de feitelijk beheerder voor de kasteelheer, niet het equivalent van een herbergier. Eerder wordt gezegd dat hij in 1480 Rittmeister van de Lijflandse adelscompagnie cavalerie is, maar al snel volgt de correctie dat dit zijn kleinzoon Henric in 1560 betreft. 

1.1.4. Kasteel RigaHet kasteel van Riga in 1515 (8) 

Het kasteel van Riga meet 63 bij 56 meter. Het is een van de Duitse Orde bekende combinatie van vesting en klooster. Twee ronde torens staan op de hoeken in het noordoosten en zuidoosten en in de andere twee hoeken lopen vierkante trappen omhoog. Kelders, souterrain en begane grond zijn er voor munitie, voedsel, paarden en werkkamers. Op de eerste verdieping bevinden zich de meer luxueuze vertrekken met plafonds op 7 meter hoogte met prachtig boogwerk. Hier bevinden zich de kapel, de eetkamer, de oostelijke vertrekken voor de priesters, de westelijke vertrekken voor de Komtur en Meester (als hij op bezoek is) alsook de keuken en de noordelijke vertrekken voor de ridders. De tweede verdieping is ontworpen voor de kruisboogschutters om het kasteel te verdedigen. Dwars op de buitenmuur aan de rivierzijde loopt een op vijf pijlers rustende overdekte balustrade, ook wel de Dansker genoemd. De toren aan het einde hangt boven de rivier voor de afvoer van de latrine. Ook kan het dienen voor de verdediging en bevoorrading.

Riga in 1581

Als kastelein bekleedt Johann Meijer een hoge functie. Hij heeft het commando over het garnizoen, de verdediging van het kasteel en patrouilles in de omgeving. Bovendien is hij verantwoordelijk voor het dagelijkse garnizoensleven, zoals de voedselvoorziening (inclusief het aanhouden van voorraden voor twee jaar om een belegering te doorstaan), munitie en bewapening en onderhoud van het kasteel.

Wolter von Plettenberg (1494-1535)

De Landmeester had Wolter von Plettenberg in 1491 tot Landmaarschalk benoemd. Deze wist Riga al in hetzelfde jaar op de burgers terug te veroveren en hen de verplichting op te leggen kasteel Wittensteen binnen zes jaar te herbouwen, op de manier zoals deze tussen 1330 en 1343 was herbouwd na de eerdere plundering van het slot door de stad. De niet al te ijverige stad wordt niet al te sterk achter de broek gezeten door de op rust en welvaart uit zijnde Von Plettenberg (die in 1494 tot Landmeester wordt gekozen) en de nieuwe Aartsbisschop Kaspar Linde. Daardoor is het werk pas in 1515 klaar. (7)

Dat Wolter von Plettenberg uit is op binnenlandse vrede ligt aan vijandelijke acties uit het oosten. De vorst van Moskou heeft de Lijflandse hanzevestiging in Novgorod gesloten en de handelaren gevangen gezet en weigert vrede te sluiten. In 1498 ziet Von Plettenberg zich daarom gedwongen net als zijn voorganger naar Pleskau op te trekken. Met steunzegging van de vorst van Litouwen woedt tussen 1501 en 1503 een oorlog, waarbij zijn cavalerie en artillerie in verschillende slagen de doorslag geeft.

Om de bisschop van Riga niet te veel in macht te laten groeien geeft Von Plettenberg ruimte aan de reformatie, zonder zelf Luthers te worden. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de Meijers wel Luthers worden.

Terug   ***   Verder

1. G. Anrep, “Svenska Adels Ätters-taflor”, Stockholm 1861, pag. 888-889.
2. Anrep, pag. 888-889maakt de schrijffout Farsenbach. O.M. von Stackelberg, “Genealogisches Handbuch der esthländischen Ritterschaft”, Görlitz 1931, pag. 489, baserert zich op en landakten en rechterlijke uitspraken. Verder A.A. von Stiernman, Uppsala Universitetsbibliotek, Handskrifter, X. Svensk genealogi och biografi, “Svecia Illustris. Slägttaflor öfver de på Svenska Riddarhuset until år …. introducerade ätter i alfabetisk ordning”, del 18 (M-O), Mejerfelt.
3. H. von Bruiningk en N. Busch, “Livländische Güterurkunden: aus den Jahren 1207 bis 1500“, Riga 1908, pag. 23, noot 9.
4. A.A. von Stiernman,  “Svecia Illustris versus H. von Hagemeister, “Materialien zu einer Geschichte der Landgüter Livlands”, Riga 1836, deel 1, pag. 109 en Latvijas Vēstures Institūta(Instituut voor Letse Historie, Universiteit van Letland), “Fontes historiae Latviae“, Riga 1938, pag. 226.
5. A.A. von Stiernman, X 18, M. G. Anrep, “Svenska Adels Ätters-taflor”, Stockholm 1861, pag. 888-889.
6. Der Liefländischen Ritterschafft, Wie auch, Des Magistrats, und der Bürgerschafft, zu Riga, über des Infamen und Verrähterischen Johan Reinhold Patkuls Auffrührisches Verfahren und Calumnieuse Beschuldigungen; Bey dem in Riga Anno 1700. gehaltenen Landt-Tage, Auffgesetzte, und an Ihro K. Majest. von Schweden Raht, Feld Marschal und General-Gouverneur in Liefland, Den Hochwohlgebohrnen Herrn, Grafen Erich Dahlberg überreichte Declarationes Und Erklärunge: [Prod. in Arce Reg. Rig. d. 24. Aug. An. 1700.].
7. O. von Rutenberg, “Geschichte der Ostseeprovinzen Liv-, Est- und Kurland von der ältesten Zeit bis zum Untergange ihrer Sebständigkeit”, Leipzig 1860.
8. Getekend door Peter Dennis, in S. Turnbull en P. Dennis, “Crusader Castles of the Teutonic Knights,  The stone castles of Latvia and Estonia 1185-1560”, Oxford 2004, pag. 46.