Oudste zoon Carl van de tak De Koe en zijn vrouw Maria van Apeldoorn zijn terug van hun lange tijd in Nederlands-Indië en wonen in Heemstede. Carl is lid van de Gemeenteraad voor de ARP. Tijdens de bezetting wordt hij ziek en overlijdt in 1944.
Zijn oudste zoon Gerard gaat op zijn 19de bij de gemeentepolitie werken en neemt op 15 juli 1941 twee diensten over. Aanvankelijk geeft hij gehoor aan de oproep van de Nederlandse regering in ballingschap tot heimelijke tegenwerking. Op 30 december 1942 wordt hij door twee collega’s gearresteerd. Hij is bij zijn oom in het keldercomplex van het Bachplein bij nr. 7 in het onbewoonde voormalig Joodse huis door een raam naar beneden geklommen. Daar wordt hij aangetroffen met vet, schrijfpapier en twee nijptangen in zijn bezit. Zijn ouders worden gewaarschuwd en hij wordt afgevoerd naar bureau Leidseplein. De jaarwisseling moet hij daar doorbrengen en op 2 januari 1943 wordt hij overgedragen aan de Sicherheitsdienst van de bezetter aan de Euterpestraat. De Duitsers hebben niet door dat hij met zijn oom Joden helpt onderduiken .
Zekerheidshalve besluit Gerard zelf onder te duiken. Met behulp van de groep van prof. dr. Jan Coops gaat hij aan het illegale werk meedoen. Januari 1944 brengt hij heimelijk thuis door om zijn vader te verzorgen, die door blaaskanker maagbloedingen en hikaanvallen heeft (zelfs bij de buren Boelhouwer te horen) en tenslotte overlijdt. Gerard heeft zich onder de naam Wim de Ridder vermomd met bril; als hij die bril breekt en zijn vaders bril gebruikt, moet hij deze wegens de sterkte op het puntje van zijn neus zetten. (1)
Gerard voegt zich september 1944 bij de K.P. met schuilnaam Henk van Overvest. Op 15 maart 1945 als Chef-Staf Gemotoriseerde reserve K.P. Amsterdam de leiding over een transport per bakfiets van 103 overalls en 85 helmen, waarbij hij door toeval gewapend is. Doordat het afleveradres achter de Marnixstraat 202 draalt met het in ontvangst nemen van de goederen ontstaat fatale vertraging. De onderscharleider der Landwacht Berend IJpelaar komt aanlopen, trekt zijn wapen en gelast de vier mannen op een rij te gaan staan. Van een moment van onoplettendheid maakt Gerard gebruik om zijn wapen te trekken. Zij schieten gelijk op elkaar; ook twee van de anderen vuren schoten af. Gerard vlucht met de bakfietsrijder weg en wordt achternagezeten en beschoten, waardoor de andere twee kunnen wegkomen. Uiteindelijk blijkt IJpelaar met vier kogels te zijn neergeschoten; de Sicherheitsdienst weet de zaak niet op te lossen.
Carls broer Frits wordt als oud-KNIL-kapitein door de Wehrmacht niet geïnterneerd. Wel moet hij moet in 1942 vanwege de Atlantikwall zijn huis in de Klimophof in Den Haag ontruimen. Het lukt hem bij zijn neven onderdak te vinden in de Mgr. Van Steelaan in Voorburg.
Frits’ dochter Enny had op de bootreis uit Nederlands-Indië verlovingsplannen gemaakt met Con, zoon van dominee Broers en een vrouw uit de familie Van der Bend. Tijdens zijn studie biologie zet hij een Utrechtse studentenverzetsgroep op, die zich bij de Ordedienst aansluit. Hij verzamelt inlichting over het vliegkamp Soesterberg, het concentratiekamp Amersfoort, versterkingen die werden aangelegd in de omgeving van Utrecht, troepenverplaatsingen, etc. Hij rapporteert aan Van Hattum, die hem verraad. Op 21 juli 1942 wordt Broers gearresteerd en volgt – dankzij een herroeping van het verraad – een milde veroordeling uitgesproken in het Tweede OD-proces. Broers wordt afgevoerd naar Natzweiler en Dachau.
Frits’ dochter Tilly reist na haar huwelijk met Herman Buys in 1939 naar Nederlands-Indië. Hij doet daar dienst als Eerste Luitenant van de landmacht en wordt door de Japanners als krijgsgevangene in Bandung geïnterneerd. Tilly komt in 1943 met hun kinderen van drie en één jaar oud in het kamp Tjideng op Java bij terecht. (2)
Frits’ zoon Frits is reserve tweede luitenant van de bereden artillerie tijdens de capitulatie en demobilisatie. Net als zijn neef Carl tekent hij de erewoordverklaring. Hoewel het verrassingseffect voor hem dus weg is, meldt hij zich op 9 december 1943 bij de kazerne in Den Haag, wordt gevangen genomen en direct afgevoerd naar Stanislau, Offlag XXI-c/z Grüne bei Lissa. Na enige interne overplaatsingen wordt Frits pas op 28 april 1945 door de Russen bevrijd. (3)
Na de oorlog vertrekt Frits naar Nederlands-Indië. Hij is substituut auditeur-militair van de Temporaire Krijgsraad te Makassar voor oorlogsmisdaden. Hij doet in september 1946 getuigenverhoren van romusha’s, Javanen die hun dwangarbeid voor de Japanse bezetter in de kolenmijnen en spoorlijnen hadden overleefd. (4)
1. Stadsarchief Amsterdam, 5225 Politierapporten ’40-’45, inventaris 6731, pag. 53, inventaris 6179, rapport 364 en inventaris 6180, rapport 1-2.
2. Nationaal Archief, 2.10.14 Algemene Secretarie van de Nederlands-Indische Regeering, Inv 5254.
3. Nationaal Archief, Ministerie van Defensie: Collectie Krijgsgevangenen, nummer toegang 2.13.98, inventarisnummer 11, “Meyenfeldt von F.H. 7722 2e luitenant Artillerie zugang Oflag 67 am 6-3-1945 von Offlag XXI C/Z Grune bei Lissa“.
4. NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, Toegang 400 Indische Collectie, Inv 570. Processen-verbaal van getuigenverhoren van “romusha’s” door mr. F.H. von Meijenfeldt, substituut auditeur-militair van de Temporaire Krijgsraad te Makassar, 20-07-1946.
