1.2.3. Hoofdinspecteur Oberpahlen

Andreas Meijer en Catharina Wulff krijgen een reeks zonen. Hun geboortedata zijn via de doop of bevestiging niet in de Kerkboeken aangetroffen, maar indirect zijn ze wel te reconstrueren. Van dochters is niets bekend.

De eerste zoon is Hendrich of Hendrik. Hij wordt nog in 1660 in Riga geboren. Omdat hij verder niet meer terugkomt moet hij jong gestorven zijn.  (1)

Andreas Meijer start in 1661 als hoofdinspecteur over Oberpahlen (Põltsamaa). Midden in Lijfland liggen negen hiertoe behorende landgoederen van totaal 25 bij 30 km. Daarmee zou het in Nederland – dat door fusies toch geen kleine gemeenten heeft – qua oppervlakte de grootste gemeente zijn. Tot de werkzaamheden van hoofdinspecteur behoort de juiste afgrenzing van de gebieden. Op het grootste van de landgoederen staat de gelijknamige burcht van de voormalige Lijflandse Orde. De Zweedse koning Gustaaf II Adolf had het in 1623 geschonken aan zijn opperbevelhebber Wrangel, die de burcht tot een representatief slot had laten ombouwen, waarbij de derde verdieping werd afgebouwd en een vierde toegevoegd. Zijn vroegere pupil Wolmar Wrangel was inmiddels eigenaar geworden. Graaf Bengt Gabrielsson Oxenstierna is de Zweedse gouverneur-generaal aan wie hij ook verantwoording aflegt. (2)

Andreas schrijft nog steeds brieven aan Carl Gustaf Wrangel en daaruit blijkt dat hij tussen april en juli 1662 in  Stockholm verblijft. Daarna schrijft hij brieven uit Reval, Riga en Oberpahlen. (3)

1.1.6. OberpalenDe huidige burcht Oberpalen

Op Oberpahlen worden drie zoons geboren: Carl Friedrich in 1662, Johan August in 1664-1665-1666 en Wolmar Johan in 1667. (4)

In 1667 spant Erik Johan Twilling een procedure tegen Andreas Meijer aan over de grens met diens landgoed Kardis, beroemd omdat Rusland daar in 1661 een eeuwige vrede sluit en het oosten van Lijfland en Ingermanland (Leningrad Oblast) teruggeeft. Tussen 1668 en 1671 spant Catharina Wolffeldt, weduwe van Engelbrecht Kawer, een proces aan over de precieze grens van het afgesplitste landgoed Loper. (5)

De drie zonen van Andreas en Catharina volgen tussen hun 6de en 17de levensjaar opleidingen. In de Zweedse tijd was voor de Lijflandse boeren een schoolsysteem opgezet, maar voor de lokale adel op afstand van de domscholen en gymnasia van Riga, Dorpat en Reval ligt een huisleraar meer voor de hand. De eerste prioriteit was godsdienst volgens de Augsburgse confessie, de tweede schriftelijke en mondelinge stijloefening in Latijn, moedertaal Duits en Zweeds in latere jaren. Uit zijn latere correspondentie blijkt dat Duits hun hoofdtaal is en Zweeds hun tweede taal. Johan August schrijft ook Franse en Latijnse brieven (tenzij zijn secretaris zijn concepten vertaalt). (6)

Hoewel vader Andreas dankzij begeleiding van de gebroeders Wrangel naar Tübingen het belang van een universitair vervolg had kunnen inzien, zal geen van zijn zoons die weg inslaan. (7)

Terug   ***   Verder

1. J.D.G. Schweder volgens K. Kulbach-Fricke, “Familienbuch Riga“, pag. 2943.
2. H. Gillingstam, lemma in “Svenskt Biografiskt Lexikon”, Stockholm 1986, pag. 470. L.W. Munthe, deel 6:1, pag. 447-448, schrijft afwijkend dat Anders daar pas eind 1665 start in opdracht van gravin Maria Sofia de la Gardie, weduwe van Gustaf Gabrielsson Oxenstierna.
3. Riksarkivet Stockholm, 720.795/III/02 Vol E 8200 en E 8420 meier 012.
4. De geboortejaren zijn niet te vinden in het Rahvusarhiiv, 1168.2.1, folio 1 e.v., maar wel te herleiden uit andere oorspronkelijke bronnen. Carl Friedrich’s geboortejaar 1662 volgt uit de militaire rollen (Krigsarkivet Stockholm, 1696/10, folio 78). Johan August’s geboortejaar 1664 volgt uit het door hem zelf geschreven Memorial (Sveriges Ridderskaps och Adels Riksdags-Protokoll, deel 12, pag. 404) voorgelezen in de Riksdag van 17 juni 1741, waarin hij zegt op dat moment 77 jaar oud te zijn. Het jaar 1665 wordt door zijn weduwe op dwijnkan van de kerk van Täby gegraveerd. Het jaar 1666 volgt uit zijn baronnenbrief, waarin staat dat hij in 1684 op 17-jarige leeftijd als vrijwilliger in militaire dienst ging. Auteurs van biografieën noemen vooral 1664 en 1666, zonder bronvermelding. M. Ranft, “Leben und Thaten des Feld-Marschalls Graf Meyerfeld”, in “Die Merkwürdige Lebengeschich derer vier berümten Schwedischen Feldmarschalle, Grafen Rehnschild, Steenbock, Meyerfeld und Dücker”, deel 3, Leipzig 1753, pag. 340, schrijft dat hij bijna 80 jaar oud werd, waardoor hij zelfs pas in 1668 of 1669 geboren zou moeten zijn. Het door hemzelf en door de meeste bronnen genoemde jaar 1664 wordt hier verder gevolgd. Het geboortejaar 1667 van Wolmar Johan is af te leiden uit zijn leeftijd in de militaire rollen (Krigsarkivet Stockholm, 0022 Rullor, 1699/4, folio 208).
5. H. Bruiningk, N. Busch, “Livländische Güterurkunden”, Jonck & Poliewsky 1908, deel 2, pag. 329 resp. deel 1, pag. 328.
6. A. Buchholtz, “Beiträge zur Lebensgeschichte Johann Reinhold Patkuls”, Riga, 1893, pag. 30-31.
7. M. Ranft, pag. 279-280.