1.7.2. Oorlog in Pommeren

Op het moment dat de Zweedse troepen Pruisisch Pommeren invallen bevindt Johann August von Meijerfeldt jr zich midden in Europa. In dergelijke omstandigheden is het normaal dat Zweedse officieren uit buitenlandse dienst terugkeren. De koning heeft op instigatie van de Hoeden zelfs een verbod aan onderdanen uitgevaardigd, om wapenen ten gunste van Pruisen en zijn bondgenoten te dragen. Tot de laatsten behoort de Hertog van Brunswijk, omdat hij tegen de Franse en Keizerlijke troepen strijdt. Johann August aarzelt aan het bevel gehoor te geven. Hij herinnert zich hoe hij aan vervolging door de Hoeden ontsnapt is en hij prefereert het heroveren van Hannover onder de bekwame hertog boven een garnizoensbaan in Stralsund.

Regeringsleider Von Höpken stoort zich in hoge mate aan deze houding. Aan Johann August’s zwager Adam Horn, die weliswaar trouw is aan de Mutsen maar wel als generaal-majoor deelneemt aan het Zweedse invasieleger, schrijft hij op 8 november 1757 een brief: (1) 

U zult gemerkt hebben dat ik tot nu toe niets heb opgemerkt over het gedrag van graaf Meyerfelt, uw zwager. Hij weet dat we in oorlog zijn en hij zit in een leger dat tegen de belangen van Zweden is; hij weet ook dat we in de koningsstaten van Duitsland de pleitbezorgers van de keizer hebben gepubliceerd die het dragen van wapens verbieden ten gunste van de koning van Pruisen en zijn bondgenoten, en ondanks al deze overwegingen en al deze informatie keert hij niet terug naar zijn plicht en het bevel van de koning. Ik ben te gehecht aan u om niet te bekennen dat ik mijn ogen voor dit alles heb gesloten, omdat graaf Meyerfelt u door bloedbanden toebehoort; maar door een effect van dezelfde gehechtheid zou ik u willen vragen hem in dit opzicht wakker te schudden, zodat hem niets overkomt dat onaangenaam zou kunnen zijn. Er zijn andere Zweden in de troepen van Brunswijk, maar ik geef niet om hen, omdat het ballingen en expats zijn. Ik ben alleen geïnteresseerd in de Heer Graaf Meyerfelt door de interesse die u toont in wat hem aangaat.

Deze nog welwillende houding moet worden toegeschreven aan de hoge komaf van de zwagers en aan het feit dat Zweden weinig officieren telt, die zo met de oorlog vertrouwd zijn.

De wakker geworden Pruisen dringen de Zweden intussen snel terug over de grens van 1721. Op 27 december passeren zij de Trebelovergang bij  Nehringen en op 30-31 december Demmin, waar het Zweedse garnizoen na de overgave vrije aftocht krijgt. De Pruisen rukken verder op en komen tot een blokkade van Stralsund, dat stand houdt dankzij de aandrang van Russische troepen op Brandenburg en de weigering van Engeland om vanuit de zee mee te doen. Door het verlies van de familielandgoederen of door de insluiting van zijn geboortestad besluit Johann August terug te keren. In Stralsund neemt hij de hem toegekende rang van eerste majoor in het garnizoensregiment Löwenfels in. (2)

Ook gravin Brita von Meijerfeldt-Barnekow komt de eerste maand van 1758 naar Stralsund om gehoor te geven aan de oproep van de Zweedse regering om niet te vluchten voor de Pommerse Oorlog en landgoederen onbeheerd achter te laten. Desalniettemin weigert het stadsbestuur haar in deze situatie een pas te geven voor een beschermde tocht van Stralsund naar Nehringen. (3)

De blokkade van Stralsund komt in juni 1758 tot een einde, doordat de Pruisische troepen wegtrekken vanwege Russische veroveringen in Brandenburg. De Zweedse legerleiding treft voorbereidingen om de grens van 1721 nogmaals te overschrijden. Daartoe worden de regimenten gestructureerd naar Pruisisch model. Eén maatregel betreft de grenadiers, die vanuit compagnieën verspreid over acht regimenten worden bijeengebracht in twee bataljons van elk 400 soldaten, één Zweeds en één Duits. Johann August wordt op 18 juli 1758 benoemd tot commandant van het Duitse (later Eerste Duitse) bataljon, beter bekend als het Meijerfeldtse grenadiersbataljon. Grenadiers zijn lange sterke infanteristen die granaten gooien. Zij dragen hoge berenmutsen, zodat ze bij de worp niet door een rand of punt van hun hoofddeksel worden gehinderd. Om verwarring met de Pruisen te voorkomen laat Johann August zwart leer over de koperen voorplaat aanbrengen. Omdat de helft van zijn grenadiers getrouwd is vraagt Johann August het stadbestuur van Stralsund voor de leefomstandigheden van de vrouwen zorg te dragen en de helft van het soldij direct aan hen uit te betalen. Hij moet nog vaak brieven sturen, omdat de autoriteiten bij de uitbetaling van zowel de ene helft als de andere helft regelmatig in gebreke blijven. (4)

Op de dag van zijn benoeming roept Johann August zijn bataljon op appèl in Garpenhagen net buiten Stralsund. Zij breken meteen zuidwaarts op langs de kust en houden op 23 juli halt in Stahlbrode, een dag later Greifswald en daarna Wolgast. Op 26 juli volgt de oversteek naar het door de Pruisen bezette fort van Peenemünde. Zij nemen deel aan het beleg, de verovering en de bezetting op 28 juli.

Op 31 juli zet Johann August de tweede tocht in. Via het eiland Usedom steekt bij de stad Anklam de rivier de Peene en daarmee de grens met Pruisen over. Hij neemt deel aan de veldtocht van bevelvoerder Hamilton op weg naar Saksen om de Oostenrijkers bij te staan. Op de linkerflank neemt hij in de tweede linie deel onder Fersen. De hoofdmacht komt tot staan bij Neubrandenburg. Johann August weet de veldtocht nog enige glans te geven door op 28 september de strategisch waardevolle pas bij Fehrbellin in de buurt van Berlijn te veroveren.

De volgende dag begint de derde veldtocht terug naar de grens bij Anklam, mede omdat een Pruisisch leger dwars door Mecklenburg-Strelitz de grens is overgestoken. Bij Güstrow aan de Peene probeert Johann August op 18 en 19 november vergeefs een doorbraak te verhinderen. De vijand rukt noordwaarts op en verovert Damgarten. Om een verdere doorbraak naar Stralsund te verhinderen wordt hij op zijn vierde veldtocht gezonden. Naast zijn bataljon grenadiers krijgt hij het regiment cavalerie van Småland mee. Hij rukt haastig op naar de pas bij Richtenberg, maar die is de Pruisische voorhoede onder Von Diericke al voorbij. In Steinhagen lukt het Johann August stelling te nemen. Op 2 januari 1759 valt een Zweedse patrouille in handen van Pruisische huzaren, die door dit toeval en de zware sneeuwval ongezien het Zweedse kamp kunnen naderen. De naar het schijnt niet erg waakzame Zweden worden in hun kwartier overvallen. Met het bieden van dappere weerstand maken zij hun fout ongedaan. De terugtocht verloopt gedisciplineerd en daardoor kan Johann August op 6 januari weer front maken bij het Defilée van Seemuhl, de toegangspoort tot de weg naar Stralsund. Op 21 januari gaat het bataljon in kwartier in Stralsund. Opnieuw is Zweeds-Pommeren op een paar vestingen na in Pruisische handen. Twee officieren uit zijn bataljon komen terug uit gevangenschap en Johann August gelast dat zij hun soldij gedurende die periode gewoon krijgen doorbetaald. Op Lantinghausen’s vraag welke officieren zich in het bijzonder onderscheiden hebben geeft hij in zijn brief van 24 april hoog op over hun inzet en schrijft dat zij “im Allgemeinen viel Eifer und Umsicht an der Tag gelegt haben“.

Op 29 juli 1759 leidt Johann August de troepen in Wolgast, de toegangspoort tot de eilanden in de Oderbaai. Onder zijn toeziend oog worden zes van zijn soldaten verhoord, die ingekwartierd zijn bij enkele woningen die plotseling uitbranden. Er kan geen verklaring worden gevonden en de arme bewoners blijven zonder huizen en bezittingen achter. (5)

Hij neemt met zijn bataljon aan de expeditie onder Fersen op het eiland Usedom. Langs de kust trekt hij naar Swinemünde (Swinoujscie). Hij krijgt bekendheid bij de bestorming op 27 augustus 1759 met een aanval om 4.00 uur in de nacht vanuit het zuidwesten. Onder dekking van de vloot inde baai en enkele andere regimenten weet hij de stad met een Pruisisch garnizoen van 80 man onder Prenz en enkele kanonnen in te nemen.

Hij trekt over het volgende schiereiland naar Wollin, de grensplaats met Polen. Op 15 september 1759 leidt hij zijn grenadiers eerst succesvol op een buitenpost van de stad Wollin. De volgende dag opent hij de aanval op de Swinepoort in de oude stadsmuur van Wollin. Daar komen zijn manschappen onder hevig vuur vanaf de bastions te liggen, moeten met veel verliezen terugtrekken en hebben ook geen succes met een versterkte aanval met twee kanonnen. Omdat de andere poorten wel worden ingenomen geeft het Pruisische garnizoen van Wollin zich uiteindelijk over.

Zweden heeft nu de hele archipel in de monding van de Oder in bezit. In de hele oorlog zal dit het beste resultaat blijken. In plaats van een blokkade van Stettin wordt besloten af te marcheren naar Swinemünde en Wolgast. Vandaar gaat het zuidwaarts bij Anklam over de Peene naar Ferdinandshof en de hoofdmacht in Pasewalk op 1 oktober. Op 12 oktober heeft Johann August de feitelijke leiding in het dorp Bröllin. De hoofdmacht trekt op 30 oktober dezelfde weg terug. Op 6 november wordt wordt Johann August nog een keer expliciet bij zijn bataljon  genoemd in het stadje Kuntzow.

Na afloop van de succesvolle aanvallen wordt het aan bevelhebber Lantinghausen overgelaten Von Meij­erfeldt te belonen voor zijn buitengewone kwaliteiten als troepenofficier. Uit de lange vredestijd vóór de oorlog dateert een strenge anciënniteitsvolgorde voor promoties, waardoor hij nog flink zou moeten wachten op een volgende vacature in een regiment. Omzeiling hiervan zou onrust veroorzaken en afbreuk doen aan de onderlinge solidariteit. Om die reden wordt Johann August op 22 oktober 1759 titulair bevorderd tot luitenant-kolonel in het leger, maar blijft in zijn regiment Löwenfels majoor met een gelijk soldij. Zijn luitenant Dahlstierna schrijft in zijn dagboek dat deze bevordering pas tussen 2 maart en 17 juli 1760 plaatsvindt.

Intussen was in het Kirchspiel Glewitz en Medrow pastor Vollrat Friedrich Ruch in 1757 overleden. Hij was medio 1711 bij Karel XII in Bender toen hij werd beroepen om zijn vader op te volgen. De koning had zijn patronaat van Glewitz overgedragen aan Von Meijerfeldt, waardoor Brita Barnekow in de vacature moest gaan voorzien. Julius Gottfried Aeminga draagt Albrecht Ernst Battus voor. Hij doet deze voordracht, omdat het de jongere broer is van zijn vrouw Anne Ilsabe, van zijn beste vriend Carl en van de burgermeestersvrouw Balthasar van Greifswald. De voorvaderen Battus waren voor Hertog Alva uit Antwerpen via Hamburg naar Rostock gevlucht. Overgrootvader Abraham was generaal-superintendent voor de Zweeds-Pommerse kerk geworden en grootvader Bartholomäus pastor in Grimmen. Als tegenprestatie had Albrecht Ernst moeten beloven met Louise Elisabeth te huwen, een dochter van Von Aeminga’s broer Siegfried Cäso. Na zijn eerste proefpreek komt Battus zijn trouwbelofte niet na en verlooft zich met B.M. Ruch, een dochter van zijn voorganger. De Von Aeminga’s spannen een rechtszaak aan. Battus verweert zich dat hij was gedwongen in vier dagen een document te tekenen, dat hij de aanstaande bruid een hand en misschien een kus had gegeven maar geen ja-woord had gekregen en vindt de komende schoonfamilie overigens decadent. Battus wint de slag maar verliest de oorlog, want door zijn strengheid voor zichzelf en voor anderen is hij een weinig geliefde pastor. Dat verergert als zijn vrouw blind wordt. Desalniettemin vervult hij zijn functie helemaal tot zijn dood in 1796. (6)

In de Rijksdag van 15 januari 1760 wordt gemeld, dat graaf Von Meijerfeldt in de Zweedse provincie Dalarna rondreist met politiemannen en overal rondvertelt dat er een nieuwe partij in Stockholm aan de macht zal komen. Dit moet gaan om Carl Friedrich en hij zal de Hofpartij hebben bedoeld. (7)

In Pommeren duurt het flink wat weken voordat Johann August in winterkwartier kan gaan. Manteuffel overschrijdt de grens bij Anklam en stuit op een forse Zweedse verdediging. Op 28 januari verovert Johann August de brug over de Peene. Hij verrast de dronken wachten, maar één schutter weet te vluchten en vlak voor zijn dood het garnizoen met een schot te waarschuwen. Toch wordt dankzij deze actie Manteuffel gevangen genomen; op zijn erewoord wordt hem toegestaan naar zijn landgoederen af te reizen.

Brita Barnekow had in de jaren ’50 allerlei initiatieven genomen om de kerk van Sövde uit te breiden en van binnen te verfraaien. Op 2 april 1760 doet zij afstand van haar vruchtgebruik over Gammel Kjøgegaard en Näsby. De opbrengsten van deze landgoederen vallen nu in handen van de eigenaren Carl Friedrich jr respectievelijk Johann August jr. Zij moeten hun zuster An­na Catharina daarvoor compenseren. De pachter van Gammel Kjøgegaard – Christian Brasch – is niet gelukkig dat hij het contact met de 60-jarige gravin verliest. Het is mogelijk dat Carl Friedrich ook op het landgoed gaat wonen, want hij treedt dat jaar in Deense militaire dienst in de rang van luitenant-kolonel.

Na het winterkwartier start de Zweedse bevelhebber Lantinghausen een nieuw offensief op 17 juli 1760. Op 16 augustus verzamelt het leger zich op de Meijerfeldtse landgoederen. Een voorhoede onder Fersen gaat een dag later de brug bij Nehringen over en gaat aan de overzijde van de Trebel in Mecklenburg richting Demmin. Waar de Trebel in de Peene uitkomt wordt Johann August op 18 augustus stroomopwaarts gestuurd om de overgang bij Verchen in te nemen. Het leger stoot naar het zuiden door. Op 6 september is Johann August bij de gevechten en inname van de stad Prenzlau. Geleidelijk worden de troepen achter de Peene teruggedrongen tot eind november het winterkwartier wordt opgeslagen.

Juli 1761 ontbrandt een Zweeds zomeroffensief onder de nieuwe bevelhebber Augustin Ehrensvärd. Het grenadiersbataljon marcheert uit zijn winterkwartier onder Greifswald naar Loitz. Op 19 juli heeft Johann August een succes bij Demmin, opnieuw bij zijn familielandgoed. Met een achtervolging worden mensen verspild. In de ochtend van 13 augustus leidt hij één van de drie kolommen van het leger en verovert met zijn eigen en een ander bataljon aangevuld met tweesquadrons ruiters de Kavelpass en daarna de stad Friedland op enkele Stettinse corpsen. Op 22 augustus neemt hij onder Stackelberg deel aan gevechten bij Neubrandenburg. De eerste week van september heeft hij een gevecht met Belling bij Friedland. Tien dagen later weet Johann August de Zweedse troepen daar met een aanval vanuit de flanken en de rug te ontzetten. (8)

Carl Friedrich blijft zich roeren in de politiek. Bij brief van 6 oktober 1761 feliciteert hij Fredrik Axel von Fersen (1719-1794) met zijn benoeming tot Landmaarschalk (adellijke woordvoerder) in de Rijksdag:

“Je vous felicité de grand cœur seigneur de l’honneur & du bonheur que vous allés avoire aujourd’hui à devenir Le premier Citoyen dans votre Patrie.” 

Hij verwijst duidelijk terug naar de tijden van de Romeinse Senaat. (9)

Aan het oorlogsfront schuift het heen en weer. In oktober gaat Johann August met zijn bataljon over de Oder-eilanden tot en met Wollin en keert hij terug naar de omgeving van zijn vorige winterkwartier. De Pruisen onder Belling steken in december de bevroren Peene op diverse plaatsen over onder hevige sneeuwstormen. Zweedse commandanten trekken zich terug, maar niet Johann August. Hij slaat bij Anklam terug en herovert de stad. Op 20 december vraagt Ehrensvärd hem de Peene over te trekken om de Hertog van Mecklenburg te hulp te schieten met vier bataljons, drie squadrons en 200 huzaren. Op 31 december ligt hij in Gützow. De commandant wil zich de eerste dagen van 1762 verenigen met andere Zweedse compagnieën voor een slag bij Neu Kalen. Hij schrijft niet op Meijerfeldt te willen wachten. Dit treffen op 6 januari 1762 is de laatste oorlogshandeling van de Pommerse Oorlog. (10)

Vanwege zijn aandeel in de winterveldtocht zal Johann August op 29 juni 1762 bevorderd worden tot kolonel. Hij vervult deze rang net als zijn voorgaande van luitenant-kolonel in het leger. Voor zijn 37-jarige leeftijd is dat een hoge rang. Hij blijft echter majoor in het regiment Lówenfels, inmiddels Sprengtporten, met het daarbij behorende honorarium. Ter compensatie krijgt hij op 21 januari wel een pensioen van 400 daalders per jaar toegekend. (11)

De oorlog is voorbij. In april komt een wapenstilstand in Ribnitz tot stand gekomen en in mei wordt in Hamburg de vrede gesloten, alles op basis van de status quo. Zweden behaalt niet zijn doel om gebieden van vóór 1721 terug te krijgen en verliest Voor-Pommeren en Rügen evenmin.  

Op 12 september 1762 steekt Johann August over van Stralsund naar Ystad en ruim drie weken later varen zijn moeder en broer in omgekeerde richting. Dat blijkt de voorbode te zijn van een landgoedruil op 31 december. Johann August krijgt het Deense Gammel Kjøgegaard, dat zodoende maar twee jaar door Carl Friedrich bestuurd is. In ruil daarvoor krijgt de laatste Medrow, waardoor beide Pommerse landgoederen in één hand komen. Hij bewoont in Stralsund het Rotermunder Haus, waar hij zich bezig houdt met het opbouwen van een bibliotheek voor de familie Von Meijerfeldt en alle aangetrouwde adellijke families. Ter financiering van dit project verzoekt hij de betrokken families om donaties. (12)


Kamerheer graaf Carl Friedrich von Meijerfeldt jr

Van Carl Friedrich wordt opgegeven, dat hij in 1762 Hessische dienst de kolonelsrang bekleedt. Van een verwisseling met de in die tijd levende Hessische luitenant Wilhelm Ludwig von Meyerfeld (1723-1804) kan geen sprake zijn, omdat hij dan al in een lagere rang de dienst verlaten heeft. Het is waarschijnlijk, dat hij in deze tijd in dienst van de keurvorst van Hessen treedt. (zie deel 3).

Terug   ***   Verder

1. A.J. von Höpken, “Skrifter”, Stockholm 1890, deel 1, pag. 355-356.
2. Krigsarkivet Sverige, 0078/A/004:Ö/E 5, Arméns Pensionskassa, Meritband, deel 1-2-3, folio 635.
3. A.J. von Höpken, deel 2, pag. 462.
4. Meeste hieronder volgende oorlogsfeiten zijn gebaseerd op R. Oldach, “Schwedens Krieg gegen Friedrich den Großen 1757-1762: Kriegsgegner berichten”, Greifswald 2023, met gedetailleerde veldtochten van Meijerfeldt’s Grenadiersbataljon op basis van het journaal van luitenant Gustaf Henrik von Dahlstierna.
5. C. Heller, “Chronik der Stadt Wolgast”, Greifswald 1829, pag. 280.
6. D.H. Biederstedt, “Beyträge zur Geschichte der Kirchen und Prediger in Neuvorpomern”, deel 2, Greifswald 1818, pag. 12-13 en deel 4, pag. 117. Urteilsbegründungen des Assessoren am Tribunal 1762 I, Aminga contra Battus.
7. Tidningar, under Riksdagen, ifrån den 31 October 1760 till den Augusti 1761, Handlingar rörande Skandinaviens historia, deel,  15, pag. 123 en daarop gebaseerd “Biografiskt Lexikon öfver Namnkunnige Svenska Män”, deel 9, pag. 66. De eerste bron refereert in het register aan Carl Friedrich von Meijerfeldt. De weinig flatteuze toevoeging “med olyckeliga ansigtet” (met het ongelukkige gelaat) duidt ook op hem.
8. Posttidningar, 27-08-1761 en 05-10-1761. K.M. von Sulicki, “Der Siebenjährige Krieg in Pommeren”, Berlin 1867, pag. 190, 238, 614 e.v.
9. Riksarkivet Sverige, Stafsundsarkivet, Axel von Fersen d.ä.:s Arkiv, Vol. 7, op.cit. C. Wolff, “Noble conceptions of politics in eighteenth-century Sweden (ca 1740-1790)”, Helsinki 2008, pag. 75 en “Artistocratic Notions  of Liberty and Patriotism in the Age of Liberty”, ïn “Scandinavia in the Age of Revolution, Nordic Political Cultures (1740-1820)”, Farnham/Burlington 2011, pag. 122.
10. Bericht des Generalleutnant Augustin Ehrensvärd an den schwedischen König, nach dem 7. Januar 1762 geschrieben.
11. Posttidningar, 21-10-1762.
12. Riksarkivet Sverige, Biographica M 8 b, brief d.d. 15-02-1766 van Carl Friedrich von Meijerfeldt aan Carl Sparre.