1.3.3. Brabant

Johan August Meijerfeldt reist nog in het jaar 1693 naar de Republiek, want hij is vanaf 1 januari 1694 feitelijk kapitein van zijn compagnie. (1) Het Staatse Leger wordt geleid door de hertog van Holstein-Plön, die de overleden prins van Waldeck op 9 september 1693 als veldmaarschalk was opgevolgd. Midden mei 1694 draagt hij het commando over aan Willem III, die uit Engeland arriveert. Hij start een veldtocht in Brabant tussen Brussel en Luik om slag te leveren, terwijl de Fransen die vanwege hun ondertal juist uit de weg gaan. (2)

Nadat de provincies aan hun financiële verplichtingen hebben voldoen kan de Raad van State eindelijk de repartitie (toedeling aan betaalsheren) en commissie (opdrachtverlening) afronden. De compagnieën van Hastfer worden verdeeld over Zeeland (7), Gelderland (4) en Drenthe (1); vanaf 1695 komen ze allen ten laste van Zeeland. Hastfer treedt op 12 juni 1694 in Staatse dienst en Johan August op 16 september, direct ten laste van Zeeland. (3) 

“Den 16 septemb 1694 is gelijcke commissie verleent aan Joan Meijerfelt als capt van nieuw overgenomen Zweedse compa,rega 27 septemb 1694”, Zeeuws Archief, Archief Staten van Zeeland,
inventarisnummer 1671. Registers van commissiën en instructiën 1578-1809, folio 143 

Eind dat jaar berekenen de rentmeesters van Walcheren zijn wedde voor het jaar 1695 op £ 1544:12:2. (4) 

Nadat de Franse troepen op veilige afstand blijven en voor de zoveelste keer afmarcheren en vijf grote rivieren oversteken om Frans-Vlaanderen af te schermen geeft Willem III zijn troepen op 23 juli in Sint Andriesberg (Mont-Saint-André) opdracht de vesting Hoei (Huy) te belegeren. Na een directe overgave van de stad volgt een bombardement op de vesting door de hertog van Holstein-Plön. Op 28 september geeft de commandant zich over. Dat is het enige wapenfeit van 1694. Willem III verzet zijn zinnen met de jacht op ‘t Loo, pleegt overleg in Den Haag en keert terug naar Engeland om gelden voor een nieuwe campagne te verzamelen.

In datzelfde jaar wordt de 27-jarige Wolmar Johan Meijerfeldt genoemd in de rang van luitenant.  Hij zit dan nog steeds bij de Lijflandse Adelsfanan (5) en dient bij de president van het Landgericht van Dorpat (Tartu) Georg von Stackelberg een klacht in tegen kornet (Clas) Hermann von Liebstorff. De klacht luidt dat Liebstorff agressie en diefstal pleegde door eigenhandig 75 wagenladingen halfrijpe rogge weg te nemen van boer Malsup Rein ter waarde van 100 gouden Guldens. Zowel de boer als Wolmar zelf opereren vanuit Laitzen (Veclaisence, Letland), niet te verwarren met het 110 km noorderlijker gelegen vaderlijk landgoed Laisholm (Jõgeva, Estland). Het lijkt er vooral om te gaan hoe dit bedrag mag worden verhaald op Liebstorff’s naastgelegen leengoed Rogosinsky (Rogosi, Ruusmäe, Estland), in 1629 toegekend door koning Gustaaf Adolf aan voorvader Hermann Liebstorff (rijksadel 1595, rector Berlijns gymnasium). (6)

Luchtfoto van Laitzen (omkaderd gebied) met landhuis Rogosinsky (blauwe stip rechtsboven)

Johan August is in de winter van 1694 op 1695 ingekwartierd in de Zuidelijke Nederlanden, wellicht Maastricht, Tongeren, Hasselt, Luik of Hoei. De gevechtshandelingen in Brabant laten daarna hetzelfde plaatje zien als in het voorafgaande jaar. Ontdaan door de vroege dood van koningin Mary II arriveert Willem III en besluit de onneembaar geachte vestingstad Namen (Namur) te belegeren. Na een ‘berenning’ geeft de stad zich over, maar de vesting niet. Kort vóór de moordende bestorming klimt Evald Hastfer op 22 augustus nieuwsgierig in een klokkentoren om het aangerichte vuur van de geallieerde bombardementen te zien. Hij wordt getroffen door de scherf van een kanonskogel, valt, wordt met geplet hoofd afgevoerd en overlijdt een paar uur later. Op 25 augustus wordt Von Wangersheim als nieuwe kolonel aangesteld. (7)

Ook Johan August loopt bij Namen een verwonding op, maar welke blijft onduidelijk. (8)  Dankzij een wapenstilstand raakt de stad met uitzondering van de citadel in geallieerde handen. Ter afleiding leggen de Fransen het dicht bevolkte en prachtige centrum van Brussel met een zwaar bombardement in as. Lodewijk XIV verantwoordt dit oorlogsmisdrijf aan de boze Spaanse Habsburgers met een verwijzing naar de bombardementen van de Nederlands-Britse vloot op zijn zeehavens. Ook de citadel van Namen komt in geallieerde handen. 

In 1696 en 1697 bestaan de veldtochten alleen nog maar uit manoeuvres van twee grote legers zonder werkelijke slagen of belegeringen. De bevolking lijdt sterk onder de voortdurende diefstal van voedsel, die plaatsvindt in strijd met de uitdrukkelijke instructies van de Staten-Generaal. Johan August blijft in dienst van Zeeland op kosten van de betaalmeesters van Walcheren. (9)

In Riga trouwt Carl Friedrich Meijerfeldt rond de jaarwisseling 1696-1697. Zijn bruid is Anna Christina Hastfer. Zij is in 1679 of 1681 geboren op het door koning Gustaaf II Adolf aan haar voorouders geschonken landgoed Kostifer (Kostivere) in de buurt van Reval. Anna Christina is dus 17 tot 19 jaar jonger dan de bruidegom. Haar vader is de intussen op 48-jarige leeftijd overleden graaf Jakob Johan Hastfer en haar broer is Evald, die in Namen is gestorven, net als zijn vader in 1695. De Hastfers behoorden tot de Estlandse ridderschap, die zich net als de Meijers sinds 1562 in Zweedse dienst hadden gesteld en eerder van hogere Zweedse adel waren geworden. De moeder van de bruid leeft dan nog wel: de Zweedse barones Sigrid Gyllenstierna (1639-1700). (10) Omdat beide ouders van de bruidegom dood zijn en Johan August in Brabant zit, is alleen zijn broer Wolmar Johan aanwezig bij de bruiloft. De bruid heeft meer levende familie dan haar moeder: twee zussen en een aantal halfbroers en -zussen uit het eerdere huwelijk van haar moeder met Göran Fleming. Vóór oktober 1697 wordt een zoon geboren, die vóór december van het jaar al overleden is. Op 2 juli 1699 wordt een tweede zoon Jakob Johan Meijerfeldt gedoopt in de St. Jacobi kerk in Riga. (11)

Johan August is eind 1697 al vier jaar kapitein en hoopt op een bevordering. Binnen zijn regiment zit het vast, omdat Georg Hastfer in 1695 bij de dood van zijn naamgenoot majoor was geworden. Er doet zich een kans voor bij een ander Zweedse infanterieregiment, als majoor Georg (Jürgen) Johan Lode daar tot luitenant-kolonel wordt bevorderd. Dit regiment was al in 1689 met in Bremen geworven troepen naar de Republiek gekomen onder commando van Erskine, vanaf 1690 opgevolgd door Knorring en vanaf 1695 Ernst Detlof Krassow. Het regiment wordt bekostigd door de provincie Holland en ligt voornamelijk in Maastricht. Johan August komt in aanmerking voor de vacante plaats en op 24 januari 1698 stelt koning Willem III hem daar als majoor aan. (12) 

Inmiddels is dankzij bemiddeling van de Zweedse koning Karel XI, die enerzijds nog Franse sympathieën heeft maar zich anderzijds verbonden heeft soldaten aan de geallieerden te leveren een akkoord gesloten tussen Willem en Lodewijk en op 20 september 1697 de Vrede van Rijswijk getekend. Op 26 februari ondertekenen Zweden en Nederland een verdrag om het vierde regiment (van Oxenstierna) definitief in Staatse dienst te nemen en 3.000 man subsidietroepen af te danken. Op 8 april vindt de ratificatie plaats.

In het afgedankte regiment van Krassow en met nog vijf regimenten van totaal nog maar een kleine 1000 man marcheert Johan August weg uit Maastricht op 19 maart. De Zweedse ambassadeur en vredesonderhandelaar Lillieroot instrueert de kolonels namens de koning dat ze in Bremen hun nieuwe bestemming te horen zullen krijgen. De mars verloopt via Susteren, Vlodorp oostwaarts langs de Roer en verder over Suchtelen door Gelder en Gulik. Op 8 april steken zij bij Wezel de Rijn over en gaan verder door Munster, Bentheim en Osnabrück. De regimenten marcheren voorbij de vrijstad Bremen en arriveren op 16 april in Apensen, een dorp vlak voor de stad Buxtehude aan de Elbe in het aartsbisdom Bremen, dat sinds de Dertigjarige Oorlog in Zweedse handen is. In vier weken is bijna 500 kilometer afgelegd. De Zweedse gouverneur-generaal Gyllenstierna brengt hem het nieuws dat de koning alleen de soldaten houdt en de officieren afdankt. Krassow protesteert vergeefs en vertrekt naar zijn landgoed in Pommeren. (13)

Johan August bezoekt Hamburg aan de overzijde van de Elbe en zegt daar een aanbod te hebben afgeslagen om in vreemde krijgsdienst te treden. De enige oorlog die op dat moment woedt is de Turks-Russische Oorlog. Tsaar Peter de Grote reist met zijn Groot Gezantschap op dat moment wel in Noord-Duitsland en Lijflandse officieren treden wel in Russische dienst, maar Johan August moet niets hebben van de anti-Zweedse plannen die hij smeedt met Saksen en Denemarken. Het is waarschijnlijker dat hij door de legers van de Grote Alliantie is benaderd, bijvoorbeeld om onder kolonel Oxenstierna in Staatse dienst te blijven.

Een snelle terugkeer naar zijn vaderland overweegt Johan August niet. Hij neemt het initiatief naar Stockholm te reizen. Veel Zweedse officieren doen dat om twee gebruiken te bepleiten: bevordering bij terugkomst en behoud van het geweer, maar beide verzoeken worden afgewezen. Het eerstbedoelde gebruik ging niet op omdat de officieren tijdens de oorlog niet in Zweedse maar in Nederlandse dienst waren geweest. Het tweede gebruik gaat niet op omdat behoud van het geweer geen Zweeds maar Nederlands gebruik is. Johan August schrijft alleen naar Stockholm te gaat om zijn diensten aan de nieuwe 17-jarige Zweedse koning Karel XII aan te bieden. Dat zal hij bijna twee jaar lang zonder resultaat doen. (14)

Eind 1698 krijgt Carl Friedrich naast zijn 129 man nog eens 73 rekruten uit Brabant. Dit zijn geen Nederlanders, maar Lijflandse soldaten uit het regiment van Hastfer/Wangersheim, waarmee Johan August kort daarvoor is terug gemarcheerd. In Buxtehude waren zij niet afgedankt maar ingescheept naar Riga. In oktober 1699 begint zijn compagnie al weer te slinken naar 170 man en in april 1700 zijn alle rekruten ingestroomd in andere compagnieën.

In september 1699 bevindt luitenant Wolmar Johan zich nog steeds in de Livländska Adelsfanan in Wenden. Zijn kolonel is inmiddels 69 jaar oud en zijn overste 62. De leeftijd en dienstjaren van alle officieren om hem heen zijn relatief hoog. Misschien is dit één van de redenen dat hij net als zijn oudere broers naar actieve dienst op zoek gaat.

 

1. Nationaal Archief, 1.01.19, Inventaris van het Archief van de Raad van State 1581-1795, A.4. Commissieboeken, Inventarisnummer 1533: 1692-1699, folio 121 resp. folio 133, Johan Meijervelt.
2. E. d’Auvergne, “The History of the Campagne in the Spanish Netherlands, Anno Dom. 1694, with the Journal of the Siege of Huy”, Londen 1694. Op pag. 71 schrijft hij dat het regiment Harsolt op 21 augustus bij Gent is, hetgeen een verhaspeling van Hastfer als van Haersolte kan zijn. C.A. Sapherson, “Forging a coalition army: William III, the Grand Alliance, and the confederate army in the Spanish Netherlands, 1688-1697, diss. Ohio 2003, annex “The Dutch Army of William III”, pag. 63.
3. Zie noot 1. J.H. Hora Siccama, “Aanteekeningen en Verbeteringen op het in 1906 door het Historisch Genootschap uitgegeven Register op de Journalen van Constantijn Huygens den Zoon”, Amsterdam 1915,  pag. 309, heeft Hastfer niet gevonden en denkt dat hij verzuimd heeft de verschuldigde rechten voor de acten van zijn regiment te voldoen, maar de oorzaak is eenvoudiger: hij staat er wel met de foutieve spelling Hassfer.
4. Zeeuws Archief, 2. Staten van Zeeland en Gecommitteerde Raden, 2. Gedrukte Notulen van de Staten van Zeeland en opvolgende besturen 1574-1795, inventarisnummer 3410. Notulen van de Ed: Mog: Heeren Staten van Zeelant d’Anno 1694, pag. 311.
5. Krigsarkivet, 0022 Rullor 1620-1723, 1699/4, folio 208.
6. “Executionssachen Herrn Lieutenant Wollmar Johann von Meijerfeldt contra Herrn Cornett Hermann von Lipsdorf in puncto commissarum violentiarum et spoli durch eigenthätige Abnehmung 75. Fhuder halb unreiffen Roggens von hiesigen Laitzenschen Bauern Melsup Rein”, Rahvusarhiiv, 914/1/616 Nr. 4.
7. D.F. de Merveilleux, “La campagne de Namur, contenant une relation fidelle de tout ce qui s’est (…)”, Den Haag 1695, pag. 115. Le comte d’Hasfert, Colonel d’un Regiment Suédois. E. d’Auvergne, “The History of the Campagne in the Spanish Netherlands, Anno Dom. 1695, with an Account of the Siege of Namur”, Londen 1696, pag. 87 en 183, Baron de Hasfart Colones of a Swedish Regiment resp. Bat. Hasfert. De eerste schrijft 22 augustus, de tweede 17 juli. G. Anrep, “Svenska Adels Ätters-taflor”, Stockholm 1861, deel 2, pag. 205, volgt de eerste bron.
8. Uppsala Universitetsbiblioteket, X.240. Svensk biografi i portföljer, Meijerfelts papper, Otto Vellingk’s Capitulation, Dechlinghof 01-06-1700.
9. Zeeuws Archief, 2. Staten van Zeeland en Gecommitteerde Raden, 2. Gedrukte Notulen van de Staten van Zeeland en opvolgende besturen 1574-1795, inventarisnummer 3412. Notulen van de Ed: Mog: Heeren Staten van Zeelant d’Anno 1696, pag. 179 en 308 (19 april resp. 4 december).
10. H. Gillingstam, lemma in “Svenskt Biografiskt Lexikon”, Stockholm 1986, deel 25, pag. 470, schrijft hierbij “ondanks zijn nederige afkomst”.  Zijn bruid is inderdaad gravin, maar zijn voorvaderen huwden wel vaker dochters van graven. A. von Transehe-Roseneck, “Die ritterlichen Livlandfährer des 13. Jahrhunderts”, Würzburg 1960, noemt ten onrechte als ouders Claus Wilhelm Hastfer (1626-1686) en Anna Löwenstern (1642-1723).
11. In zijn militaire rol van oktober 1696 staat nog geen vinkje bij huwelijk of kinderen, in oktober 1697 wel bij huwelijk en bij zoon en in december 1698 wel bij huwelijk maar niet bij kinderen. Krigsarkivet, 0022 Rullor 1620-1723, 1696/10
, folio 76, 1697/6, folio 331
 en  1698/3, folio 76. Latvijas Valsts Vestures Arhivs, St. Jacobi Riga DTB Boek 1668-1704, (pag. 122) folio 244.
12. Uppsala Universitetsbiblioteket, X.240. Svensk biografi i portföljer Meijerfelts papper, Major fullmakt. F.J.G. ten Raa en F. de Bas, “Het Staatsche Leger”, deel VII, “Van de verheffing van prins Willem III en zijn gemalin tot koning en koningin van Groot-Brittannië tot het overlijden van den koning-stadhouder (1688-1702)”, Koninklijke Militaire Academie Breda 1950.
13. Fr. de W. H., kolonel, “Vreemde troepen op Hollandsch grondgebied”, Nieuwe Rotterdamsche Courant 09-12-1919. Amsterdamse Courant 25-03-1698 en 22-04-1698.
14. Uppsala Universitetsbiblioteket, X.240. Svensk biografi i portföljer, Meijerfelts papper, “Untertähnigeβ Memoriall wo und wie lang Ich in diensten gestanden”, 1701.