
Carl von Meijenfeldt
L.R. Werner, Nieuwendijk, Amsterdam
Stamhouder Carl von Meijenfeldt haalt de eeuwwisseling niet. Thuis aan de Noorderstraat 90 in Amsterdam krijgt hij een uur na middernacht op zondag 12 februari 1899 een hartverlamming. Die overleeft hij niet vanwege zijn 83-jarige leeftijd en zijn chronische bronchitis, wellicht opgelopen door het stof op de scheepswerf en roken. Zijn vader en broers en de Zweedse graven passeren ook ruim de zeventig, waardoor de gedachte kan postvatten dat de Meijenfeldts voor hun tijd uitzonderlijk oud worden. Rekenend met de gemiddelde leeftijd van 37 tot 45 jaar is die gedachte begrijpelijk, maar na aftrek van de enorme kindersterfte blijkt de modale levensverwachting – de pieksterfte van volwassenen – in die tijd ook al boven de 70 jaar te liggen. Des te opvallender dat de vijf zonen van Carl gemiddeld (zonder uitschieters) 60 jaar oud werden.

De kinderen van Carl en hun echtgenoten sturen rouwkaarten rond en plaatsen advertenties in de kranten. Daarin staat de aankondiging dat de teraardebestelling zal plaatsvinden op donderdagmiddag 16 februari. Op de begraafplaats “Te Vraag”, waar Nel vier jaar eerder was begraven, zal de plechtigheid plaatsvinden.
Ingang protestantse begraafplaats “Huis Te Vraag”
Zoon Frits zet zich aan de afwikkeling van de nalatenschap en weet nog f 125 wachtgeld te innen over het eerste kwartaal van 1899. Zo overspant het leven van Carl von Meijenfeldt de regeerperiode van drie koningen Willem. De inhuldiging van de eerste was enkele maanden ná zijn geboorte, terwijl enkele maanden vóór zijn dood diens achterkleindochter Wilhelmina werd ingehuldigd. Het overlijden van Carl markeert tevens het einde van de tweede generatie. Alleen zijn schoonzus weduwe Naatje Kennedij leeft nog in Dordrecht.
Naatje op de Dam
Eervolle verbastering van het monument “Eendracht der Hollandsche Naatie” voor de Tiendaagse Veldtocht
Zoals Carl in 1850 het omslagpunt van een neergaande en stagnerende samenleving naar een van energie bruisende maatschappij beleefde, zo doet zich na zijn overlijden opnieuw een omslagpunt voor. De vooruitstrevend-liberale koers maakt plaats voor een behoudend-confessionele, ingezet door de gereformeerde voorman Abraham Kuyper, die minister-president wordt. Hij brengt de voorafgaande halve eeuw blijvende reputatieschade toe door deze als normloos en elitair te betitelen. Als dienaar van God in plaats van het volk meent hij dat de burgerij hard toe is aan een zedelijker levensstijl met meer christelijk onderwijs en zondagsrust en minder spel en drank.
De familie Von Meijenfeldt is een duidelijke representant van de behoudend-confessionele route. Zij bezoeken dezelfde gereformeerde kerken en scholen, vooral in Amsterdam. Met de enkele Zuid-Hollandse families bestaan nauwe contacten dankzij bij elkaar logeren en op kamers wonen en dankzij snellere verbindingen door trein, post, telegraaf en telefoon, met uitzondering van de incidentele brieven en verlofbezoeken van de jonge gezinnen die sinds 1911 naar Oost-Indië gaan. De verzuiling houdt de boel extra bij elkaar en leidt in de vierde generatie tot huwelijken in de aanverwante families als Van Apeldoorn, Van der Bend en Westerhoff. De enige vrijheden die zij zich veroorloven zijn stichtelijke boeken en artikelen schrijven en vertalen en liederen en toespraken op elkaars feesten. Hun leven speelt zich aldus af in een fijnmazig gereformeerd ecosysteem.
In de Familiekroniek was de hoofdrol van stamvader Johan August na diens dood in 1835 toegekomen aan Carl, omdat die als enige volwassen kinderen had gekregen. Die situatie lijkt zich te herhalen na de dood van Carl in 1899, doordat binnen 15 jaar alleen nog zijn jongste zoon Hendrik leeft met vrouw en kinderen. Deze lijkt letterlijk en figuurlijk de gedoodverfde nieuwe hoofdpersoon. Zo eenvoudig ligt het niet, want diens drie overleden broers hebben tegen die tijd volwassen kinderen die de familienaam voortzetten. De eerstgeboren zonen in de gezinnen Van Leusden (1883), De Haas (1884) en De Koe (1886) heten alle drie Carl von Meijenfeldt. De eerstgeboren zoon in het gezin Augustijn, die zes maanden na de begrafenis ter wereld komt, krijgt ook die naam.
Al deze vernoemingen zijn een eerbetoon aan stamhouder Carl, maar vooral ook het gevolg van strikte regels van vernoeming in die tijd. De ouders nemen eerst de naam van hun vader of moeder, ieder afwisselend, daarna van hun grootouders, gevolgd door ooms en tantes, plus voorrang voor de overledenen. Hierdoor hebben de overige kleinkinderen eveneens terugkerende voornamen. Met een draaikolk van identieke namen weet een meesterverteller als Gabriel Garcia Marquez in zijn epos “Honderd jaar eenzaamheid” wel raad. In een kroniek als deze is het echter cruciaal de familieverbanden kristalhelder te houden.
Na de eeuwwisseling dienen zich dus vier kinderen van Carl aan als hoofdpersoon voor de Familiekroniek, terwijl vier kleinkinderen met de naam Carl en hun broers en zussen in de wacht staan om een fikse naamsverwarring te veroorzaken. De kroniek is daarom niet langer als chronologisch verhaal vanuit één hoofdpersoon voort te zetten. De levensverhalen van Carls kinderen gaan vanaf hier gesplitst verder, elk beginnend met een overzicht van de kleinkinderen. Zonder afbreuk te doen aan het onderling nauw verweven netwerk, doet de vertakking van de stamboom zich als volgt voor:
|
|
DE KOE![]() |
|

