Welke vondsten zijn er gedaan in de speurtocht naar de vraag of de Nederlandse stamvader de zoon van de Zweedse graaf is?
1. In een brief uit 1876 naar Helsingsfors schrijft de zoon van de stamvader dat de graaf zonder twijfel zijn grootvader is.
2. Uit een vergelijking van het DNA van het mannelijk chromosoom in de botten van de graaf met het wangslijm van Carls achterkleinzoon bevestigt de wetenschappelijk laborante van het Johann-Friedrich-Blumenbach-Institut für Zoologie und Anthropologie in Göttingen de afstamming.
3. In de kerkboeken in en rond Stralsund in en rond het jaar 1760 zijn geen sporen gevonden van de graaf als vader of de stamvader als dopeling.
4. In het testament van de graaf uit 1795 staat een legaat van 1000 rijksdaalder voor Augusta Juliana Meijer, in 1802 door de weduwe afgekocht. Zij woonde vroeger op Medrow en trouwde en kreeg veel kinderen met inspecteur en pachter Thilo. In de plaatselijk kerkboeken is dit terug te vinden en luidt haar achternaam dikwijls Meijerfeld. Een plaatselijke pastor Thilo schrijft dat zij de natuurlijke dochter van de veldmaarschalk is. In Amsterdam en Rotterdam staan de voornaam Juliana en aangetrouwde naam Thilo bij de doopgetuigen van de kinderen van de stamvader.
5. In Amsterdam en Rotterdam hebben andere doopgetuigen bij de kinderen van de stamvader de namen Johann August von Meijenfeldt en diens vrouw Anthonetta von Sparre. In de overlijdensaangifte geeft Carl op dat dit de ouders van zijn vader zijn.
6. De graaf en de stamvader hebben niet alleen overeenkomsten in naam, tijd en plaats, maar ook in beroep, taal en geloof: militair, Duits resp. Luthers.
7. De stamvader maakt in 1811 een tekening op een Nieuwjaarswens die sterk lijkt op die van de afdekplaat van het Zweedse familiegraf in Nehringen.
Deze vondsten geven voldoende zekerheid om te concluderen dat de stamvader en Juliana Augusta natuurlijke kinderen van de Zweedse veldmaarschalk zijn.
Is deze conclusie voldoende voor de Nederlandse familie om deze afkomst formeel vast te leggen? Daarvoor bestaat geen procedure, tenzij het de bedoeling is adellijke stand in Zweden of Nederland te verwerven. Mocht het al van deze tijd zijn om dat te willen en mocht dat de tijd en het geld waard worden geacht, dan nog ontbreekt de juridische grond. Een verzoek bij het Zweedse Ridderhuis zou meteen afstuiten op het ontbreken van een document, waarin de veldmaarschalk de stamvader als zijn zoon erkent of noemt en/of op het ontbreken van een akte of register van de geboorte of doop van de stamvader met de naam van de graaf als diens vader. Dit blokkeert vervolgens een verzoek bij de Hoge Raad van Adel in Den Haag om als buitenlandse adellijke familie bij de Nederlandse adel te worden ingelijfd, omdat artikel 2, derde lid, van de Wet op de Adeldom voorschrijft dat het geslacht tot de wettelijk erkende adel (van Zweden) moet behoren.
