Gerhardus Wilhelm (1915-1992)
In het gezin Van Apeldoorn is Gerard de oudste zoon. Hij is in Buitenzorg geboren op 19 januari 1915. De lagere school volgt hij in Indië en tijdens het eerste gezinsverlof zes maanden aan de Oosterparkschool in Amsterdam. In Makassar volgt hij een jaar meer uitgebreid lager onderwijs (Mulo) en aansluitend vierjarig HBS B. Tijdens het tweede gezinsverlof zit hij vier maanden op de Christelijke HBS aan de Moreelsestraat 21 in Amsterdam. Daarna volgt hij drie schooljaren in Surabaya en een half jaar aan de Koning Willem III School in Batavia, waar hij gelijk met zijn zus Enny slaagt op 20 mei 1932 voor zijn eindexamen Wis- en Natuurkunde. Na enkele aanvullende staatsexamens vaart hij anderhalf jaar later het hele gezin naar Amsterdam. Drie dagen na aankomst in Amsterdam schrijft Gerard zich op 24 november 1933 in aan de Vrije Universiteit onder nr. 1874 om rechten te gaan studeren. Bij de keuring voor de Nationale Militie wordt hij op 25 april 1834 geschikt bevonden, maar krijgt uitstel omdat hij zijn kandidaats op 26 januari 1935 behaalt. Telkens krijgt hij uitstel tot hij op 7 mei 1938 zijn doctoraalbul in ontvangst neemt. Tijdens zijn studie woont hij in Amsterdam en werkt bij de gemeentepolitie. Hij is lid van de Christelijke Politie Organisatie. Zijn opleiding tot reserveofficier van de infanterie rondt hij oktober 1939 af in de rang van vaandrig.
Gerard geeft aanvankelijk gehoor aan de oproep van de Nederlandse regering in ballingschap om in dienst van de politie te blijven en heimelijke tegen te werken. Zo neemt hij op 15 juli 1941 twee diensten over. In april 1942 schrijft hij in het tijdschrift van zijn broer subtiel, dat de staat in abstracte theologische zin geaccepteerd moet worden, maar dat de zonde van haar aardse zwaardmacht wel toetsbaar is. (1)
Op 30 december 1942 klimt Gerard met een medestander door een raam omlaag naar het keldercomplex onder het onbewoonde voormalig Joodse huis Bachplein 7, naast dat van zijn oom Frits uit de tak De Haas. Hij is daar bezig met vet, schrijfpapier en twee nijptangen als twee politieagenten hem daar aantreffen en arresteren. Nadat zijn ouders zijn gewaarschuwd wordt hij afgevoerd naar bureau Leidseplein. De jaarwisseling moet hij daar doorbrengen en op 2 januari 1943 volgt zijn overdracht aan de Sicherheitsdienst van de bezetter aan de Euterpestraat. De Duitsers hebben niet door dat hij met zijn oom Joden helpt onderduiken en laten hem vrij. (2)
Zekerheidshalve duikt Gerard onder. Met behulp van de groep van prof. dr. Jan Coops gaat hij aan het illegale werk meedoen. Januari 1944 brengt hij heimelijk thuis door om zijn vader te verzorgen. Hij vermomt zich onder de naam Wim de Ridder met bril; als hij die bril breekt en zijn vaders bril gebruikt, moet hij deze wegens de sterkte op het puntje van zijn neus zetten.
Gerard voegt zich na Dolle Dinsdag 5 september 1944 bij de K.P. onder commandant “Martin” met schuilnaam Henk van Overvest. Op 15 maart 1945 neemt hij als Chef-Staf Gemotoriseerde reserve K.P. Amsterdam de leiding over een transport per bakfiets van 103 overalls en 85 helmen, waarbij hij door toeval gewapend is. Doordat het afleveradres achter de Marnixstraat 202 draalt met het in ontvangst nemen van de goederen ontstaat fatale vertraging. De onderscharleider der Landwacht Berend IJpelaar komt aanlopen, trekt zijn wapen en gelast de vier mannen op een rij te gaan staan. Van een moment van onoplettendheid maakt Gerard gebruik om zijn wapen te trekken. Zij schieten gelijk op elkaar; ook twee van de anderen vuren schoten af. Gerard vlucht met de bakfietsrijder en wordt achternagezeten en beschoten, waardoor de andere twee kunnen wegkomen. Uiteindelijk blijkt IJpelaar met vier kogels te zijn neergeschoten; de Sicherheitsdienst weet de zaak niet op te lossen.
Gerards onderduikadressen volgens het Bureau Nationale Veiligheid
Na de bevrijding krijgt Gerard op 8 mei rechtsherstel bij de politie van Amsterdam, stamboeknummer 374. Zijn promotie tot Inspecteur Eerste Klasse volgt op 28 augustus en detachering bij het Bureau Nationale Veiligheid, Opsporingsdient Amsterdam dezelfde dag voor ƒ 550 bruto. Op 12 september wordt hij Militair Commissaris voor Inbewaringstelling en Vrijlating van politieke delinquenten bij het parket van het Bijzonder Gerechtshof van Amsterdam. Per 1 februari 1946 is hij daar Officier Fiscaal. Op 10 april 1947 treedt hij uit dienst van de gemeentepolitie en in dienst als Ambtenaar bij het Openbaar Ministerie te Alkmaar, waar hij op 24 november Hoofd Parket wordt.
Intussen wordt Gerard als reserve-officier op 3 maart 1948 bevorderd tot kapitein. Dat jaar vertrekt hij op 17 augustus naar Indië om Auditeur-Militair te worden bij de Krijgsraad te velde te Bandoeng op Java. Kort na aankomst legt hij een commando schuld ten laste aan het bij een oefening in beide benen schieten van een collegae, door zijn ‘bren’ niet op afwezigheid van kogels te controleren. De Krijgsraad beslist op 28 oktober echter tot vrijspraak, omdat van een commando snel moet zijn en derhalve bij de oefening op een lege houder mocht vertrouwen. (3)
In zijn tijd bij de Krijgsraad is het volgende voorval tekenend voor Gerard. Als kapitein stelt hij zijn neef sergeant Wim de Vries voor aan officieren in de mess, maar niemand reageert. Hij loodst zijn neef naar zijn aangrenzende kamer, keert even terug naar de mess en later als zij door de mess teruglopen staat iedereen netjes ter begroeting op. Hij wordt later Hoofd-Auditeur bij de Krijgsraad te velde te Jakarta. Hij gaat 25 augustus 1950 met Europees verlof. Op 10 april 1954 wordt Gerard reserve kapitein.

Gerard trouwt op 28 mei in Heemstede met zijn buurmeisje Nellie Goverdina Boelhouwer, geboren in Heemstede op 9 november 1913, dochter van Johannes Boelhouwer (1878-1954) en Ida Hendrika Gaikhorst (1881-1953). De kerkelijke inzegening vindt plaats door zijn broer Frits. Omdat Nellie bij het huwelijk 40 jaar oud is komen er geen kinderen. Zij gaan wonen in de Wentholtlaan 20 in Heiloo.
Sinds 10 november 1954 is Gerard waarnemend Substituut Officier van Justitie te Alkmaar en per 2 januari 1957 Substituut Officier van Justitie in Utrecht. Vanuit die positie wordt hij op 21 november 1959 op 40-jarige leeftijd aangesteld tot Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Hollandia, die vooral getekend wordt door de Affaire Gonsalves.
Op 1 februari 1961 maakt Gerard een nieuwe start als Officier van Justitie in Utrecht. Met zijn vrouw woont hij aan de Karel Doormanlaan 19. Op 20 juli 1966 krijgt hij een bevordering tot Officier van Justitie, Eerste Klasse. Hij is in 1970 voorzitter van de Werkgroep Gevangeniswezen van het College van Advies van de ARP.
Aan het einde van zijn loopbaan in 1979 werkt Gerard aan het zogenaamde Turkenproces. Vanwege het complexe karakter gaat hij wegens stressverschijnselen met ziekteverlof. De Utrechtse advocaat mr. G.M. Bots brengt naar buiten dat een «meester X» aan diens cliënt Kees C. – verdacht van uitlokking tot moord – strafvermindering in ruil voor informatie uit de Turkse gemeenschap zou hebben toegezegd. Bots heeft onmiddellijk spijt: “Ongewild wekte ik de indruk van een grove misstand. Maar daar was geen sprake van. Hij deed wel iets wat volgens mij niet kon, maar dat kwam eerder voort uit impulsiviteit. Hij kon soms wat onberekenbaar zijn, maar nooit op de louche tour. Daar was hij veel te eerlijk voor.” (4)
Het kwaad is echter geschied. Hoofdofficier mr. G.H.C. van Dijken en zijn beoogde opvolger Herstel wekken de indruk dat de zaak te gecompliceerd was geworden voor Gerard en brengen naar buiten dat hij tot zijn pensioen met ziekteverlof moet blijven. Hoewel Gerard zelf ontkent dat hij enige toezegging had gedaan en zijn ziekte er niets mee te maken heeft, wordt zijn als te lankmoedig ervaren optreden tegen de criminaliteit in de media aangehaald. Hij loste met zijn aanpak onder andere de eeuwigdurende gevechten tussen de Molukse Barnevelders en Spakenburgse nozems in de Amersfoortse binnenstad cafés op een vaderlijke wijze op. Zijn bijnaam «mr. Sepot» is wel heel zuur in verband met de affaire Gonsalves. Iedereen spreekt van een achtenswaardige of aimabele man, maar velen menen dat hij te naïef en emotioneel was voor zijn functie. Op 1 februari 1980 gaat hij met pensioen en overlijdt 6 maart 1992 op 76-jarige leeftijd. Zijn weduwe sterft op 17 april 2003, bijna 90 jaar oud.
1. Vox Theologica 1942, pag. 88-89.
2. Stadsarchief Amsterdam, 5225 Politierapporten ’40-’45, inventaris 6731, pag. 53, inventaris 6179, rapport 364 en inventaris 6180, rapport 1-2.
3. Militair-Rechtelijk Tijdschrift 1949, pag. 519-522.
4. Utrechts Nieuwsblad, 22-06-1994.
