De naam en geboorteplaats zijn niet de enige gegevens van Johan August von Meijenfeldt op de scheepsrol. De datum van zijn aanstelling staat ook vermeld: woensdag 29 mei 1793. Een vast dienstverband bij de Admiraliteit of de Republiek krijgt hij niet, slechts een contract met kapitein Hartsinck voor de komende reis met de Erfprins van Brunswijk. In de Republiek is van hem geen eerder dienstverband of contract bekend.
Omdat het een betaalsrol betreft staat uiteraard het soldij van Johan August vermeld. Bij aanvang bedraagt dat 26 gulden per maand. Hij krijgt gelijk een voorschot van één maand om benodigdheden voor de reis aan te schaffen. In het gebouwencomplex loopt hij meteen door naar het Comptoir Hoofdelijke Betaling om het voorschot in klinkende munt in ontvangst te nemen.
Een andere aantekening op de betaalsrol luidt Weúrman pb f 208. Dat vraagt om uitleg. De letters pb of pbill staan ook bij anderen en betekenen per billet ofwel schuldbrief. Bij andere opvarenden staat maandbrief, wat betekent dat een kwart of minder van de gage wordt uitgekeerd aan de achterblijvende vrouw en kinderen. Bij Johan August gaat het daar niet om, maar zijn het openstaande rekeningen voor logies, drank, voedsel en kleding. De desbetreffende middenstanders weten dat zeelui geen contant geld hebben en geven krediet, om met hen af te rekenen uit het voorschot. Meestal is dat volstrekt onvoldoende om de schuld mee af te lossen, dus moet de schuld bij terugkomst worden afgerekend. De aantekening op de rol is een soort garantie van terugbetaling. Zelfs als de zeeman onderweg overlijdt of verdwijnt en zelfs als het schip vergaat is de schuld voor betrokkene bij het zeekantoor inbaar. Johan August laat een schuld van 208 gulden noteren, precies acht maanden soldij van 26 gulden. De meeste tochten duren twee keer zo lang, dus is het risico van de schuldeiser op niet-terugbetaling aanvaardbaar, zelfs na aftrek van de uitbetaalde voorschotten. (1)
Degene bij wie Johan August zijn schuld heeft uitstaan is Weurman. Dat kan niemand anders zijn dan Barend Harmen Weurman, een 62-jarige kleermaker aan de Nieuwendijk tussen de St. Jacobsstraat en de Armsteeg in Amsterdam. Hij is 35 jaar eerder samen met zijn broer en neef met de naam Wöhrman uit de plaats Hilter in het Teutoburgerwoud gearriveerd en vrijwel direct getrouwd. Zijn inkomsten komen uit zijn kleermakerij en uit het geven van krediet aan zeelui. Bij moeilijkheden trekt hij samen met mede-schuldeisers op, vertegenwoordigt hen of koopt hen vóór de vaart uit tegen een schappelijk bedrag.
De schuld ontstaat bij Johan August omdat Weurman hem voor het eerst een uniform van de Admiraliteit moet aanmeten. De omvang van deschuld betekent dat er tevens openstaande rekeningen van genoten logies, voedsel en drank bij moeten zitten. Kennelijk heeft hij een tijdje onder de ruim 200.000 Amsterdammers gebivakkeerd. Een maand na de aanmonstering overlijdt Weurman. Daarmee is Johan August niet van zijn schuld verlost, want de weduwe treedt in diens plaats. (2)
Kapitein Hartsinck is pas een week bezig met het werven van bemanning, na opening van de monsterrol door het College van de Admiraliteit van Amsterdam. Hij heeft de opdracht om ultimo oktober 1793 totaal 230 koppen aan boord te krijgen. Koppen zijn matrozen en soldaten. Zijn prioriteit ligt bij de bemanning, die essentieel is voor het bevaren van zijn schip, zoals schippers, stuurmannen, timmermannen, zeilmakers en een smit. Tegelijk trekt hij de belangrijkste mannen aan voor het voeren van oorlog: luitenants en konstabels. Ook heeft hij personeel nodig voor het verzorgen van de bemanning: chirurgijns, koks, bakkers en botteliers. (3)
Pieter Hartsinck is de dertigjarige jongste zoon van de vijf jaar eerder overleden vice-admiraal Andries Hartsinck. Zijn eerste wapenfeit was in de Vierde Nederlands-Engelse Oorlog, toen hij in 1781 op net achttienjarige leeftijd dapper als luitenant deelnam aan de beroemde Slag bij de Doggersbank. Daarna was hij vijf jaar lang kapitein tweede klasse van de schoener De Vliegende Visch op de Middellandse Zee. Toen Frankrijk heel recent op 1 februari 1793 de oorlog verklaarde aan het op land en ter zee nauwelijks voorbereide Nederland, was hij op 15 maart commandant geweest op een Scheveningse pink met 12 man en twee 12-ponders op de Merwede voor Hardinxveld. Zo hielp hij de Frans-Bataafse invasie onder Dumouriez een halt toeroepen en terugdrijven.
Het soldij van Johan August gaat pas tellen zodra hij aan boord gaat of met uitdrukkelijk verlof van de kapitein aan wal is. Daarom loopt hij nog diezelfde dag met zijn geld en spullen in een half uurtje van het Prinsenhof naar het schip bij de Admiraliteitswerf. Die ligt op Kattenburg, het voorste van de Oostelijke Eilanden. Rond de brug naar het eiland speelde zich op de dag nauwkeurig zes jaar eerder ‘Bijltjesdag’ af.
Kattenburgerbrug 29 mei 1787
Patriottische vrijkorpsen voor de brug, opgehaald door Prinsgezinde scheepstimmerlieden (Bijltjes). Na kappen van de brugtouwen bestormen zij een dag later Kattenburg en nemen bloedig wraak. De aanhouding van prinses Wilhelmina bij Goejanverwellesluis een maand later leidt alsnog tot de Pruisische inval en de vlucht van Patriotten naar Frankrijk.
Links vooraan op het eiland ligt het enorme Zeemagazijn. Het is net helemaal hersteld en wit bepleisterd, nadat het twee jaar eerder totaal was uitgebrand, tot op de zwart geblakerde buitenmuren, al dan niet door sabotage van de Patriotten. De voorraden tuigage, zeilen, vlaggen, scheepsuitrusting, artillerie, voedsel en opgevangen regenwater in het tonnengewelf onder de binnenplaats. Rechts liggen smalle straatjes en woningen met verdiepingen en links de langgerekte scheepswerf, waar de werklieden wonen en werken.
’s Lands Dok, Werf en Zeemagazijn op Kattenburg
Johann Wilhelm Winther 1730
1. Brieven van M.A. van Alphen en J.M. Reinders, 19 september resp. 3 oktober 2024 [CH-802]. H. Landheer, “Een mandceelhouder en zijn klanten” en “De bankiers van de marine”, Historisch Tijdschrift Holland 2013, nr. 3/4, pag. 137-145 en 2014, nr. 4, pag. 211-221.
2. Testament weduwe Weurman 3 Feb 1794, Stadsarchief Amsterdam 5075, Inv 16412, N.0 73.
3. Resolutiën Admiraliteit van Amsterdam, Nationaal Archief 1.01.46, Inv 1506, 22 en 28 mei 1793.
