1.6.1. Weduwnaar

De Denen besluiten de oorlog verder te escaleren. Zij willen de 50 jaar eerder verloren gegane provincies Skåne, Halland en Blekinge in Zuid-Zweden terug veroveren. Op 1 oktober verklaren zij de oorlog aan Zweden en steken op 2 november met 15.000 man de Sont over. Al snel hebben ze het hele gebied in handen, op de steden Landskrona en Malmö na. Stenbock is op dat moment gouverneur-generaal over Skåne en bouwt haastig een krijgsmacht op. Hij biedt zijn oude vijand Von Meijerfeldt aan zijn plaatsvervangend bevelhebber te zijn. Deze weigert vanwege zijn nog niet geheel genezen beenbreuk en ziekelijke staat, maar neemt wel zitting in de generale staf. Als tijdens een krijgsberaad op 25 november veel collega’s pleiten voor een afwachtende houding om het leger eerst op te bouwen en de winter voorbij te laten gaan, zegt Johan August weliswaar nog geen slag te willen leveren met de vijand, maar hem wel te willen ‘chicaneren’ met kleine aanvallen. Stenbock steunt hem en aldus wordt besloten. (1)

Op 1 februari 1710 voegt Johan August zich vanuit Stockholm in het hoofdkwartier van Stenbock in Osby, op veilige afstand van de Denen. Daar vindt opnieuw een krijgsraad plaats en besloten wordt dat de tijd rijp is om slag te leveren. Johan August reist naar Halmstad om Fersen met zijn troepen van het plan en zijn aandeel daarin op de hoogte te stellen. De Duitser Henric Hölterling meldt dat hij Von Meijerfeldt ontmoet en hem de troepensterkte weet te ontfutselen, om de Russen hiervan op de hoogte te stellen; dit verhaal komt geheel voor eigen rekening. (2) Johan August is op 10 februari terug in het hoofdkwartier om verslag te doen. Op 18 februari trekken Stenbock en Von Meijerfeldt ieder aan het hoofd van de helft van de cavalerie in zuidwestelijke richting op. Dicht achter hen volgt de infanterie met kanonnen en bagage.

Op 28 februari 1710  woedt de Slag bij Helsingborg. Johan August leidt de cavalerie op de rechterflank. Zijn eerste linie staat onder generaal-majoor Ascheberg en zijn tweede onder kolonel Dücker. Ook Wilhelm Bennet strijdt weer onder zijn commando. Meijerfeldt valt het Deense centrum van ingenieurstroepen aan. Deze is net aan het terugwijken, waardoor er een gat met het naastgelegen Deense regiment mariniers ontstaan. Daardoor weet hij opeens door te dringen tot bij de zware artillerie van de Denen. Hij krijgt veel vuur om zijn oren en weerstaat twee vijandelijke regimenten. Daarna kunnen Sparrfeldt en Taube zich op de grenadiers storten.

De Deense commandant ziet dat verzet vruchteloos is. Hij bemerkt dat  Johan August niet naar binnen trekt om de Zweedse cavalerie op de linkervleugel te ontmoeten en hem in te sluiten. In plaats daarvan  achtervolgt hij de grenadiers rechtdoor en weet een pas te veroveren. De commandant ontdekt een tweede route door de nog bestaande opening, waarlangs de Denen met zware verliezen weten te ontsnappen. (3)

Zo is het geoefende Deense leger verpletterend verslagen door de ongeoefende boerenmilities van Zweden. In zijn officiële rapport aan Stockholm roemt Stenbock Johan August’s dapperheid. Vertrouwelijk kritiseert Stenbock Johan August heftig over de zinloze achtervolging van de Deense grenadiers. Hij ziet hem nog zo zeer als zijn vijand, dat hij hem zelfs de hierdoor veroorzaakte ontsnapping van de Deense hoofdmacht aan capitulatie aanwrijft. (4)

Naar aanleiding van de overwinning wordt het volgende Zweedse versje gemaakt: (5)

Då Tolffte CARL i Swerie Rår/
Nytt folck i Fält med Stenbock går/
En Meyerfelt för Krigs=Råd står/
Och Burensckiöld gie bräck förmår;
Gifs Danske Fredrichs Hiärta Sår;
Then Gudi geckar/Straff han får.
Thet ses af Sinne=Bilden war.
Da Schwedens zwölfften Carl regiert /
Graf Stenbock neues Volck anführt /
Und Meyerfeld den Kriegs-Rath ziert /
Auch Burenschild die Macht turbirt;
Ward Dännmarcks Friedrichs Hertz gerührt;
Gott straft den doch Der Ihr vexirt.
Diesz Denckbild hats klar praesentirt.

In het Zweeds lijkt het of Johan August als gedaagde voor de Krijgsraad staat, maar in de Duitse versie staat de juiste uitleg dat hij naast Stenbock als luitenant-generaal aan de Krijgsraad vóór de slag deelneemt.

Helemaal aan de andere kant van de Oostzee gaat de belegering van Riga door. Het garnizoen van 4.500 man houdt maar liefst acht  maanden stand tegen de grote Russische overmacht. De honger en de pest zijn een veel grotere vijand en halveren de bevolking. Onder de doden bevindt zich Jakob Johan von Meijerfeldt, de zoon van Anna Christina Hastfer en de in Poltava omgekomen Carl Fredrik von Meijerfeldt. Hij wordt begraven in de kerk van Festen (Vestina) of Oberpahlen. (6)

De Koninklijke Raad in Stockholm weet niet wat te doen en vraagt militair advies. Johan August pleit op 9 april voor steun aan Riga met het argument dat Pommeren anders als volgende verloren gaat. Hij adviseert zes ervaren niet-actieve regimenten tijdelijk naar Lijfland te sturen om daar nieuwe regimenten op te zetten. Deze ontzettingsmacht zou gelijk droog brood voor drie maanden moeten meebrengen. Ook bepleit hij een landing op Sealand om de Denen in het gareel te houden. De andere militaire adviseurs bepleiten niets te doen.

Op 29 april probeert Johan August het nog eens met een memorandum “Betänkande ang. hjälp åt Östersjöprovinserna”. (7) Dit brengt de andere adviseurs in moeilijkheden, omdat de koning alles van een afstand volgt. Op 2 mei komt de Defensiecommissie bijeen, waarvoor Johan August wordt uitgenodigd. Hij krijgt van iedereen de wind van voren het memo geschreven te hebben en verlaat de vergadering teleurgesteld met het aanbod het in te trekken. In een 12 punten document besluit de commissie van actie af te zien. Voor het garnizoen van Riga is er daardoor geen andere weg meer zich op 10 juli 1710 over te geven. De capitulatievoorwaarden die de tsaar aan Sherementev meegeeft zijn uiterst gunstig voor de burgerij van Riga en voor de Lijflandse Ridderschap. De Duits-Baltische adel krijgt de door de Zweedse koning gereduceerde landgoederen terug en de Zweedse belastingen op allerlei handelsgoederen vervallen. Uit de boeken van de door de Moskovieten belegerde stad Riga blijkt de weduwe Meijerfeldt, dus Anna Christina Hastfer, met 7 personen in de stad te zijn. (8) Volgens de capitulatievoorwaarden krijgt zij met de Zweden onder graaf Strömberg vrijgeleide naar Reval en vandaar per schip naar Zweden. 

In Stockholm bevalt Anna Maria Törnflycht van een dochter Carolina. Het kind wordt op 16 juli in de Grote of Nicolaikerk gedoopt. Johan August is natuurlijk aanwezig, maar ook oom Wolmar Johan als getuige. Andere getuigen zijn oom Horn, oom Törnflycht, tante Piper en nicht Blixenstierna. Dan slaat het noodlot toe. Anna Maria en Carolina worden binnen een week zwaar ziek en overlijden op 24 juli. De klokken van de Nikolaikerk worden geluid. Twee dagen later worden zij in die kerk opgebaard met een dekkleed. Op 28 juli 1710 worden zij in het familiegraf van Törnflycht in de Jakobkerk in Stockholm begraven. Hoogstwaarschijnlijk zijn moeder en dochter net als neefje Jakob Johan in Riga slachtoffer van de pestepidemie, die op dat moment ook in Zweden heerst en ondermeer aan eenderde deel van de bevolking van Stockholm het leven kost. Zo is Johan August plotseling weduwnaar zonder kind. (9)

Terug   ***   Verder

1. A. Stille, “Kriget i Skåne 1710-1711”, Militärlitteratur-föreningens förlag, Stockholm 1903, pag. 79-80.
2. C.G. Grimberg, “Svenska folkets underbara öden”, deel 5, Stockholm 1916, pag. 276.
3. A. Stille, pag.212.
4. E. Carlson, “Sveriges Historia under Karl den tolftes regering”, Stockholm 1910, deel 3, pag. N132, noot 880.
5. Kungliga Biblioteket, Vitt. Sv. Ex B vers Kgl. Carl XII Br. 1700-1829 FOL 1710.
6. Latvijas Valsts Vestures Arhivs, Bestand 4011: Perso­nen in Riga und im Balti­cum, Register II, Akte 3752. [DL; CH/236c]
7. Arfwidsson, “Försvaret”, pag. 312, noot 34, “J. H. Meijerfeldts betänkande ang. hjälp åt Östersjöprovinserna, dat. d. 29 april 1710, St. nord. kriget, Volym 19.
8. C. Schirren, “Die recesse der livländischen Landtage aus den Jahre 1681 bis 1711”, Dorpat 1865,
pag. 305. Fr. OberstL v. Meierfeldt is eigenlijk een rang te laag voor Anna Christina von Meijerfeldt-Hastfer, maar misschien was zijn promotie tot kolonel niet doorgedrongen tot Riga.
9. Stockholms Stadsarkivet, 0016. Nikolaj eller Stor Kyrkoarchiv Stockholm, C Ia 1/6 Födelse och dopböcker 1705-1717, fo. 132; bok 36, Döda 1681-1725, fo. 414-416v. L I a 1/74 Kyrkoräkenskaper 1710, folio 33 en folio 236-237.