Vooral Carl en Marie maken de Duitse bezetting intensief mee. Al kort na de capitulatie stopt een arrestantenwagen voor hun huis in Voorburg. De Wehrmacht pakt alle inwoners met militaire status op. Twee soldaten kunnen Marie met moeite in bedwang houden. Carl geeft al zijn persoonlijke bezittingen af. Bij het verhoor weet hij de officier in vloeiend Duits af te blaffen. Na afloop biedt deze zijn verontschuldigingen aan. Carl krijgt de indruk dat ze hem vanwege zijn achternaam voor een in de jaren ’30 in Nederland gestationeerde Duitse spion houden. Na een overvloedig diner, een overnachting en ontbijt wordt hij met een limousine naar zijn hevig verontruste vrouw teruggebracht.
De bezetting heeft voor Carl en Marie nog een andere verrassing in petto. Zij worden in 1942 net als 135.000 andere bewoners uit hun huis verbannen als gevolg van de aanleg van de Atlantikwall tegen een geallieerde invasie. De Duitsers slopen huizen in een zigzagstrook langs de Haagse kust voor bunkers, afweergeschut, een brede antitankgracht en een schootsveld. Voor de herhuisvesting van de bewoners krijgen niet-actieven of niet economisch aan de regio gebonden personen de last om naar het oosten te gaan. Daardoor moeten zij de Van Egmondestraat 4 ontruimen en vinden in Nijmegen huisvesting. Daar is het niet veilig, want Marie overleeft maar net een geallieerd bombardement, waardoor de buurhuizen in de Samatrastraat aan weerszijden getroffen raken.
Jan en Maria verhuizen met hun twee dochters toevallig één dag voor het uitbreken van de oorlog naar de derde étage van de Rijnstraat 174 in Amsterdam. Aan het eind van de oorlog – vermoedelijk op Dolle Dinsdag – wordt Jan in restaurant De Rode Leeuw belaagd door mensen die zijn achternaam horen uitspreken. Hij moet driemaal achtereen Scheveningen zeggen. De belagers horen hem Hollandse g’s en geen Duitse k’s uitspreken. Opgelucht kan Jan zijn weg vervolgen.
To laat haar militaire echtgenoot Piet vanwege de ervaringen van broer Carl onderduiken bij zus Ans aan de Leidsegracht in Amsterdam. Dat doet zij nota bene nadat zij zich twee dagen na de inval van hem heeft laten scheiden. Zij verhuist in 1942 naar Ermelo, waar zij aan de Vondellaan 44 woont. Een jaar later keert ze terug naar Ans aan de Leidsegracht, omdat haar ondergedoken ex-man daar is overleden.
Na de oorlog keren Carl en Marie niet terug naar de Van Egmondestraat 4 in Voorburg, maar gaan in Den Haag aan de Citroenstraat 48 wonen. De zussen Ans en To komen daar ook wonen. Ans gaat begin 1945 met pensioen bij het Antonie van Leeuwenhoekhuis. Daniël den Hoed was tien jaar eerder al uit het leven van Ans verdwenen door directeur van het Radiotherapeutisch Instituut in Rotterdam te worden, te trouwen met radiologe Sytske Sytsema en drie kinderen bij haar te krijgen. Hij overlijdt in 1950 na twee hartinfarcten, maar zijn naam leeft voort in het Rotterdamse instituut.
Carl overlijdt op 18 oktober 1949 op 66-jarige leeftijd in Den Haag. Ans en To besluiten samen met een vriendin in Zeist te gaan wonen. Daar overlijdt Ans op 1 februari 1953 op 63-jarige leeftijd aan darmkanker, doordat zij jarenlang zonder stralenbescherming operatiezuster was. To verhuist dat jaar naar Rijswijk, eerst op de Geestbrugweg en kort daarop de dr. Poelslaan. In Amsterdam leeft het gezin van Jan en Maria met hun twee dochters al die tijd in de Rijnstraat. Daar overlijdt Jan op 17 maart 1959 op 73-jarige leeftijd. In de jaren zestig overlijden drie weduwen: in 1965 Marie van der Straaten, in 1966 Maria Candel en in 1968 To von Meijenfeldt.

Jopie en Gretha von Meijenfeldt met hond Sissie
Alleen Jopie en Gretha, de dochters van Jan en Marie, zijn dan nog in de tak Van Leusden over. Jopie is telegrafiste bij de PTT en Gretha werkzaam bij de CSM in Halfweg. Zij blijven ongetrouwd en verhuizen in 1984 samen naar Alkmaar. Daar overlijdt Jopie in 1995 en Gretha in 2005, die de tak Van Leusden van de familie Von Meijenfeldt afsluit.
