Carl (1883-1949)
De oudste zoon in het gezin Van Leusden is Carl von Meijenfeldt. Hij is in Dordrecht geboren op 3 april 1883.
In 1902 registreert Carl zich vanwege zijn 19de verjaardag bij de gemeente Dordrecht voor de Nationale Militie. Zijn lengte bedraagt 169,6 centimeter en bijzondere kenmerken heeft hij niet. Hij trekt lotnummer 72. Met dit lage nummer moet hij in dienst. Een jaar eerder was een nieuwe Militiewet aangenomen, die een einde maakte aan nummerwisseling en plaatsvervanging. Op 5 maart 1903 wordt hij ingedeeld bij het Zesde Regiment Infanterie onder stamboek nummer 94311. Zijn werkelijke dienst begint op 12 mei met een opleiding tot onderofficier. Op 7 september is hij korporaal en op 24 december sergeant. Na 9½ maand eerste oefening en opleiding gaat hij op 30 maart 1904 met groot verlof.
Thuis treft Carl zijn ernstig zieke vader Evert aan, die ruim een jaar later sterft. Hij gaat op herhaling naar zijn regiment van 23 juli tot 11 augustus 1906, van 3 tot 28 augustus 1908 en van 26 juni tot 8 juli 1911. Per 1 augustus 1911 volgt zijn overplaatsing naar de Landweer. Dat is het tien jaar eerder gevormde nationaal reserveleger voor het leveren van bezettings- en bewakingstroepen. Het bestaat uit dienstplichtigen als Carl en uit vrijwilligers, onder andere uit de opgeheven Schutterijen. In de Landweer wordt hij met stamboek nummer 896 als sergeant ingedeeld bij het 30ste Bataljon Infanterie. Zijn groot verlof duurt voort. Van 23 tot 28 september 1912 gaat hij nog eens op herhaling.
Carl heeft kantoorbanen en doet vrijwilligerswerk. In 1906 is hij secretaris van de Gereformeerde Jongelingen Vereniging Samuël, in 1909 waarnemend secretaris van de bondsring Dordrecht en omstreken en 1913 lid van de Nederlandsche Vereniging van Christelijke Kantoor- en Handelsbedienden, afdeling Dordrecht. Dat jaar is hij tevens diaken in de gereformeerde Wilhelminakerk.
Op 1 augustus 1914 moet Carl zich bij de Landweer melden. Het leger is gemobiliseerd vanwege de uitbrekende Eerste Wereldoorlog, waar Nederland buiten weet te blijven. Carl ligt aan de Limburgse grens bij Eijsden. Op 18 februari 1916 krijgt hij gewoon verlof. Hij woont een tijdje bij zijn moeder Jo, die met pensioen is gegaan en aan de Emmastraat 16 rood in Dordrecht is gaan wonen. In 1916 wordt hij overgeplaatst naar Amsterdam, waar hij met broer Jan achtereenvolgens aan de Overtoom, de Prinsengracht, de Jacob van Campenstraat en de Bilderdijkkade 31 woont. Op 31 december 1918 krijgt hij ontslag uit de Landweer en voltooit zijn zevenjarige dienstplicht in de Landstorm tot 1 september 1919.
In 1920 krijgt Carl een functie in het bureau van de Nationale Landstorm Commissie in Den Haag. Deze commissie is door de regering opgericht ter ondersteuning van het wettig gezag tegen omverwerping, aanvankelijk gericht tegen socialisten, maar al snel blijken de fascisten de werkelijke vijand. Carl oefent verschillende functies uit, zoals propagandist voor de financiën en adjunct van de secretaris G.F. Boulogne.
Op 22 februari 1930 treedt de bijna 47-jarige in het huwelijk met Marie van der Straaten.

Carl “het Pastoortje” von Meijenfeldt & Marie van der Straaten
De bruid komt ook uit Dordrecht, waar zij de oudste dochter is uit een slagersfamilie. Als kind moest zij vanaf 12 uur ’s nachts schoonmaakarbeid verrichten in de slagerij van haar vader. Ondanks haar leeftijd kost het haar nu zelfs de grootste moeite om uit het ouderlijk huis weg te komen.
Slagerij Jan van der Straaten in Dordrecht
Uiteindelijk vindt de huwelijksvoltrekking ook in Dordrecht op 27 augustus 1930 plaats. Op 28 augustus 1930 gaan zij op de Laan van Middenburg 32 in Voorburg wonen, samen met moeder Jo.
Marie is 40 jaar oud en kinderen gaan er niet meer komen. Op 23 juni 1933 verhuizen Carl en Marie met moeder Jo naar de Van Egmondestraat 4 in Voorburg. Zus To komt daar ook kort wonen. Carl wordt in de kerk collectant. Als hij eens een zware steen van de twee dochters van broerJan in de zak krijgt, legt hij deze kalm bij de kansel met de woorden: “Dit is een steen des aanstoots”.
Carl en Marie maken de Duitse bezetting intensief mee. Al kort na de capitulatie stopt een arrestantenwagen voor hun huis in Voorburg. De Wehrmacht pakt alle inwoners met militaire status op. Twee soldaten kunnen Marie met moeite in bedwang houden. Carl geeft al zijn persoonlijke bezittingen af. Bij het verhoor weet hij de officier in vloeiend Duits af te blaffen. Na afloop biedt deze zijn verontschuldigingen aan. Carl krijgt de indruk dat ze hem vanwege zijn achternaam voor een in de jaren ’30 in Nederland gestationeerde Duitse spion houden. Na een overvloedig diner, een overnachting en ontbijt wordt hij met een limousine naar zijn hevig verontruste vrouw teruggebracht.
De bezetting heeft voor Carl en Marie nog een andere verrassing in petto. Zij worden in 1942 net als 135.000 andere bewoners uit hun huis verbannen als gevolg van de aanleg van de Atlantikwall tegen een geallieerde invasie. De Duitsers slopen huizen in een zigzagstrook langs de Haagse kust voor bunkers, afweergeschut, een brede antitankgracht en een schootsveld. Voor de herhuisvesting van de bewoners krijgen niet-actieven of niet economisch aan de regio gebonden personen de last om naar het oosten te gaan. Daardoor moeten zij de Van Egmondestraat 4 ontruimen en vinden in Nijmegen huisvesting. Daar is het niet veilig, want Marie overleeft maar net een geallieerd bombardement, waardoor de buurhuizen in de Samatrastraat aan weerszijden getroffen raken.
Na de oorlog keren Carl en Marie niet terug naar de Van Egmondestraat 4 in Voorburg, maar gaan in Den Haag aan de Citroenstraat 48 wonen. Carl overlijdt daar op 18 oktober 1949 op 66-jarige leeftijd. Zijn weduwe Marie van der Straaten overlijdt 74 jaar oud op 4 maart 1965.
