
| Gezin Kennedij 3 = Augustijnenkerk, Nederlands Hervormd 29 = Kromhout, aan overkant huis nr. 61 |
Gezin Van Leusden 8 = Wilhelminakerk, Gereformeerde Kerken 27 = Varkenmarkt, aan overkant de brouwerij 30 = rechts G. Schalcken Singel, aan overkant huis nr. 52 rood |
In Dordrecht leeft de familie tijdens de eeuwwisseling op twee adressen. Op de (Lange) Kromhout nr. 61 woont tante Naatje Kennedij, de weduwe van Hendrik von Meijenfeldt. Daar woonde kort voor zijn huwelijk haar neef Evert Diederich von Meijenfeldt, die inmiddels met zijn gezin op de (Godfried Schalcken) Singel woont, eerst nummer 48a, daarna nummer 52 rood. De toevoeging rood betekent een eigen voordeur met opgang naar de bovenverdieping. Naatje bezoekt de hervormde Augustijnenkerk, Evert de gereformeerde Wilhelminakerk, een Kuyperiaanse koepelkerk.
Evert is sinds 1901 ouderling in de Wilhelminakerk
Everts vrouw Jo van Leusden was van zeven kinderen bevallen, van wie vijf leven:
1. Carl, 3 april 1883.
2. Johannes Gerard, 15 oktober 1884.
3. Petronella Wilhelmina, 12 december 1887.
4. Johanna Elisabeth, 15 februari 1890.
5. Catharina Margaretha, 1 januari 1892.
6. Maria Johanna, 13 oktober 1897, overleden 31 juli 1898 (9 mnd).
7. Frieda, 13 oktober 1897, levenloos.
Bij het gezin wonen achtereenvolgens de dienstboden Cornelia Biezeveld, Jansje van Efferen, Adriana Bervoets en Elizabeth van Wijnen.
De dochters Nel, Ans en To von Meijenfeldt
Tweede zoon Jan viert op 15 oktober 1900 zijn zestiende verjaardag. Een week later reist hij naar Amsterdam voor een opleiding in de banketbakkerij op de Quellijnstraat 80. De koekbakkers Willem van der Bend en Johann Wilhelm Westerhoff hebben die een maand eerder geopend. De laatste was in Rotterdam met Pieternella van Leusden getrouwd, met haar zwager Evert als getuige. De moeder van de zussen Johanna Geertruij Grootenboer was al weduwe en meeverhuisd naar Amsterdam. Zo werd Jan warm ontvangen en bleef daar tot 5 oktober 1903 tot zijn opleiding was voltooid. Hij trekt thuis in Dordrecht voor de Nationale Militie het hoge lotnummer 368, waardoor hij niet in dienst hoeft.
Anders vergaat het oudste zoon Carl. Op 3 april 1902 trekt hij het lage nummer 75 voor de Nationale Militie. Hij regelt geen plaatsvervanger, maar vervult zijn dienstplicht en besluit zelfs in het leger te blijven.
Over de brouwerij aan de Varkenmarkt zwaait Evert al meer dan 20 jaar de scepter. De concurrentie van het heldere pils met witte schuimkraag is heftig. Vanwege het overschot op de Nederlandse markt besluit Hovij de Dordtse vestiging in 1904 te sluiten. Daarbij speelt een rol dat de gezondheid van Evert sterk achteruit gaat. Zodanig zelfs dat hij na een lang en pijnlijk ziekbed thuis op 13 juni 1905 overlijdt, pas 56 jaar oud. Voor Jo van Leusden bestaat geen weduwepensioen, dus moet zij zelf in haar inkomen voorzien. Dankzij het sociale hart van Hovij kan zij een kruidenierszaak beginnen, naast de Wilhelminakerk, op nummer 39. Zoon Jan heeft voldoende opleiding en ervaring om te helpen.
Oudste dochter Nel is psychisch niet de sterkste. Na het overlijden van haar vader, met wie zij een nauwe band had, kwijnt zij weg. De “Vereeniging tot Christelijke verzorging van krankzinnigen en zenuwlijders in Nederland”, waar Evert in het bestuur zat, ontvangt haar op het landgoed Bloemendaal in Loosduinen. In 1909 gaat zij naar het opgeleverde Psychiatrisch Ziekenhuis Vredelust in Bergen op Zoom. Vanuit haar ouderlijk huis in Dordrecht wordt zij begin februari 1911 ingeschreven, maar overlijdt daar twee maanden later op 23-jarige leeftijd.
Dochter Ans is op 6 november 1907 naar Enschedé vertrokken voor een opleiding tot verpleegkundige en keert 29 november van het jaar daarop naar huis terug. Zij volgt in Zwijndrecht een verdere opleiding en wordt daar wijkverpleegkundige.
Naatje Kennedij overlijdt op 10 oktober 1912 op bijna 90-jarige leeftijd in het ziekenhuis aan de Beverwijcksplein in Dordrecht. Een week later verzoekt de notaris herhaaldelijk in de krant om opgaaf, betaling of afgifte te doen aan allen die iets aan haar verschuldigd zijn of iets van haar te vorderen hebben of onder hun berusting hebben.

Derde dochter To gaat inwonen bij het artsengezin De Bruijne-van der Tas in Leiderdorp. Tante Cato von Meijenfeldt komt daar ook wonen. Later wordt zij gezelschapsdame in Goor (25 kilometer ten westen van Hengelo).
Jan is ouderling en broer Carl collectant in de Wilhelminakerk. Als de laatste eens een zware steen van zijn nichtjes in de zak krijgt, legt hij deze kalm bij de kansel met de woorden: “Dit is een steen des aanstoots”.
Op 31 juli 1914 wordt het leger gemobiliseerd. Nederland blijft weliswaar neutraal in de Eerste Wereldoorlog, maar wil de grenzen wel goed verdedigen. Carl is inmiddels eerste luitenant en wordt in Eijsden gelegerd. Daarna gaat hij met zijn moeder op de Emmastraat 16 rood in Dordrecht wonen. In 1916 wordt hij overgeplaatst naar Amsterdam, waar hij met Jan achtereenvolgens aan de Overtoom, de Prinsengracht, de Jacob van Campenstraat en de Bilderdijkkade 31 woont. Jan is vertegenwoordiger voor allerlei levensmiddelen, onder andere Klokzeep. In het jaar 1918-1919 valt hij in als bedrijfsleider bij “De Hand naar Leiden” van zijn tante Cato von Meijenfeldt vanwege ziekte van haar zoon Leendert Carl van der Tas.
