N.57. Kreber

Johan August von Meijenfeldt draagt na de eeuwwisseling zijn welbekende voornamen als enige in de derde generatie van de familie. Vóór zijn geboorte droeg een zoon van oom Hendrik die namen ook, maar leefde had nog geen zes weken.

Jan noemt iemand zijn vrouw, maar staat met haar niet aan de basis van een familietak. Bij de familiepapieren bevindt zich namelijk een gedicht eindigend met Uw Liefhebbende Vent Johan August Von Meijenfeldt. Het opent met Aan mijn lieve vrouw Keetje Kreber!!!

Sinterklaasgedicht (eerste regels)

Blijkens het vijftig rijmregels tellende gedicht reageert hij op een schimpdicht van haar, dat een man van taal als hemzelf heeft gekweld vanwege de vele spelfouten en bovenal zijn verkeerde naam Goehan. Op advies van St. Nicolaas geeft hij haar geen geschenk maar met de roe op haar bil. Hij zegt een afbeelding van hemzelf bij te sluiten, maar dat ontbreekt, helaas. 

Bij jongvolwassenen was het rond 1880 in zwang gekomen om elkaar op deze manier ironische en liefdevolle verklaringen te doen. De genoemde Keetje is hoogstwaarschijnlijk Cornelia Henderica, dochter van oom Pieter Kreber en tante Keetje Diederich. Dit gedicht helpt niet, want een klein jaar later was Keetje niet met hem, maar met de Utrechtse pianostemmer Johan Antoon Wagenaar getrouwd. Voor de rest van zijn leven blijft Jan vrijgezel en woont in het familiehuis van zijn ouders Carl en Nel en het gezin van broer Frits en Engeltje. 

Jan werkt net als broer Frits bij de Amsterdamsche Duinwater-Maatschappij. De fusie naar de Gemeentelijke Waterleidingen in 1896 verhindert niet had hij op 1 april 1898 zijn 25-jarig ambtsjubileum krijgt.


Familiearchief N.57

Dertig collega’s bieden hem een huldeblijk aan. Het College van Burgemeester en Wethouders en zijn chefs geven hem geschenken en ‘andere bewijzen van waardering en hoogachting’. In 1899 wordt hij chef van de onderafdeling Algemene Zaken op het stadhuis, met een jaarwedde van 2.000 gulden. In de jaren 1902 tot en met 1906 krijgt hij verhogingen toegekend.

Net als de hele familie is Jan actief in de kerk. In 1909 richt de Kerkenraad een vereniging op om renteloze voorschotten aan lidmaten van de gereformeerde kerken in Amsterdam te verstrekken. Hij treedt toe tot het bestuur, dat voor elk verzoek een voorafgaand grondig onderzoek instelt onder toezicht van prof. P.A. Diepenhorst. 

Op zijn werk krijgt Jan in 1910 een persoonlijke toelage en op 1 juli 1911 een aanstelling als Bureauchef. Op 15 april 1914 gaat Jan met pensioen, enkele maanden na het overlijden van broer Frits. Dat is geen leeftijdspensioen, want hij is 56 jaar oud. Hij vertrekt om medische redenen, moet een geneeskundige verklaring overleggen en de gemeente moet zijn persoonlijke toelage toelichten. Het rijkspensioen wordt vastgesteld op f 673 per jaar en het aanvullende gemeentepensioen op f 1.083, met f 250 te verlagen zodra hij 61 jaar oud is. Een maand later op 19 mei 1914 verhuist Jan mee met de weduwe en kinderen van Frits naar de Linnaeusparkweg 13 in de aangrenzende gemeente Watergraafsmeer.

Op 3 juli 1918 overlijdt Jan 60 jaar oud in het Burgerziekenhuis van Amsterdam na een langdurig doch geduldig gedragen lijden. De volgende dag is zijn begrafenis op de Oosterbegraafplaats voor f 25,- met een toeslag van f 10 voor het buitengewone uur.

Terug   ***   Verder