In de derde generatie van de familie leeft tijdens de eeuwwisseling één Johan August von Meijenfeldt. Hendriks tweede zoon had de voornamen gekregen, maar was vroeg overleden. De vierde zoon van Carl die volgens zo was gedoopt woont in bij het gezin van zijn broer Frits en werkt ook bij hetzelfde bedrijf.
Net als in het Zweedse geslacht heeft de Johan August van de derde generatie geen vrouw en nakomelingen. Toch zit bij de familiepapieren een gedicht eindigend met Uw Liefhebbende Vent Johan August Von Meijenfeldt. Het opent met Aan mijn lieve vrouw Keetje Kreber!!!
Sinterklaasgedicht (eerste regels)
Blijkens het vijftig rijmregels tellende gedicht reageert hij op een schimpdicht van haar, dat een man van taal als hemzelf heeft gekweld vanwege de vele spelfouten en bovenal zijn verkeerde naam Goehan. Op advies van St. Nicolaas geeft hij haar geen geschenk maar met de roe op haar bil. Hij zegt een afbeelding van hemzelf bij te sluiten, maar dat ontbreekt.
Bij jongvolwassenen was het rond 1880 in zwang gekomen om elkaar op deze manier ironische en liefdevolle verklaringen te doen. De genoemde Keetje is hoogstwaarschijnlijk Cornelia Henderica, dochter van oom Pieter Kreber en tante Keetje Diederich. Dit gedicht gooit blijkbaar roet in het eten, want een klein jaar later was Keetje niet met Johan August III, maar met de Utrechtse pianostemmer Johan Antoon Wagenaar getrouwd.
Ondanks de fusie van de Duinwater-Maatschappij naar de Gemeentelijke Waterleidingen in 1896 had Johan August wel zijn 25-jarig ambtsjubileum per 1 april 1898 gekregen.

Familiearchief N.57
Dertig collega’s hadden hem een huldeblijk aangeboden. Het College van Burgemeester en Wethouders en zijn chefs geven hem geschenken en ‘andere bewijzen van waardering en hoogachting’. In 1899 was hij chef van de onderafdeling Algemene Zaken op het stadhuis geworden, met een jaarwedde van 2.000 gulden. In de jaren 1902 tot en met 1906 krijgt hij daarop verhogingen.
Net als de hele familie is hij actief in de kerk. In 1909 richt de Kerkenraad een vereniging op om renteloze voorschotten aan lidmaten van de gereformeerde kerken in Amsterdam te verstrekken. Hij treedt toe tot het bestuur, dat voor elk verzoek een voorafgaand grondig onderzoek instelt onder toezicht van prof. P.A. Diepenhorst.
Op zijn werk krijgt Johan August in 1910 een persoonlijke toelage en op 1 juli 1911 een aanstelling als Bureauchef. Hij gaat op 15 april 1914 met pensioen. Dat kan geen leeftijdspensioen zijn, want hij is 56 jaar oud. Hij moet een geneeskundige verklaring overleggen en de gemeente moet zijn persoonlijke toelage toelichten. Zijn rijkspensioen wordt vastgesteld op f 673 per jaar en het aanvullende gemeentepensioen op f 1.083, met f 250 te verlagen op zijn 61ste verjaardag. Zover komt het niet, want op zijn 60ste op 3 juli 1918 overlijdt hij in Amsterdam.
