1.6.9. Ambten neergelegd

De jonge graven Meijerfeldt zijn nu beiden van de oorlog naar Stralsund teruggekeerd. Carl Friedrich jr wordt op 19 november 1747 kapitein bij het garnizoensregiment waar zijn broer Johan August diende 1737-1744. Hij neemt die functie over van majoor (met kapiteinssalaris) Carnall. In het jaar daarop overlijdt regimentschef Schwerin en wordt opgevolgd door Cronhiort. Johan August jr keert terug als kapitein in het Lijfregiment van de koningin. Daar treft hij zijn oude kapitein Adlerstråhle als regimentschef, die de overleden Frölich dat jaar is opgevolgd. (1)

Hun oude vader weet van geen wijken. Koningin Ulrika Eleonora merkt met spottend medelijden in haar brieven op dat het hem erg veel moeite kost voor haar op zijn knieën te vallen. Als hij nog iets ouder wordt gaat zijn opmerkzaamheid zodanig achteruit, dat hij zich in kasteel Söfdeborg volledig in uniform en pruik laat optuigen om zich per rijtuig bij het koninklijke hof aan te dienen, maar terugkeert met het bericht dat het koningspaar afwezig is. (2)

legt sterk verzwakt rond de jaarwisseling van 1747 op 1748 al zijn ambten neer. Hij is dan meer dan 30 jaar Rijksraad geweest. Vanwege zijn afkomst uit Lijfland zou hij nooit Senator of Koningsraad hebben kunnen worden. (3) Hij trekt zich terug in Zweden op Sövdeborg. Op grond van zijn 84-jarige leeftijd bedankt hij bovendien voor de hem aangeboden nieuwe Serafimer Orde. Voor de oud-strijders telden de hoge officiersrangen en adellijke titels die ze van Karel XII hadden gekregen en hadden ze weinig op met deze nieuwe onderscheidingen. (4)

’s Gravenhaegsche Courant 15 januari 1748

In 1749 bezoekt Linnaeus – de beroemde Zweedse plantkundige en arts, die geruime tijd in de Nederlanden had gewerkt – de graaf in diens kasteel Sövdeborg: (5)

Graaf Meijerfeldt, rijksraad en gouverneur-generaal, heeft zich hier gevestigd, nadat hij zich door deugd, vlijt, verstand, dapperheid tot de hoogste ereplaatsen had opgewerkt, nadat hij koning Karel XII in legertochten was gevolgd, nadat hij vele jaren Pommeren had bestuurd, en nadat hij nu uiteindelijk alle hoge krijgsheren in leeftijd en leven overtreft, omdat hij hier zijn resterende dagen wil slijten; hij had nog immer een flinke buik en redelijke gezondheid, ondanks het door de hoge ouderdom verzwakte gebeente, uitspraak en zenuwen, maar overleed niet lang daarna.

Na een langdurige ziekte slaat op 9 november 1749 het laatste uur voor graaf Johan August Meijerfeldt sr: hij overlijdt in zijn kasteel Sövdeborg. Zijn lichaam wordt twee dagen later opgebaard. Op 22 november wordt het lichaam geëscorteerd naar de kerk van Sövde en daar onder het koor tijdelijk begraven. (5)

Sövde Kyrckoarchiv, Död- och begravningsböcker 1738-1775, folio 74.

Brita Barnekow neemt dan de leiding over de organisatie van een grootse begrafenis. Tien maanden later, op 29 september arriveert de lijkprocessie in de dichtbijgelegen havenstad Ystad. Voorop rijdt de stalmeester, daarna de lijkwagen getrokken door drie paar zwarte hengsten, geëscorteerd door zes geüniformeerde korporaals van de cavalerie, gevolgd door zo’n 20 koetsen gevuld met de familie, hoge adel, geestelijkheid en de burgerij. Aan de stadsrand bij de brug wordt de kist aan boord gebracht van het koninklijke jacht Prinses Lovisa Ulrica, met 64 kanonschoten en veel vertoond van zwarte en witte vlaggen en een blauwe wimpel. Na de processie gaat de kist aan boord van het koninklijke jacht Prins Gustaaf, dat zeil zet naar Pommeren. (7)

In Stralsund vindt op 19 oktober 1750 opnieuw een “hochansehnliche u. Standesmässige Procession” voor de overleden oud-gouverneur-generaal plaats en op 20 oktober een “hochgraffl. Begräbniss” in de kerk van Nehringen. Zijn lichaam wordt in het verfraaide familiegraf bijgezet. (8) Het lange tijdsverloop van bijna een jaar tussen overlijden en begrafenis brengt menig geschiedschrijver in verwarring. (9) Ter nagedachtenis aan haar man schenkt zijn weduwe een zilveren kan aan de dorpskerk van Täby bij Näsby en laat zij in 1770 de grote klok van Sövde omgieten.

 

1. Krigsarkivet Stockholm, 023 Generalmönsterrullor, 0/1272, fol 230, 0/1357, fol. 234.
2. F. Persson, Survival and Revival in Sweden’s Court and Monarchy, 1718–1930, pag. 61 en pag. 128.
3. “Maandelykse Berichten Uit de andere Waerelt, Of de spreekende dooden. Bestaande in Redeneeringen, tusschen allerhande verstorvene Potentaten en Personagien van Rang; zo van den Deegen, Tabbaart, Letteren, als anders”, Patkul-Görtz, december 1723, pag. 681.
4. C.F. Meijerfeldt, “Ode. (Sie betrift das vor einigen Jaren erfolgte Ableben der Wolsel. Frau Gräfin von Meyerfeldten, Excellenze.)”, Pommerschen Magazin deel 2, Stralsund/Greifswald 1776, pag. 18-19. B. von Beskow, “Karl den Tolfte. En Minnesbild”, Stockhom 1868, deel 1, pag. 276-278.
5. C. von Linné, “Carl Linnaei Skånska resa”, Stockholm 1999, pag. 302. M. Stenbock, “Bref till Carl”, KKD deel 12, Lund 1918, pag. 280, voetnoot.
6. Kyrckoarchiv Sövde, Död- och begravningsböcker 1738-1775, folio 74.
7. Posttidningar, 15-10-1750.

8. Evangelisches Pfarramb Glewitz, Kirchebuch Nehringen 1682-1792. C.F. Meijerfeldt, pag. 19.
9. In chronologische volgorde schrijft
Ranft (1753) Ystad, 23 november 1749, Stiernman (1754) Söfdeborg, 9 november 1749, Brüggemann (1779) en Duitse auteurs na hem 1750 en Elgenstierna (1930) Söfdeborg, 10 november 1749