1.6.8. In Keizerlijke krijgsdienst

Carl Friedrich Meijerfeldt jr wordt op 2 april 1740 eindelijk als verkenner aangesteld in het regiment, waarin hij al negen jaar als vrijwilliger dient: het Lijfregiment van de Koningin in Stralsund, dat inmiddels onder commando van kolonel Zülich staat. In de compagnie van majoor Schantz heeft hij weliswaar de officiersrang van verkenner, maar ontvangt hij het lagere soldij van de onderofficier fourier. Zülich geeft hem een maand later toestemming en een pas om met verlof naar Hamburg te gaan om enkele aangelegenheden te regelen. Wellicht door de lange aanloop valt Carl Friedrich jr op 7 april 1741 al een bevordering ten deel. Hij krijgt zelfs een luitenantsrang met vaandrigsloon in de compagnie van Krassow. Alsof dat te snel gaat verschuift hij op 30 juli als vaandrig met het daarbij horende soldij naar de compagnie van kapitein Hildstein. (1) 

Net als zijn vader en ooms zoekt Carl Friedrich jr naar mogelijkheden om oorlogservaring op te doen. Dat zal net als destijds in het buitenland moeten gebeuren. Door een groot gebrek aan officieren, die immers uitsluitend uit de adellijke kringen worden gerekruteerd, is het voor een jonge graaf niet zo moeilijk om op de Europese krijgstonelen te acteren. In navolging van zijn net overleden oom Wolmar kiest hij, met de nodige koninklijke goedkeuring, voor de Duitse keizer. Hij verruilt nog in 1741 Stralsund voor het front aan de Rijn, waar hij de succesvolle opmars van het Rijksleger tegen het zwakke Franse leger meemaakt. De vrouw van de Duitse keizer Frans I van Lotharingen, Maria Theresia, was in 1740 aartshertogin van Oostenrijk geworden. Diverse Oostenrijkse erfgebieden staan op het spel, ofwel omdat aanspraak op de erfenis van het Habsburgse Rijk wordt gemaakt (Pruisen in Silezië), ofwel omdat gebiedsuitbreiding wordt gezocht (Frankrijk in de Zuidelijke Nederlanden en enkele aangrenzende Duitse vorstendommen).

Anna Catharina Meijerfeldt treedt op 19-jarige leeftijd op 7 juli 1741 in Täby bij Stockholm in het huwelijk met graaf Adam Arvidsson Horn van Ekebyholm. (2) Deze graaf was op 25 november 1717 te Stockholm geboren als zoon van de hiervoor regelmatig genoemde staatsman graaf Arvid Bernhard Horn (1664-1742) en gravin Margaretha Gyllenstierna (-1740). De Meijerfeldts zijn sterk met het oude Finse geslacht Horn verbonden. Hinrik Meijer trad als ritmeester in dienst van Klas Horn, nadat deze met de Zweedse vloot in Reval (Tallinn) was geland en de Duitse Orde van Lijfland in 1562 was opgeheven. Johan August Meijerfeldt sr huwde in Günthersdorff met Anna Maria Törnflycht, de jongere zus van de vrouw van zijn militaire en politieke vakbroeder Arvid Bernhard Horn.

Ook de echtgenoot van Anna Catharina wordt een man van groot aanzien. Hij bekleedt ondermeer de functie van Staatsraad. Het echtpaar voert een grote hofhouding. Zo laten zij de schilder Pasch jr vier schilderijen voorstellende “De vier jaargetijden” maken voor hun buitengoed Fågelvik.

“De fyra årstiderna”, olieschilderij van Danckwardt Pasch d.y., 127 x 75 cm (4 stuks)
in opdracht van graaf Adam Horn en gravin Anna Catharina Meijerfeldt

Horn heeft talloze minnaressen en natuurlijke kinderen. Anna Catharina wordt later geleidelijk krankzinnig. Of de twee oorzaak en gevolg van elkaar zijn laat zich raden. Het echtpaar krijgt vier kinderen. Op 14 april 1742 wordt een zoon Arvid August geboren, die al een dag later overlijdt. Een dergelijk ongeluk overkomt hen niet met de tweede zoon Johan Gustav, die op 15 juni 1743 wordt geboren. Ook hun dochter Brita Margaretha, geboren op 24 oktober 1745, blijft in leven. Het vierde kind Ulrika Eleonora, dat 8 september 1748 op Fågelvik onder Stockholm wordt geboren, leeft echter maar tot 28 november.

Johan August sr en Brita Barnekow maken op 22 juli 1742 hun testament op. Daarin is over de land­goederen ondermeer geregeld dat de gravin na het overlijden van haar man het vruchtgebruik krijgt over alle landgoederen, terwijl de eigendom als volgt is verdeeld:
1) Sövdeborg, Ugerup en Barnarp voor Brita Barnekow en – na haar overlijden – voor Johan August jr, mits hij zijn broer 30.000 rijksdaal­der en zijn zuster 15.000 rijksdaalder betaalt;
2) Nehringen en Gammel Køgegård voor Carl Friedrich jr, mits hij zijn zuster voor ieder landgoed 15.000 rijksdaalder betaalt;
3) Medrow en Näsby voor Johan August jr, mits hij zijn zuster eveneens voor ieder landgoed 15.000 rijksdaalder betaalt.

De stoeterij van Nehringen is inmiddels beroemd om de magnifieke paarden die daar worden gefokt. De oude graaf blijft zijn band met het koninklijk huis benadrukken. Na de desastreus verlopen oorlog met Rusland is hij voldaan met de vrede in 1743. Hij is ook tevreden met de opgelegde keuze voor Adolf Frederik van Holstein als toekomstige koning van Zweden. Deze reist via Stralsund naar zijn nieuwe vaderland en overnacht op 20 september 1743 op Löbnitz, het landgoed van baron Schwerin, de commandant van Stralsund. Daar voegt de gouverneur-generaal zich met zijn regering bij hem in een imposante stoet richting Stralsund: een Moorse trompetter voorop, dan in blauw geklede kooplieden, vervolgens de regenten afgesloten door graaf Meijerfeldt en tenslotte de koninklijke garde met de kroonprins en diens broer ieder in een rijtuig met zes paarden. In Stralsund verdringen de soldaten en burgers zich langs de kant en vanaf de drie kerktorenspitsen klinkt trompetgeschal, alsook kanon- en geweervuur buiten de stad. De kroonprins verblijft een week als gast in zijn paleis en volbrengt samen met hem uitvoerige inspecties en rondgangen. Johan August sr brengt de kroonprins op 27 september weg naar Rügen voor de oversteek naar Karlskrona. (3)

Het jaar daarop krijgt Meijerfeldt sr opnieuw koninklijk bezoek. De kroonprins kiest Lovisa Ulri­ka van Pruisen tot zijn vrouw en zij reist ook via Stralsund naar haar nieuwe vaderland. Zij verblijft van 31 juli tot 6 augustus 1744 in Meijerfeldt’s paleis. De 80-jarige graaf is zo slecht ter been, dat zijn vrouw Brita Barnekow de koninklijke gasten steeds in haar suite ontvangt. Hij is bovendien doof geworden, want tijdens een diner op slot Karlsburg (Gnatzkov) stelt de prinses hem allerlei vragen over zijn avonturen met Karel XII, maar antwoordt hij op geheel andere vragen. Zijn vrouw beschermt hem met overgave tegen afgunstige kritiek: Sie zwang die Tadler Ihren Greis zu verehren, und zerstörte also die schädliche Rotte. (4)

Zijn zoon Johan August jr erkent in zijn conduitestaat dat de door hem verafschuwde Kamerheerbrief toch een nuttige functie heeft, omdat hij daardoor op 13 juni 1744 onder de noemer van functieruil met luitenant-kolonel Buggenhagen kapitein wordt in het Lijfregiment van de Koningin, met bijbetaling van 4.000 rijksdaalder ‘bemiddelingsvergoeding’. Dit is een openhartige uitleg. Waar het overspringen van de vaandrig- en luitenantsrang in de Zweedse geschiedenisboeken nog aan zijn bekwaamheid werd toegeschreven, onthult hij zelf dat het door geld en begunstiging kwam. Hij komt daardoor terecht bij het regiment waar zijn broer Carl Friedrich tussen 1731 en 1741 diende. (5)

Dat jaar ontbrandt de Tweede Silezische Oorlog. Maria Theresia had dit grondstofrijke deel van Bohemen twee jaar eerder verloren aan koning Frederik II de Grote van Pruisen. Johan August krijgt toestemming naar het front te gaan en neemt deel aan de verloren slag bij Soor, maakt de winterveldtocht in Saksen mee en strijdt in de eveneens verloren slag bij Kesseldorf tegen de Pruisische prins Leopold von Anhalt-Dessau. Met de vrede van Dresden in 1745 komt een einde aan deze episode.

Johan August jr vraagt aan de Zweedse koning Friedrich een aanbeveling om na zijn belevenissen in Silezië verder in het buitenland militaire ervaring op te mogen doen. Hij ontvangt een aanbeveling om dienst te doen bij Karel August Frederik, vorst van Waldeck en Pyrmont (1704-1763), bevelhebber van de Nederlandse legers. Nadat hij op 9 mei 1746 is benoemd, reist de 21-jarige graaf af naar Venlo in de richting van het front ten westen van Maastricht, waar hem een gunstige ontvangst wacht. (6)

De Franse troepen worden geleid door de eerdergenoemde Franse veldmaarschalk Maurits van Saksen (1696-1750). Hij heeft het grootste deel van de Zuidelijke Nederlanden weten te veroveren, door grote veldslagen uit de weg te gaan totdat hij een ideale kans ziet. Hij maakt zich nu op om het laatste stuk te veroveren en gevreesd wordt dat hij verder naar het noorden zal optrekken, naar de Republiek dus. Bij parallelle onderhandelingen in Breda stelt Frankrijk aan de Republiek voor zich niet in de strijd te mengen met behoud van enkele barrièresteden in de Zuidelijke Nederlanden, maar de regenten van de Republiek vertrouwen het niet en de bondgenoten zijn uiteraard mordicus tegen.

Op 11 oktober van dat jaar vindt één van grootste veldslagen van die eeuw plaats bij het plaatsje Rocourt, ten westen van Luik. Er staan 200.000 soldaten tegenover elkaar. De Franse hoofdmacht stort zich op de kleinere Nederlandse linkerflank. Johan August jr had tot dan toe niet veel meegemaakt, behalve dat zijn paard bij een achterhoedegevecht gewond was geraakt. Nu is hij bij een groepje dat Waldeck begeleidt in zijn al te roekeloze aanval op een paar Beierse bataljons, waarbij de vorst musketvuur door zijn mantel krijgt en zijn begeleiders – met uitzondering van Meijerfeldt – gewond raken. Ondanks kranig verweer moeten de Nederlanders en later ook de Britten zich over de Maas terugtrekken, terwijl de Oostenrijkers werkeloos toekijken. De Fransen bezetten de vesting Luik.

Die winter volgt Meijerfeldt Waldeck naar Den Haag en de garnizoensstad Arolsen in diens vorstendom. Daarna verblijft hij in Amsterdam. Op een woensdagmorgen vertrekt graaf Meijerfeldt en rijdt in één ruk tot vrijdagmiddag door naar Den Haag. Hij heeft de plannen voor een nieuwe veldtocht bij zich, om de Fransen uit de Zuidelijke Nederlanden terug te dringen. De Fransen doen weer een poging de Republiek uit de coalitie met Engeland en Oostenrijk los te weken door een gunstige afzonderlijke vrede aan te bieden. Om dat kracht bij te zetten overschrijden de Franse legers de grens met Staat-Vlaanderen en Staats-Brabant. Dat leidt tot een tegengesteld resultaat: het Nederlandse volk roept om de sterk aan Engeland verbonden Oranjes, waardoor na een geweldloze revolutie een einde komt aan het Tweede Stadhouderloos Tijdperk en prins Willem IV tot erfstadhouder van alle gewesten en kapitein-generaal wordt uitgeroepen. Waldeck blijft bevelhebber, maar is het vaak met de prins oneens.

Bij het begin van de campagne wordt Meijerfeldt één van de adjudanten-generaal van Waldeck. De Fransen trekken op naar Maastricht. Voordat zij de Maas kunnen oversteken zien zij in een rechte westelijke lijn de geallieerde troepen tegenover zich liggen. Op 2 juli 1747 vindt de Slag bij Lafelt plaats tussen totaal 150.000 soldaten. Tijdens het gevecht krijgt Meijerfeldt opdracht naar de geallieerde bevelhebber – William Augustus, Hertog van Cumberland, zoon van de Britse koning George II, vertrouweling van prins Willem IV van Oranje-Nassau – te gaan en informatie over posities door te geven. Vandaar krijgt hij opdracht zich naar de Oostenrijkse veldmaarschalk Karl Josef Batthyáni te haasten om hem tot de aanval te bewegen, want de slag woedt in volle hevigheid terwijl diens rechterflank buiten de strijd blijft en er net als in de kort daarvoor verloren Slag bij Rocourt dus eigenlijk maar half strijd wordt geleverd.

In het heuvelachtige terrein wordt een strijd van greppel naar greppel gevoerd, waardoor het voor Meijerfeldt niet eenvoudig is terug te keren naar zijn onderdeel. Als hij door Ollitikze rijdt merkt hij dat het ontruimd is en de vijandelijke cavalerie binnenrukt. Hij ziet geen kans meer met zijn vermoeide paard te ontsnappen en geeft zich na een omsingeling over. Hij maakt zich bekend en wordt meteen naar het zwaar verdedigde kamp van de Franse koning Lodewijk XV hoog op de Sieberg bij Herderen gebracht. Hij geeft alleen algemene en niet-nuttige informatie en wordt daarom al snel naar een afgelegen huis gebracht, waar hij samen met een Engelse officier door 12 tot 15 man gedurende de nacht wordt bewaakt. De strijd is inmiddels tot een einde gekomen. Er zijn totaal 18.000 doden te betreuren en de Fransen hebben weer een overwinning behaald dankzij de uiteindelijke inname van het cruciaal gelegen Lafelt.

IMG_0306Slag bij Lafelt

De volgende dag wordt Meijerfeldt met de Engelse officier afgevoerd naar Thagern, waar andere gevangen genomen geallieerde hoge officieren verblijven. Onderweg komt hij zijn kamerdienaar met de trompetter van Waldeck tegen. Deze hebben de opdracht ofwel zijn lijk op te vorderen ofwel hem te ruilen tegen 12 officieren. Daarvan horende stuurt de Franse maarschalk terstond zijn adjudant-generaal om Meijerfeldt te halen, die natuurlijk meteen bereid is. Hij laat zich door de hem vriendschappelijk gezinde hoge officieren, waaronder de Britse bevelhebber Jack Ligonier, overhalen om pas de volgende ochtend af te reizen en eerst te genieten van de door de Franse koning betaalde overvloedige lunch met zilveren servies. Hij zegt de Fransen geen moeite te doen om zijn degen en pistool terug te geven, maar zijn paard wil hij – onder de belofte er zo snel mogelijk een paar terug te sturen – wel graag voor de rit terughebben.

Na een ontbijt in het Franse hoofdkwartier ontmoet Meijerfeldt veldmaarschalk Van Saxen, die hem na enige vriendelijkheden op weg stuurt met zijn kamerdienaar en de trompetter naar het hoofdkwartier van Waldeck ergens te velde. Vandaar vertrekt hij zonder afscheid te nemen vermoedelijk met Waldeck naar ’s-Hertogenbosch en 14 dagen na de slag samen met Hessische troepen richting Duitsland. Na de Vrede van Aken van 17 oktober 1748 trekt Frankrijk zich terug uit de Republiek en uit de Zuidelijke Nederlanden in ruil voor teruggave van eerdere kolonies. De troepen van Waldeck liggen in Etten bij Doetinchem, niet ver van de Duitse grens.

 

1. Krigsarkivet Stockholm, 023 Generalmönsterrullor, 0/1354, fol. 85 en 0/1355, fol. 100 en fol. 455. 1051/003/M/8 Biografica, fol. 11-12.
2. Kyrkoarchiv Täby, Stockholm, Lysnings- och vigselböcker 1741-1761, fol. 11.
3. C. Tersmeden, “Admiral Carl Tersmedens Memoarer”, Stockholm 1915, deel 3, pag. 199. S. Leijonhufvud, “Omkring Carl Gustaf Tessin”, Stockholm 1918, deel 2, pag. 7.
4. M. Ranft, “Die Merkwürdigen Lebensgeschichte derer vier berümten Schwedischen Feldmarschalle, Grafen Rehnschild, Steenbock, Meyerfeld und Dücker”, deel 3. “Leben und Thaten des Feld-Marschalls Graf Meyerfeld” , Leipzig 1753, pag. 337-338.
5. Krigsarkivet Stockholm, 023 Generalmönsterrullor, 0/1356, fol. 363. Pas in deze monsterrol uit 1748 wordt de wissel opgetekend. De monsterrol van zijn oude regiment van 3 juli 1744 mistte de wissel, want daar staat nog dat hij verkenner zonder soldij is. Ook de monsterrol van zijn nieuwe regiment van 30 augustus 1744 mistte de wissel.
6. Krigsarkivet Stockholm, 1051 Biografica, 003/M/8, fol. 293.