2.2.1. Konstabel

De functie van Johan August is konstabel of kanonnier. Als eerste konstabel en waarnemend konstabel-majoor is hij de chef over het geschut aan boord. Kennelijk heeft hij de benodigde kennis en ervaring met referenties of conduitestaat kunnen aantonen. Aan boord bestaat zijn ploeg uit een tweede en derde konstabel en een aantal konstabelmaats. 

Voorafgaande aan de vaart haalt hij bij de equipagemeester de materialen af: het geschut, de ammunitie en het buskruit.
– Het geschut bestaat op dit fregat uit 36 kanonnen,
variërend van vierentwintig- tot vierponders. Hij laat ze samen met de rolpaarden waar zij op staan aan boord takelen en plaatsen, iets meer op het bovendek dan op het benedendek. Zelf controleert hij of geen vuil en vocht in affuit en zundgat kunnen komen, of de rolpaarden voor de reis goed met touwen zijn vastgesjord en of bij elk kanon voldoende lonten, lontstokken, kruithorens en wissers klaarliggen.

Kanonnen op het benedendek

– De ammunitie bestaat uit granaten, kartetsen, spijkers en vooral duizenden kogels. Omdat deze minimaal drie pond per stuk wegen, laat hij ze evenredig over stuurboord en bakboord verdelen om kapseizen te voorkomen. Hij laat ze ook evenredig over boeg en achtersteven verdelen om het schip bestuurbaar te houden.
– Het buskruit laat hij 
in honderden vaten van elk honderd pond grof en fijn kruit naar het schip dragen. Hij controleert eerst dat in de onder de waterspiegel gelegen kruitkamer de kruitbak droog en schoon is en het glas van de lampen niet gebroken is. Dan laat hij de vaatjes uiterst omzichtig het schip op de kruitkamer in dragen. Hij controleert of ze goed gestouwd zijn voor de vaart en of er voldoende kardoezen zijn om het kruit tijdens de vaart naar de kanonnen te brengen. Tenslotte sluit hij de kruitkamer af en overhandigt de sleutel aan de kapitein.
Alles
tekent hij af in zijn Konstabelboek, dat later gebundeld zal worden in het Schippersboek. 

Vlak voor een reis komen 10-jarige kruitlopers uit de armen- en weeshuizen aan boord. Eenmaal op reis dragen zij fluwelen slippers als zij de kardoezen vullen en naar de kanonnen brengen, om fatale vonkvorming te voorkomen. Johan August doet veel de ronde om te controleren of alles nog op orde en droog is. Bij het binnenvaren van een haven controleert hij dat er geen kogels in de loop zijn, verzorgt het afvuren (zonder kogels) van een vast aantal saluutschoten en doet de noodzakelijke bestellingen. (1)

Als het op een gevecht aankomt geeft hij de tamboer opdracht roffels te geven om de manschappen naar het kanon te roepen en geeft hele precieze commando’s. Hoewel de wieg van veel zeelui buiten de Republiek staat, bedient hij zich uitsluitend van de Nederlandse taal, dan nog een wereldtaal:
stukken los: 
de geschutpoort gaat open, de houten mondstop van het affuit af en de sjortouwen van het rolpaard los. Het buskruit gaat in een kardoes (flanellen zak) op de kruitlepel de loop in, gevolgd door uitgeplozen touw, dan een ronde kogel of andere munitie en weer wat uitgeplozen touw om uitrollen te voorkomen. Het bladlood gaat van het zundgat af, de kardoes wordt lek gestoken met een koperen prikker en het zundgat met een hoorn gevuld met fijn kruid.
pointeer monteer: het kanon op het object richten.
– vuur: de commandant van het kanon doet met een korte heftige ruk aan de treklijn de hamer op de slagpijp neerkomen, waardoor de lading ontbrandt. Met 400 pond buskruit komen de kogels een mijl ver.
Deze strenge procedure voorkomt ongelukken in de duisternis, rookwolken en lawaai tijdens het laden van een kanon. Elk schot vergt daardoor wel meer dan twee minuten tijd.

Het maandsoldij van Johan August bedraagt 26 gulden. Daarmee behoort de marine van de Republiek op dat moment tot de best betalende in Europa. Dat moet wel bij gebrek aan Hollanders. Johan August gaat dit bedrag niet maandelijks contant uitbetaald krijgen, maar moet het doen met de aantekening in de betaalrol door eerste schrijver Hendrik Verhulsdonk jr. Voorlopig is dat niet erg, want onderweg slaapt, eet en drinkt hij op kosten van de kapitein, met uitzondering van jenever, barbier e.d. Zodra hij gaat passagieren krijgt hij wel contant een maandvoorschot mee.  Pas aan het einde van de tocht, normaal gesproken anderhalf jaar later, gaat de afrekening op de betaalrol verschijnen. Verhulsdonck zal het aantal maanden verrichte dienst optellen, dat met het daarbij behorende maandsoldij vermenigvuldigen en daarvan de genoten voorschotten en kleine onkosten aftrekken. Van dat saldo zal hij een papieren geldwissel uitschrijven, dat bij het Comptoir Hoofdelijke Betaling  op het Prinsenhof in klinkende munt inwisselbaar is.

Op de betaalrol van Johan August staat nog een andere aantekening: Weúrman pb f 208. Dat wijst op een schuldbrief (pb = per billet). Bij sommige zeelui staat ook pb of pbill en bij anderen maandbrief, wat betekent dat een kwart of minder van de gage wordt uitgekeerd aan de achterblijvende vrouw en kinderen. Een schuldbrief heeft bij zeelui meestal betrekking op openstaande rekeningen voor logies, drank, voedsel en/of kleding. De desbetreffende middenstanders weten dat zeelui geen contant geld hebben en geven krediet, om met hen af te rekenen bij vertrek of na terugkomst. In het laatste geval geeft de aantekening op de betaalrol hen zekerheid, zelfs in geval de zeeman onderweg overlijdt of verdwijnt of het schip vergaat. De omvang van de schuld van Johan August bedraagt 208 gulden, precies acht maanden soldij (8 x 26 = 208). De meeste tochten duren twee keer zo lang, dus is het risico dat er bij terugkomst na aftrek van voorschotten onvoldoende overblijft beperkt. (2)

In het geval van Johan August is de kredietverstrekker Barend Harmen Weurman, een 62-jarige kleermaker aan de Nieuwendijk tussen de St. Jacobsstraat en de Armsteeg in Amsterdam. Hij is 35 jaar eerder als gelukszoeker samen met zijn broer en neef met de naam Wöhrman uit Hilter in het Teutoburgerwoud gearriveerd en vrijwel direct getrouwd. Zijn inkomsten komen uit zijn kleermakerij en uit het geven van krediet aan zeelui. Bij moeilijkheden trekt hij in groepjes kredietverleners op, vertegenwoordigt hen of koopt hen zelfs vóór de vaart uit tegen een schappelijk bedrag. Omdat Johan August zijn oude plunje moet inwisselen  voor een uniform verklaart dat zijn schuld, maar vanwege het hoge bedrag moeten er ook rekeningen van genoten logies, voedsel en drank bij zitten. Dat duidt er op dat hij al de nodige tijd in de Republiek is. Een maand later overlijdt Weurman en wordt Johan August het bedrag verschuldigd aan zijn weduwe en blijkens haar testament na haar overlijden hun 23-jarige zoon en kleermaker Johannes Hermanus Weurman. (3)

Terug   ***   Verder

1. Order voor de Constapels, NA 2.01.29.03, Inv 3A, pag. 125-139.
2. Brieven van M.A. van Alphen en J.M. Reinders, 19 september resp. 3 oktober 2024
[CH-802]. H. Landheer, “Een mandceelhouder en zijn klanten”
en “De bankiers van de marine”, Historisch Tijdschrift Holland 2013, nr. 3/4, pag. 137-145 en 2014, nr. 4, pag. 211-221.
3. Testament weduwe Weurman 3 Feb 1794, Stadsarchief Amsterdam 5075, Inv 16412, N.0 73.