’s Lands Schip van Oorlog De Erfprins van Brunswijk is vernoemd naar Karel van Brunswijk-Wolfenbüttel (1766-1806), eind 1790 getrouwd met prinses Louise van Oranje, dochter van de stadhouder. Hij is de oudste zoon van de regerend hertog van Brunswijk, die in 1787 aan het hoofd stond van de veldtocht in Holland en zich dertig jaar eerder in de Slag bij Hastenbeck ontfermde over de jonge Zweedse graaf Johann August von Meijerfeldt jr. Ondanks de titel Erfprins wordt hij vanwege zijn zwakke begaafdheid, toenemende slechtziendheid en kinderloze huwelijk uiteindelijk geen hertog, maar zijn jongere broer. Zijn vrouw volgt haar vader als oudste kind evenmin op als stadhouder. Vanwege de regel dat mannen voorrang krijgen is haar jongere broer Willem Frederik de Erfprins en later koning Willem I.
Op ’s Lands Werf vond de kiellegging van het schip in 1790 plaats en de tewaterlating in 1791, kort voor de grote brand in het Zeemagazijn. Nu ligt het duidelijk zichtbaar afgemeerd in ’s Lands Dok. Het is een fregat van de zesde klasse of charter met twee dekken. In die tijd krijgt het fregat de voorkeur boven een linieschip, omdat het kleiner, lichter en daardoor sneller en wendbaarder is in een zeeslag en beter konvooi kan verlenen aan handelsschepen.
Eenmaal aan boord maakt Johan August kennis met Eerste Schrijver Verhulsdonk. Deze wijst hem zijn slaapplaats en overhandigt hem een psalmboekje en een hangmat. Voor een deken, kussen en bultzak (matras) moet hij zelf zorgen, bijvoorbeeld door dat van zijn voorschot in het Zeemagazijn te kopen.
Johan August is aangenomen als Eerste Konstabel, ofwel 1 Constapel zoals op de scheepsrol staat. Dat is een onderofficier die chef over de kanonniers en het geschut aan boord is. Daarmee wordt duidelijk waarom Hartsinck hem als één van de eersten contracteert. Een dergelijke hoge functie en rang kan hem alleen zijn toevertrouwd, indien hij van zijn kennis en ervaring overtuigende referenties, conduitestaten of getuigenissen heeft laten zien, maar die zijn niet bewaard gebleven.
In het Zeemagazijn doet Johan August bestellingen bij de Equipagemeester. Voor het fregat regelt hij 36 kanonnen, variërend van vierentwintig- tot vierponders. Samen met de rolpaarden waar zij op staan laat hij ze aan boord takelen en plaatsen, iets meer op het bovendek dan op het benedendek. Op het schip controleert hij zelf of geen vuil en vocht in affuit en zundgat kunnen komen, of de rolpaarden goed met touwen voor de reis zijn vastgesjord en of voldoende lonten, lontstokken, kruithorens en wissers bij elk kanon klaarliggen. (1)
Stukken op het benedendek
Het volgende dat Johan August in het Zeemagazijn bestelt is ammunitie. Die bestaat uit granaten, kartetsen, spijkers en vooral duizenden kogels. Omdat deze minimaal drie pond per stuk wegen, moeten ze evenredig over het schip worden verdeeld, over stuurboord en bakboord om kapseizen te voorkomen en over boeg en achtersteven om het bestuurbaar te houden.
Als laatste inspecteert Johan August de kruitkamer op het schip onder de waterspiegel. Vooral gaat hij na of kruitbak droog en schoon is en of het glas van de lampen niet gebroken is. Dan regelt hij een flink aantal vaten grof en fijn kruit van elk honderd pond. Hij laat ze uiterst omzichtig tot in de kruitkamer dragen. Eenmaal klaar controleert hij of de vaten goed zijn gestouwd voor de vaart en of er voldoende kardoezen zijn voor de kruitlopers naar de stukken. Zodra het allemaal naar zijn tevredenheid is gegaan sluit hij de kruitkamer af en overhandigt de sleutel aan Hartsinck. Alles tekent hij af in het Konstabelboek, dat later gebundeld zal worden in het Schippersboek. (2)
Op 6 juni verwelkomt Johan August de tweede konstabel Anthonie Rustmeijer aan boord. Hij komt uit Weber bij Potsdam, maakte een VOC-reis via de Kaap naar Batavia en trouwde daarna in Amsterdam. Met de aanwezige konstabelmaten en tamboer nemen zij de precieze commando’s voor het gevecht door. Hoewel niemand goed Nederlands spreekt, is dat aan boord wel de enige taal. Bedacht moet worden dat het nog een wereldtaal is en weinig verschilt van het veelgesproken Plattdeutsch.
Na de roffels van de tamboer om zich bij de stukken op te stellen gehoorzamen de manschappen aan de volgende commando’s:
– stukken los: de geschutpoort gaat open, de houten mondstop van het affuit af en de sjortouwen van het rolpaard los. Het buskruit gaat in een kardoes (flanellen zak) op de kruitlepel de loop in, gevolgd door uitgeplozen touw, dan een ronde kogel of andere munitie en weer wat uitgeplozen touw om uitrollen te voorkomen. Het bladlood gaat van het zundgat af, de kardoes wordt lek gestoken met een koperen prikker en het zundgat met een hoorn gevuld met fijn kruid.
– pointeer monteer: het kanon op het object richten.
– vuur: de commandant van het kanon doet met een korte heftige ruk aan de treklijn de hamer op de slagpijp neerkomen, waardoor de lading ontbrandt. Met 400 pond buskruit komen de kogels een mijl ver.
Deze strenge procedure voorkomt ongelukken in de duisternis, rookwolken en lawaai tijdens het laden van een kanon. Elk schot vergt daardoor wel meer dan twee minuten tijd.
1. Het meervoud van kanon is kanonnen, maar in de marine luidt de vakterm stukken of kanons.
2. Order voor de Constapels, NA 2.01.29.03, Inv 3A, pag. 125-139.
