Op de Erfprins van Brunswijk vaart Johan August von Meijenfeldt op 31 juli 1793 de Noordzee op. Van de Doggersbank gaat het naar de Noorse havenstad Bergen, al kruisend op Franse kapers jagen zonder incidenten. Op 900 kilometer ten noorden van Texel gaat het schip na drie weken voor anker in de haven van Lerwick op Hitland (Shetland). Johan August lost saluutschoten als groet voor de wal en iets later voor de Eensgezindheid en Snelheid, die op 25 augustus komen binnenvaren. Enkele dagen later varen de drie schepen uit om te kruisen en elkaar te seinen als zij vreemde schepen zien. Meestal zijn het geen vijandelijke maar Engelse of Amerikaanse handelsschepen.
Willem V schrijft Hartsinck begin september aan om met de drie schepen naar Texel terug te keren, teneinde medio oktober konvooi te gaan geven aan een uitvarende vloot naar West-Indië. Op 17 september gaat het zuidwaarts, konvooi gevend aan een groepje handelsschepen. Op 22 september ligt de Erfprins van Brunswijk opnieuw op de Rede van Texel. Hartsinck krijgt van het College toestemming om voor tien maanden victualiën (voedselvoorraden) en medicijnen aan boord te brengen.
Op 1 oktober ontvangt Johan August voor de tweede keer muntgeld: 24,4 gulden. Hij gaat namelijk aan wal om de vier stukken te wisselen en zal hier en daar wel wat persoonlijke uitgaven doen. Aan boord krijgt niemand zijn soldij uitbetaald. Dat is niet zo erg, want onderweg slaapt, eet en drinkt iedereen op kosten van de kapitein. Extra uitgaven noteert de Eerste Schrijver als schuld. Bij Johan August staat wat extra jenever en eenmaal barbierbezoek. In een haven brengt de agent van de Admiraliteit geld aan boord om maandvoorschotten te geven aan hen die aan wal willen of moeten. Het moment van afrekening is pas aan het einde van de tocht in de thuishaven. De Eerste Schrijver telt dan het aantal maanden verrichte dienst op, vermenigvuldigt dat met het daarbij behorende maandsoldij, en trekt daarvan de genoten voorschotten en kleine onkosten af. Dit saldo noteert hij op een papieren geldwissel, die de zeeman ergens te gelde kan maken.
Intussen breeuwen 20 timmerlieden de Erfprins van Brunswijk opnieuw gedurende maar liefst twee weken. Zij ontdekken houtworm. De controleur brengt een stuk hout gevuld met diertjes naar de equipagemeester in Amsterdam. Dat overtuigt het College om een grondige inspectie en reparatie uit te laten voeren. Het College volgt Hartsincks voorstel om een aanvulling jenever aan de tien maanden proviand toe te voegen.
Van het nieuwe volk dat op Texel aan boord moet komen zal Johan August niet enthousiast raken van de benoeming van konstabel-majoor Frederik Bon uit Keulen voor 32 gulden per maand. Nu zal hij het achterdeel van het fregat moeten ontruimen, waar hij met bediening goed te eten krijgt, in een eigen ruimte goed kan slapen en dankzij hygiëne en een latrine gezond blijft. Tot zijn grote opluchting blijkt Bon voor de afvaart niet scheep te gaan.
S‘ LANDS FREGAT de ERFPRINS VAN BRONSWYK. Onder Commando van den Capitn Pr HARTSINCK in den jaare 1793 tot den jaare 1799, Zeijlende met Convooy.
Bemanning haalt voorin fok neer en sjort lijnen op dek, zwart-wit aquarel, 350 x 472 mm
A. Herkel 1807, National Maritime Museum Greenwich, PAH0755
Begin november 1793 krijgt Johan August opdracht het geschut af te blazen. Het is een laatste proef en een sein dat het vertrek aanstaande is. De handelsvloot die langs Frankrijk gaat varen is inmiddels gegroeid tot 46 handelsschepen. Johan August weet inmiddels dat zijn eindbestemming Paramaribo is, terwijl andere schepen naar Spanje-Portugal of naar Oost-Indië gaan. Kapitein Bosch is van de Hector op het linieschip Overijssel overgestapt en hij krijgt het commando over de gehele vloot. (1)
In de vroege morgen van 7 november krijgt Bosch eindelijk het bericht dat de wind op Texel gunstig is om met de hele vloot uit te varen. Naast de twee genoemde oorlogsschepen geven de fregatten Eensgezindheid, Waakzaamheid en Alliantie konvooi. Elk schip meet en noteert de wind, neerslag, gepompt water, zeediepte en positie meer dan dagelijks. Ook ziekten, overlijden en straffen voor diefstal en gevechten staan genoteerd. Gelukkig staat Johan August nergens vermeld.
Het konvooi vaart het Kanaal in, met de Erfprins van Brunswijk op de rechterflank langs de Engelse kust en de marinehaven Porthmouth. Aan de andere zijde laat de linkerflank op grote afstand met vlagsignalen weten waar zij is: na een week voorbij Kijkduin en na de tweede week is zelfs Duinkerken gepasseerd. De kapiteins kunnen moeilijk voor overleg in een sloep heen en weer varen, zeker niet als de schepen onder vol zeil intussen razendsnel uit het zicht verdwijnen. Zij communiceren daarom met vlagsignalen, ook om te melden dat bevriende schepen zijn gesignaleerd. Bij een vijandelijk schip laat Johan August de vlagsignalen vergezeld gaan van een los kanonschot als actie verwacht wordt. Zijn schip gaat veel op verkenning uit. Drie keer maken zij jacht, één keer leidend tot praaien (van afstand aanroepen op zee). Bij het eiland Wight vraagt Hartsinck het fregat Enckhuysen zich bij het konvooi te voegen, terwijl schout-bij-nacht Melville aan de Waakzaamheid en Alliantie vraagt zich bij zijn vloot naar Plymouth te voegen.
Omdat hij met de kapitein op het achterschip eet is het menu dat Johan August drie keer per dag voorgeschoteld krijgt gevarieerder dan dat van de overige bemanning. Hij kan rekenen op kruiden, kazen en wijn. Verder wordt het menu van de bemanning gevolgd, met vaste vlees- en visdagen. Soms zijn er verse aanvullingen in havens, maar verder is het eten eenzijdig, calorierijk en vitaminearm. Het gezouten vlees, spek en vis, de gedroogde erwten, bonen en vis en het keihard gebakken brood moeten eetbaar worden gemaakt door inweken in bier of water. Voor de houdbaarheid wordt het voedsel zo droog en afgesloten mogelijk opgeborgen, bijvoorbeeld in aparte brood- en beschuitkamers.
1. Amsterdamsche Courant, 9 november 1793.
