1.9.6. Adelsbrieven

HET ZWEEDSE GESLACHT VON MEIJERFELDT

Heer   ***   Jonker   ***   Baron   ***   Graaf

Baltische wapenbrief

De eerste Johan Meijer is al van Baltische adel. Er is een bron die tot die conclusie leidt. (1) Over hem worden de volgende gegevens vermeld:
– herre: In de vijftiende en zestiende eeuw is dit een adellijke aanspreektitel.
– til Babbús of Búbbús: Hiermee wordt niet de geboorte- of woonplaats bedoeld, maar een landgoed verkregen van een leenheer. Dat is de kern van de oeradel. In die tijd was er een Lijflands adellijke landgoed Babbusch.
– förde i vapn en hvit skära i blått fält. Een wapen – een witte sikkel in een blauw veld – is eveneens een teken van adelstand.

Omdat Johan Meijer als eerste wordt genoemd, ligt het voor de hand dat hij de persoon is die de adellijke niet erft, maar tussen 1480 of 1510 verkrijgt van een leenheer. Als Bubbusch ten tijde van de adelsverkrijging het landgoed  van Johan Meijer was,  dan is hij door een heer van de Duitse Orde in de adelstand verheven. Dat kan de Landmeester geweest zijn, maar ook de daaronder ressorterende regionale Komtur. De lokale Vogt had deze bevoegdheid vermoedelijk niet. Bubbusch valt onder de Komtur en vanaf 1387 onder de hogere  Landmaarschalk van Segewold (Sigulda). Johan Meijer is bovendien in 1510 in Riga kasteelkeer van de Lijflandse Orde. Twee Landmaarschalken en vervolgens Landmeesters die hem in de adelstand kunnen hebben verheven zijn Bernd von der Borg (1471-1483) en Wolter von Plettenberg (1494-1535).

Johan Meijer en zijn nageslacht behoren niet tot de Balts-Duitse hoge adel. Deze geslachten zijn opgetekend in de boeken van de Lijflandse en Estlandse Ridderschappen en hun voorlopers. Het moet daarom om lagere landadel gaan. De vernoeming van de functie ‘meier’ in de familienaam en de afbeelding van de sikkel op het wapenschild duiden op een welgestelde pachtersfamilie.

De wapenbrief met de toekenning van de familienaam Meijer, de beschrijving van het wapenschild  en de toekenning van het landgoed Bubbusch is helaas tot op heden onvindbaar.

Jonkerbrief 1674

Andreas Meijer is op 24 november 1674 in Stockholm door koning Karel XI in de adelstand van het Zweedse Rijk verheven. Daarmee is hij jonker of jonkheer. Lijfland was in die tijd een soort buitengewest van Zweden.

In de adelsbrief wordt beschreven dat hoofdinspecteur Meijer voor de vader van de koning, Gustaaf X Adolf, veel verdiensten heeft gehad, vooral toen hij in de Deense Oorlog in Glückstadt gevangen zat. Daarvoor heeft hij niet alleen de rang luitenant-kolonel (overste) gekregen, maar ook een eregeschenk en verdere koninklijke gunsten. Omdat iemand “een goed lofwoord” voor hem heeft gedaan en de koning zelf nog goede en trouwe diensten van hem verwacht, besluit hij Meijer met hoge en aanzienlijke stand te bekleden, met adellijk wapenschild en privileges, geschenken en giften.

De familienaam van Andreas wordt uitgebreid van Meijer naar Meijerfeldt, ter onderscheiding van andere families Meijer in het Zweedse Rijk. Het toegekende wapenschild staat omschreven in de brief.

Een fotokopie van de adelsbrief bevindt zich in het Riksarkivet, 1112.1 Riksregistraturet, B/412, folio 309v-311v, “Sköldebref för Inspectoren Meijerfelt“. Op deze website staan de fotokopie van de adelsbrief, de transcriptie van de Zweedse tekst en de vertaling in het Nederlands in één geïntegreerd document.

Baronnenbrief 1705

De Zweedse koning Karel XII besluit Johan August von Meijerfeldt sr samen met zijn broer Wolmar Johan te verhogen tot baron. Op 12 juli 1705 wordt in het koninklijk hoofdkwartier in Rawicz (Polen) een concept van de baronnenbrief opgesteld. Een netschrift was voor 17 september 1705 in Blonie (Polen) gepland, maar daar is het niet van gekomen.

Een fotokopie van de “Frijherre Bref för General Major Johan August Mejerfeldt, Rawitz d. 12. July 1705″, is door het Riksarkivet verstrekt.

Van deze tekst is een transcriptie en vertaling naar het Nederlands gemaakt.

Gravenbrief 1714

Om zijn trouwe officieren aan zich te binden promoveert de Zweedse koning Karel XII vóór zijn terugkeer uit Turkije. Bij brief van 3 maart 1714 te Demotica verhoogt hij Johan August von Meijerfeldt sr in de gravenstand. Zijn opvolgster koningin Ulrike Eleonre besluit diens broer Wolmar Johan von Meijerfeldt op 18 augustus 1719 in de gravenbrief op te nemen. In dat jaar vindt de introductie bij het Ridderhuis plaats.

Een fotokopie van de gravenbrief is te vinden in het Riksarkivet, 1112.1. Riksregistraturet 1523-1718, B/671, folio 149v-158, “Grefwe Bref för K: Rådet, Generalen och Gen: Gouverneuren, Johan August Meijerfeldt. dat. Demotica d. 3 Martij 1714.”

Op deze website staat ook een fotokopie, waarvan nog een transcriptie en vertaling gaan volgen.

 

1. A.A. von Stiernman, Uppsala Universitetsbibliotek, “Svecia Illustris. Slägttaflor öfver de på Svenska Riddarhuset until år …. introducerade ätter i alfabetisk ordning”, X. Svensk genealogi och biografi, del 18 (M-O), Mejerfelt