De Deense koning verschijnt aan het firmament. Op verzoek van Albrecht had hij in 1219 de vesting Reval (Tallinn) gesticht en de Esten overwonnen, maar de Zwaardbroeders dulden niet dat hun Deense broeders het omliggende gebied koloniseren. Nadat zij zelfs Reval hebben overgenomen en veel wreedheden hebben begaan, oordeelt de Paus dat de Orde het gebied moet teruggeven en de enorme schade moet vergoeden. Een volgend probleem is dat de Zwaardbroeders niet de steun van de lokale bevolking weten te winnen, omdat zij veel van de oogst opeisen en andere belastingen opleggen. Het einde wordt ingeluid als 2.000 nieuwe onervaren Kruisridders tegen de Litouwers willen vechten en ondanks waarschuwingen de moerassige (niet bevroren) en bosrijke gebieden van het ten zuiden van Koerland gelegen Samogitia binnentrekken. De daar aanwezige Litouwers brengen het gehele leger van de Zwaardbroeders in 1236 in de Slag bij Saule (Siauliai) een vernietigende nederlaag toe. De gedecimeerde Ordebroeders weten nog maar net Riga te behouden. Vanuit het zuiden spoelen de Litouwers over het land, in het noordelijke Estland zijn de Denen heer en meester en het oosten wordt grotendeels weer door de vorsten van Novgorod en Polotsk ingenomen.

De (blauwe) gebieden van de Orde van de Zwaardbroeders
De Zwaardbroeders realiseren zich te kleinschalig te zijn voor deze strijd en vragen opnieuw steun van de krachtiger Duitse Orde. Er komen 60 Kruisridders over naar Riga. In 1237 roept een pauselijk gezant in Viterbo de leiders van de beide Orden bijeen en plotseling worden witte mantels met zwarte kruisen bij de Zwaardbroerders omgehangen. Het is te laat om te voorkomen dat hun Orde al na 35 jaar in de Duitse Orde opgaat, maar zij weten zich nog wel als onafhankelijke Lijflandse tak met eigen Landmeester te handhaven. Noord-Estland blijft Deens en op het bevroren Meer van Peipus roept Alexander Nevski – de beroemde Vorst van Novgorod – vanuit Finland opererende Zweedse kruisridders een halt toe.
Hoewel de Duitse Orde zich al tot in Oost-Pruisen heeft uitgebreid, zal het niet lukken een landverbinding met Lijfland te forceren. Dat komt niet alleen door de hardnekkige Litouwers, maar ook door de interne rivaliteit. De Kruisridders nemen nu alleen nog maar orders van hun Grootmeester en de Paus aan, waardoor de Aartsbisschop van Riga eerst bij de Deense koning en daarna zelfs bij de heidense Litouwers steun zoekt. Een andere tegenstander wordt het Stadsbestuur van Riga met zijn sterke beroepsgroepen verenigd in Gilden en sinds 1282 lid van de Hanzebond, die de Orde geen eigen handel gunt. De bevolking van de stad steekt de bezittingen van de Orde in brand en hangt de plaatselijke leider aan zijn baard op (alle Ordebroeders moeten een baard dragen). De Kruisridders nemen tegenmaatregelen: zij ontvoeren Aartsbisschop Johannes II en plunderen zijn Residentie. Verder bouwen zij een muur rondom hun bezittingen en blokkeren de haven van Riga. Na een heuse binnenlandse oorlog van een jaar capituleert het uitgehongerde Riga in 1330 en moet als zoenoffer weer een kasteel voor de Orde in de stad bouwen (zie boven), op een plek waar deze nu nog staat.
Daarna beleeft Lijfland een sterke bloei. De monnik-ridders komen uit Westfalen (56%), Rijnland (19%) en de Nederlanden (Utrecht en Gelre 11%) en halen hun landgenoten over zich als vazal blijvend in Lijfland te komen vestigen. Plattdeutsch is daar tot 1700 de overheersende taal. In de vijftiende eeuw verliest de Duitse Orde grondgebied aan Litouwen-Polen in de verloren Slag bij Tannenberg (1410) en bij Zarnowitz (1462). Lijfland komt nog wat onafhankelijker van het Pruisische deel van de Duitse Orde te staan.
In 1471 pleegt Landmaarschalk Bernd von der Borg een coup die hem het ambt Landmeester brengt. De Aartsbisschop van Riga doet hem in de ban om zijn eigen macht uit te breiden. De Keizer en de Paus steunen hem daarin niet. In 1478 bezetten de Moskovieten het noordwestelijke handelscentrum in Novgorod en vormen een gezamenlijke vijand. Nu is het de beurt aan Von der Borg: hij neemt de Aartsbisschop van Riga gevangen en oefent druk uit op de domheren om zijn neef Simon te kiezen. Paus Sixtus IV zint deze eigenmachtige benoeming niet en doet een eigen benoeming. Begin 1480 neemt Von der Borg het besluit om het aangrenzende Pleskau (Pskov) binnen te vallen. Hij verovert een eerste vesting en laat iedereen doden. Als de volgende stad stand weet te houden, laat hij de omgeving plunderen en platbranden. Pleskau roept met succes de verbonden grootvorst Iwan III van Moskou op een leger te sturen, ondanks een vijandelijke veldtocht van de Gouden Horde en de grootvorst van Litouwen in het zuiden van zijn rijk. De Lijflandse Orderidders worden tot aan Dorpat (Tartu) teruggedrongen en velen worden gevangen genomen. Na het vertrek van de Moskovieten gaat Von der Borg opnieuw in de aanval, maar weet dat hele jaar geen successen te boeken. Iwan III verslaat zijn vijanden in het zuiden en trekt in 1481 succesvol op tegen de residentie van de Landmeester in Fellin (Viljandi) en achtervolgt hem tot aan de poorten van Riga. Met de nodige concessies sluit Von der Borg een 10-jarige wapenstilstand. De positie van Von der Borg brokkelt verder af als de Paus hem en Simon in de banvloek doet en hij ook met de stad Riga onenigheid krijgt over burgemeestersbenoemingen, eedafleggingen en geldafdrachten. Steun van de Duitse Keizer en de Grootmeester van de Duitse Orde baten hem niet. In 1483 ziet hij zich gedwongen zijn functie neer te leggen.
Johann Freitag von Loringshofen wordt tot nieuwe Landmeester gekozen. Met zijn diplomatieke gaven weet hij binnen de Orde en met de Aartsbisschop vrede te stichten. Alleen in de stad Riga en omgeving weet hij brandstichting, beschietingen en gevechten niet stoppen. Op 18 mei 1484 capituleert het garnizoen van Wittensteen, het kasteel of slot in Riga van de Lijflandse Orde. Het gebouw wordt in de weken daarna vrijwel geheel tot aan de grond toe afgebroken en er volgt een wapenstilstand. (1)
1. L. Fenske en K. Militzer, “Ritterbrüder im Livländischen Zweig des Deutschen Ordens” (Baltische Historischen Kommission, “Quellen und Studien zur Baltischen Geschichte”, Band 12), Köln/Weimar/Wien 1993. A. Fahne von Roland, “Geschichte der Westphälischen Geschlechter unter besonderer Berücksichtigung ihrer Übersiedlung nach Preußen, Kurland und Liefland”, Köln 1858. A. von Transehe-Roseneck, “Die ritterlichen Livlandfährer des 13. Jahrhunderts”, Würzbach 1960.
