Oudste zoon Jan is al timmermansleerling en snel daarna timmermansknecht. In 1827 moet hij zich vanwege zijn 18de verjaardag inschrijven voor de Nationale Militie. De Nationale Militie bestaat uit een beroepsleger en vrijwilligers, bij tekorten aangevuld na een loting uit ingeschrevenen. Jan kan hieraan ontkomen door zich niet in te schrijven, net als 10 tot 30 procent van zijn leeftijdgenoten. Die optie kiest hij niet, met een militair als vader, en schrijft zich in bij de gemeente Rotterdam. Bij volgnummer 32 staat bekende informatie over hem, maar zijn gemeten lengte is een mooie aanvulling: 1 el, 6 palmen, 5 duimen en 0 strepen (172,5 cm). Hij krijgt het hoge lotnummer 959, waardoor de kans op inloting groot is, maar er staat niet aangetekend dat hij zijn vijfjarige dienstplicht moet vervullen. Mocht dat wel zo zijn geweest dan had hij iemand met een lager nummer mogen proberen af te kopen. Op 1 april 1828 legt hij openbaar geloofsbelijdenis af bij de tien jaar eerder in Rotterdam aangetreden dominee Fortmeijer. (1)
Tweede zoon Hendrik begint kort na zijn 14de verjaardag op 15 november 1824 bij de Koninklijke Marine aan een opleiding tot stuurman. Hij staat hardnekkig met de achternaam van Megenfeldts aangeduid. De opleiding vindt plaats aan boord van wachtschepen – in dit geval een soort drijvende scholen – bij Hellevoetsluis. In december is zijn eerste schip het fregat Kenau Hasselaar, in januari 1825 gaat hij met de hele bemanning over op de Amstel, in 1826 op de Java en rond de jaarwisseling op de Euridice. Drie tot vier keer per jaar krijgt hij acht dagen verlof om van boord naar huis in Rotterdam te gaan. Kort voor het bereiken van zijn 17de verjaardag wordt Hendrik op 3 oktober 1827 als stuurmansleerling overgeplaatst van een wachtschip naar een varend zeeschip, het net te water gelaten Z.M. Korvet Leije. Het schip heeft 28 stukken en 150 koppen en staat onder commando van kapitein-luitenant ter zee A.J.J. van Lutsenburg. (2)
De 67-jarige stamvader krijgt zijn zoon Hendrik dat weekend thuis met het bericht dat hij een grote reis naar Oost-Indië gaat maken. Daar woedt de Java Oorlog, één van de vele conflicten die Nederland daar uitvecht sinds de vestiging van het koloniaal bestuur in 1816 na de VOC-tijd en de Napoleontische oorlogen. Gezamenlijk gaat de familie op zondag 7 oktober naar de kerk en voor vertrek stopt Johan August zijn zoon een boekvormige brief toe, waarvan de tekst beloftevol begint:
Afscheidsbrief van de stamvader
Familiearchief N, nr. 51.
Hierna volgen adviezen over zijn gedrag: zedig en betamelijk naar gelijken, eerbiedig en gehoorzaam naar meerderen en nederig en liefderijk naar ondergeschikten. Eigen ervaringen en belevenissen op zee ontbreken. Het overgrote deel van de brief bevat godsdienstige herinneringen met bijbelcitaten, waaruit blijkt welke grote rol het geloof bij Johan August speelt.
Eenmaal terug op de Leije vertrekt Hendrik niet meteen. De zeildag is bepaald op 25 december. Na de jaarwisseling is de afvaart van Texel op 7 januari 1828, van Cadiz op 23 maart en van Fernambuc op 11 mei. Het schip komt op 19 augustus op de rede van Batavia aan. Dat jaar is Hendrik 18 jaar oud en schrijft zijn vader hem in bij de gemeente Rotterdam bij de Nationale Militie, met de annotatie dat hij in ’s Rijks zeedienst in Batavia is. In het jaar 1829 wordt enkele keren heen en weer gevaren naar Palembang op Oost-Sumatra. Hendrik ligt daar van 21 maart tot 21 april en van 2 mei tot 6 augustus in het hospitaal. De aard van de ziekte wordt niet genoemd, maar malaria ligt voor de hand. (3)
Derde zoon Carl gaat na zijn lagere school aansluitend als 12-jarige jongen werken. Op 1 mei 1827 treedt hij in dienst van ’s Rijks Werf in Rotterdam, de werkplek van zijn vader. Hij leert voor scheepstimmerman, een combinatie van de beroepen van zijn twee oudere broers. (4)
Van de overige kinderen zit vierde zoon Friedrich met zijn 10 jaar nog op de lagere school. Dochter Anthonetta wordt eind 1827 ziek en overlijdt na de jaarwisseling op 5 januari. Zij wordt nog geen zeven jaar oud, vergelijkbaar met haar gelijknamige zus die 14 jaar eerder nog geen twee jaar oud werd. De enige dochter in Rotterdam is dan nog Nellie, in 1827 pas vier jaar oud. (5)
1. Militaire Zaken, Stadsarchief Rotterdam 356, Inv 90, 1827 nr 32. Register der aangenomen ledematen bij de Christen Gemeente toegedaan de onveranderde Augsburgsche Geloofsbelijdenisse binnen Rotterdam, SR Inv 254, blad 72.
2. Soldij-Rollen 309 Kenau Hasselaar fol 806, 208 Amstel fol 219, 309 Java fol 29, 259 Euridice fol 28 en 326 Leije fol 21, Nationaal Archief, 2.12.14 Stamboeken Marinepersoneel.
3. Militaire Zaken, SR 356, Inv 91, 1829 nr 281.
4. Familiearchief N.5, nr 63-66.
5. Overlijdensakte 32, SR 999-09, fol A 007.