3.4.7. Simrishamn

In het jaar 1807, toen de stamvader in Amsterdam in het huwelijk trad, waren twee broers Meijenfeldt in Stralsund onderofficier in het Zweedse Lijfregiment van de Koningin infanterie. In afwijking van de eerdergenoemde naamgenoten staken zij niet de grens met Nederland over, maar Nederlanders de grens van Pommeren. Onder Hans Henric von Essen moesten zij de vesting Stralsund tegen hun belegeringstroepen verdedigen. 

De oudste broer was Joachim Andreas. Hij was op 31 oktober 1779 geboren in de Zuid-Zweedse havenstad Simrishamn, op 15 maart 1790 als 10-jarige pupil in zijn regiment in Malmö aangenomen. Nadat de Zweeds-Russische Oorlog een half jaar later tot een einde kwam, was hij in 1791 met zijn regiment de Oostzee overgestoken naar de standplaats Stralsund. Na zes jaar verlengde hij zijn contract op 6 juni 1796 om musketier en vice-korporaal te worden. Op 14 mei 1802 sloot hij het volgende contract met een bevordering tot korporaal.

De andere broer was Johann Casper. Hij was op 9 juni 1785 ook in Simrishamn geboren. Met zijn ouders reisde hij zijn broer achterna naar Stralsund. Op 1 juni 1796 was hij ook jong als pupil tot het regiment toegetreden en op 24 januari 1803 als musketier, ook met een contracten van zes jaar.

De vader van de broers was Johann Caspar Meijenfeldt sr. Hij was op 5 mei 1755 in Mecklenburg geboren in het landarbeidsdorpje Roggentin. Diens vader en broers waren arbeiders op het plaatselijke landgoed, maar hij liet zich op 19-jarige leeftijd op een markt in het aangrenzende Pommeren werven in het Zweedse leger. Op 30 april 1774 had hij een zesjarig contract getekend bij de 400 huzaren van het eskadron Psilanderhielm in het regiment Mörner en had meteen een paard toegewezen gekregen. Op de  rol wordt in de achternaam de r in een n veranderd. Niet bekend is of de schrijver slordig was, Carl Albrecht op de 13 jaar oudere rol zag staan of onderscheid wilde maken met de Zweedse graaf, die het regiment in 1704 in de westelijke mars en de Slag om Posen aanvoerde.

Hun moeder was Gertrud Johanna Lärka, dochter van Anders Håkansson Lärka en Anna Maria Lambertsdotter. Zij was in Simrishamn geboren op 13 augustus 1744 en dus 11 jaar ouder dan haar man. Misschien was het huwelijk een gevolg van de geboorte van hun eerste zoon. Nadat vader’s eskadron een nieuwe chef Adolf Lewenhaupt kreeg had hij twee keer bijgetekend, tot zijn overstap naar het Lijfregiment van de Koningin in 1788 bij het uitbreken van de Zweeds-Russische Oorlog. Na een kort gevecht tegen het Noors-Deense leger boven Göteborg en de oversteek terug naar Stralsund in 1791 had de 36-jarige vader nog de helft van zijn zesjarige contract uitgediend bij de compagnie van kapitein Blessing. Medio 1794 had hij afscheid genomen en was  in Stralsund nachtwaker geworden. 

De twee broers werden bij de verdediging van Stralsund eind januari 1807 eerst geconfronteerd met Franse troepen onder Édouard Mortier. Deze achtervolgde de Zweedse koning Gustav IV Adolf, die enthousiast geworden door de Engelse overwinning bij Trafalgar tegen de wens van zijn adviseurs in ruim een jaar eerder tot de coalitie tegen Napoleon was toegetreden, met zijn leger alle gevechten in Noord-Duitsland had verloren en al weer nipt veilig naar Zweden was teruggekeerd. Na enkele maanden marcheerde Mortier met het grootste deel van zijn leger van Stralsund weg naar het front tegen de Pruisen bij Kolberg. Toen kwamen troepen van het Koninkrijk Holland de Franse restanten versterken.

Op 1 april deden de broers mee met de grote uitval van het Zweedse garnizoen. Na drie dagen van hevige gevechten was de vijand tot ver over de Zweeds-Pommerse grens teruggeslagen en waren vele gevangen genomen. Kort daarop werden zij toch weer teruggedrongen, omdat de Europese coalitie tegen Napoleon uiteenviel en het Franse legercorps terugkeerden. Essen en Mortier kwamen op 18 april in Schlatkow een wapenstilstand langs de rivieren Trebel en Peene overeen. Na twee maanden kwam de Zweedse koning zelf naar Schlatkow om het bestand te verlengen, maar wilde de strijd tegen Napoleon voortzetten. Hij trachtte vergeefs de nieuwe Franse legeraanvoerder Brune aan zijn zijde te krijgen. In plaats daarvan sloeg een veel groter Frans leger op 13 juli een nieuw beleg om Stralsund.

De Zweden hielden geen stand. Oudste broer Joachim Andreas week met zijn compagnie uit naar Malmö en jongste broer Johann Caspar jr behoorde bij de troepen die op 20 augustus op Rügen capituleren en op 11 september op non-actief worden gezet. In alle commotie overleed moeder Gertrud Johanna op 10 november 1807 aan ernstige zijsteken tijdens een longontsteking en werd zij drie dagen later in de St Jürgen Kerk van Stralsund begraven. (1)

De Pruisische patriot Von Schill deed twee jaar later met een vrijkorps vanuit Rostock een inval in Pommeren. Hij werd achtervolgd door Hollands-Deense troepen. Op 31 mei 1809 kwam het tot bloedige straatgevechten in Stralsund, die Von Schill met een totaal verlies moest bekopen. Op zijn hoofd had de koning van Westfalen (een andere broer van Napoleon) een hoog losgeld gezet. Via hem belandde het gedurende enkele tientallen jaren in een Leidse bibliotheek. De Zweedse koning Gustaaf IV Adolf was thuis intussen gearresteerd en verbannen, omdat door zijn oorlogspolitiek voor Zweden veel verloren was gegaan: Pommeren aan de Franse keizer, Finland aan de Russische keizer, wiens troepen al boven Stockholm arriveerden. De nieuwe koning Karel XIII – de broer van de vermoorde koning Gustaaf III en oud-minnaar van Brita Horn, de dochter van gravin Anna Catharina von Meijerfeldt – wist snel vrede te sluiten. De tsaar werd groothertog van Finland, Noorwegen bleef Deens, het Continentaal Stelsel werd ook hier ingevoerd en de Franse maarschalk Bernadotte werd de nieuwe kroonprins van Zweden.

In ruil voor dit alles kwam Pommeren eind januari 1810 terug in Zweedse handen. Dat was het sein voor de broers Meijerfeldt om in Greifswald keren terug naar hun Lijfregiment van de Koningin. Joachim Andreas was invalide geraakt bij de tweede belegering van 1807 of daarna en werd aangesteld tot tamboer. Johann Caspar jr werd eerst wapenmeester en daarna eveneens tamboer. In het regiment was dit niet zomaar een trommelaar, maar een even belangrijke functionaris op het slagveld als de vaandrig. Zijn pauk was een even begeerlijke oorlogsbuit als het vaandel. In tegenstelling tot de vaandrig was de tamboer niet van adellijke afkomst en een zeer ervaren soldaat. Vader Johann Caspar sr leefde nog tot 1830 in Stralsund. De twee broers trouwden in Greifswald en kregen kinderen en kleinkinderen.

Terug   ***   Fiche   ***   Verder

1. Kirchenbuch St Jürgen Stralsund 1807, pag. 150, nr. 385, des Nachtwächters Maierfeld Ehenfrau Gertrud Johanna Kerker, geb. in Schweden, 75 Jahre, Seitenstiche. De genoemde leeftijd maakt haar 12 jaar te oud.