Eerdere naspeuringen

Het materiaal dat in 1987 de aanleiding voor de speurtocht gaf was het resultaat van onderzoek dat verscheidene familieleden in eerdere generaties naar de herkomst van de Nederlandse familie hadden ingesteld. Hier volgt een overzicht.

In de eerste generatie

Johan August (1760-1838) was niet alleen de eerste Nederlandse Von Meijenfeldt, maar deed ook als eerste onderzoek naar de herkomst van de familie. Naar zijn eigen afkomst dus. Volgens familieoverlevering wilde hij rond 1830 naar Stockholm reizen, maar hielden zijn kinderen hem daarvan af vanwege zijn hoge leeftijd. In plaats daarvan reisde hij naar Magdeburg. Zijn kinderen en kleinkinderen hebben nooit geweten waarom.

Het is niet eenvoudig na te gaan welke personen in die tijd naar Magde­burg zijn gereisd, laat staan wat hun doel was. De naam Meij­er­feldt (inclu­sief varian­ten) komt in het stads­ar­chief van Magdeburg niet voor. Wel blijkt daar in 1830 de stadsrechter Friedrich Thilo te wonen. (1) Hij heeft dezelfde achternaam als de echtgenoot van Augusta Juliana Meijerfeldt in het testament van de laatste Zweedse graaf, het kerkboek van Medrow, het Pommersches Geschlechterbuch en nog te behandelen doopgetuigen in Rotterdam (inclusief voornaam). Een interessant reisdoel.

In de tweede generatie 

Carl sprak niet graag over familieaangelegenheden, maar was in zijn hart militair. Als de ouders ’s avonds naar de kerk waren vertelde hij verhalen aan zijn kleinkinderen en moest elk kleinkind aanslaan op de hem of haar toebedeelde militaire rang. Pas te laat realiseerden de kleinkinderen zich dat hiermee de geschiedenis van de Von Meijenfeldts werd nagespeeld. (2)

Dat Carl zich niet graag met de afkomst van de familie bezighield valt lastig te rijmen met zijn brief naar Helsingfors.

In de derde generatie 

Van de 10 kinderen van Carl zijn vooral zijn zoons Carl (gehuwd met Magré de Haas), Frits (gehuwd met Engeltje de Koe) en Hendrik (gehuwd met Anna Augustijn) geïnteresseerd in de herkomst van de familie. (3)

Carl beweerde dat er Von Meijenfeldts in Sleeswijk-Holstein woonden, een grensgebied tussen Duitsland en Denemarken. In dat gebied ligt wel de plaats Meynfeld, maar een familie met die naam is daar onvindbaar.

Van Frits zijn drie beweringen bekend:
— In Elseneur (= Helsingør) in Denemarken zou een stamboom berusten; toen Mrs. De Vries & Bijleveld hem in een onderhoud vertelden dat zij hun onderzoekskosten voorlopig op ƒ 2000 raamden zag hij meteen van de onderneming af. Dankzij internet is er tegenwoordig gratis toegang tot dergelijke bronnen en ging het vermoedelijk om een lemma over het Zweedse geslacht Meijerfeldt in één van de genealogische handboeken.
— In het familiewapen zou een balk behoren te staan omdat Johan August een onechte zoon was. Dit snijdt pas hout als de Zweedse graaf Meijerfeldt de Nederlandse Johan August als zijn natuurlijke zoon zou hebben erkend. Dat is niet gebeurd, waardoor hij geen enkel recht had om een wapen te voeren, ook niet met balk.
— Moeder Diederich zou familie zijn van de toenmalige Zweedse gezant in Den Haag, waaraan de naam Sparre verbonden was. In de uitvoerige stamboom Diederich komt geen Sparre voor. De naam Sparre is wel verbonden aan de grootmoeder van vader Carl en de vrouw van de Zweedse graaf. Aangenomen moet worden dat hier de verwarring ligt.

Hendrik beweerde dat de Nederlandse familie Diederich achter hun naam mocht voeren. In de paragraaf Diederich worden hierover twijfels geuit. 

In de vierde generatie

In de volgende generatie was het in het bijzonder Govert in Heiloo (tak Augustijn, gehuwd met Woldringh) die onderzoek deed. Van 25 juni tot en met 7 juli 1934 ondernam hij een drie-hoofdsteden-reis naar Scandinavië, kwam terug met foto’s van het familiewapen in de Riddarholmskyrkan te Stockholm en liet daarvan een afbeelding maken in zijn Zwitserse tijd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij schreef en ontving een zestigtal brieven, onder andere met zijn neven Frits (tak De Koe, gehuwd met Kimmijser) en Carl in Voorburg (tak Van Leusden, gehuwd met Van der Straaten). Beiden woonden dicht bij het Rijksarchief en Carl had als oudste zoon veel originele familiepapieren. Zij kwamen alle drie tot de conclusie dat hun overgrootvader een natuurlijke zoon van de Zweedse graaf en veldmaarschalk moest zijn geweest.

Govert probeerde fami­liele­den warm te maken voor zijn speurtocht naar de afkomst van de fami­lie, maar slaagde daarin maar gedeeltelijk. In 1934 wendde hij zich tot fami­lie­leden om finan­ciële bijstand voor een onderzoek door de stads­ar­chivaris van Stral­sund. Hij betaalde hem in 1939 een bedrag 50 DM, maar deze zag af van het onderzoek en betaalde het bedrag vermoedelijk niet terug vanwege een verbod op export van deviezen door de Nazi’s. Toen hij na onder­zoek in het Rotterdamse gemeentear­chief bij neef Roelof langsging, merkte deze – met voor­spel­lende gave – op: “Zou je hier wel mee doorgaan? Je weet maar nooit hoeveel ondergescho­ven kinde­ren boven water komen.”

Carl voegde aan de verhalen van zijn ooms Carl, Frits en Hendrik het volgende toe: (4)
— de Zweedse graaf komt voor in het boek “De Koningin boven den Koning” van Johanna van Breevoort. Daarover elders meer.
— de familiepapieren zijn verloren gegaan. “Van die vuurwerkfabriek is waar. Bij die ontploffing zijn inderdaad alle papieren, porcelein, enz. verloren gegaan en is het naakte lijf alleen gered, alleen maar wil ik nog uitvisschen, of dat in Rotterdam is geweest of te Bergen op Zoom.” Zie ook de paragraaf Overleveringen.

Frits vond de eenvoudige afbeelding van het familiewapen in het standaardwerk van Rietstap, noemde als naam van de biologische moeder Antonette von Sprint, opperde het alternatief dat de Zweedse graaf Carl Friedrich de natuurlijke vader was, had gelezen dat Nehringen nog in 1853 in Zweeds familiebezit was, somde een aantal naslagwerken op die hij had geraadpleegd, deed de vondst dat Johan August in 1808 constabel-majoor was op de “Brabant” en dat er nog een Kurhessische familie met dezelfde naam in Fulda was. (5)

In de literatuur

De Nederlandse familie Von Meijenfeldt is niet opgenomen in “Nederland’s Adelsboek”, “Nederland’s Patriciaat” en de tijdschriften van het Centraal Bureau voor Genealogie en de Nederlandse Genealogische Vereniging.

In “De Nederlandsche Leeuw” staat in jaargang 1933 de volgende vraag:

Meyenfelt. Wie zou iets kunnen meedeelen omtrent Graaf Meyenfelt, afkomstig uit Zweden, die zich omstreeks 1801 te Rotterdam heeft gevestigd; waar is hij gehuwd, met wie, wie waren zijn kinderen, broeders, zusters en wat gaf aanleiding tot zijn vertrek uit Zweden? ‘s-Gr., v. G.

Een maand later beschrijft W.J.L. Poelmans uit Rotterdam de eerste en tweede generatie van de familie en de Rotterdamse adressen, maar de titel “graaf” en de reden van aankomst heeft hij niet kunnen vinden. De vragensteller blijkt een redacteur te zijn, die de vraag op verzoek van bovengenoemde Frits von Meijenfeldt gesteld had. 

In “Ons Voorgeslacht” wordt in de jaargangen 1980, 1981 en 1992 de kwartierstaat van de familie Van der Tas behandeld, waarin Catharina Margaretha von Meijenfeldt is opgenomen. De auteur is haar kleinzoon G. van Niekerken. (6)

 

1. Brieven van A.R. Buchholz, Amtsleiter Stadtarchiv Magdeburg, 6 januari en 3 februari 1992 [CH-228 t/m CH-230].
2. Brief van Carl (Nl.1) aan Govert (Na.4) von Meijenfeldt d.d. 10 november1935. [CG-39] Hij had dit gehoord van Cato Bakhuizen-van der Tas, dochter van Cato von Meijenfeldt (N.56).
3. Briefwisseling tussen Carl (Nl.1) aan Govert (Na.4) von Meijenfeldt d.d. 10 oktober 1935 [CG-37], 14 oktober 1935 [CG-38], 10 november1935 [CG-39] en 18 november 1935 [CG-40].
4. Idem als noot 3.
5. Briefwisseling tussen Frits (Nk.3) aan Govert (Na.1) von Meijenfeldt d.d. 23 juli 1934 [CG-16], 25 juli 1934 [CG-18], 30 juli 1934 [CG-19] en 18 november 1934 [CG-24].
6. “De Nederlandsche Leeuw, Maandblad van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde”, 1933, vraag v.G. en antwoord W.J.L. Poelmans, pag. 423 en 454. “Ons Voorgeslacht, Maandblad van de Hollandse Vereniging voor Genealogie”, 1980, pag. 413, 1981, pag. 17 en 1992, pag. 505.