Voor de Amsterdamse notaris Pieter van der Meulen stond op 27 september 1713 Otto Meijerfelt van Amsterdam, opperstuurman, als eerste van drie personen op een scheepsverklaring. Hij ondertekende deze met Meijerfeelt. De drie verklaarden die zomer op het fregatschip Philippus onder kapitein Gijsbert van Beeren te hebben gevaren naar Gallipoli (een haven in de hak van de laars van Italië). Zij zeggen daar grote en klein vaten olijfolie te hebben geladen, gestouwd en luiken gesloten volgens goed zeemansgebruik. De thuisreis was op 21 juli aanvaard, maar onderweg was door storm schade aan de lading ontstaan. In een soortgelijke scheepsverklaring van 25 mei 1712 over een vaart naar Livorno onder Pisa gaat het om Otto Theunisz van CarelsCroon onderstuurman en een ondertekening met Túnesen. (1)
De handtekeningen van Otto geven een Zweedse connotatie: Meijerfeelt door de uitspraak en Tunesen door de betekenis stadszoon. Karlskrona is een vanaf 1680 planmatig aangelegde, gebouwde en bevolkte marinehaven en stad in het zuiden van Zweden.
Karlskrona in 1680, noord-zuid omgekeerd
Op 25 februari 1716 laat Otto zich in Amsterdam aannemen als lidmaat van de Evangelische Lutherse Gemeente. Na een nieuwe reis naar Italië gaat hij bij terugkomst op 27 november in ondertrouw op het stadhuis. Een trouwerij in een niet-hervormde kerk heeft geen rechtskracht. Hij geeft op 33 jaar oud te zijn, waarmee zijn geboortejaar op 1683 uitkomt. Hij geeft op in Amsterdam aan de Stromarkt te wonen; dat is niet ver van het IJ aan het Singel. Hij blijkt een broer Andries als getuige mee te nemen.
Ondertrouwregister Stadhuis 27-11-1716
De bruid Margaretha (Margrietje) Jacobs is 25 jaar oud en woont aan de Voorburgwal. Haar 62-jarige moeder Sara Pieters gehuwd Jacobs is getuige en eerder getrouwd met de vermogende Jan van Gerven. De vader van de bruid is Jacob Joosten, in 1653 geboren in Kampen (niet aan de IJssel maar in De Biesbosch) en eerder getrouwd met Maria Jans, de weduwe van de eveneens vermogende Jurriaan Harmens van der Kamp. Het gezin voegt naast het patroniem vaak de naam Kamp toe.
Het driewekelijks huwelijksgebod vindt plaats op 29 november, 6 december en 13 december. Op de laatste datum vindt tevens de bevestiging voor de Schepenen plaats, gevolgd door de trouwerij in de Evangelisch-Lutherse Kerk. Dankzij de schoonvader verwerft Otto twee dagen later het Amsterdamse poorterschap. Na een half jaar sluit het echtpaar een wederzijds testament af. Enkele weken later wordt hun dochter Barbara geboren en op 14 september 1717 door de dominee gedoopt. (2)
Broer Andries staat niet alleen in de ondertrouwacte vermeld, maar ook in het doopboek en in het testament. Andries trouwt zelf ook in Amsterdam op 20 april 1719 met de 43-jarige Anna de Witt, wonend achter de Cathuisers en stelt een testament op waarin hij zijn broer Otto aanwijst. Uit alle documenten blijkt dat ook hij uit Karlskrona komt en varensman is. Bovendien is hij weduwnaar van Maria Martens. Een vrouw met die naam uit Danzig trouwde in Amsterdam op 40-jarige leeftijd op 30 maart 1703 met de 33-jarige Andries Theunisz uit Karlskrona. Dat betekent dat Andries al in 1670 geboren is. Zij overlijdt in Amsterdam in 1714.
In zijn nieuwe testament van 12 mei 1719 nam Andries een bijzondere bepaling op. Als hij als eerste zou sterven en syn moeder Bentje Magnus nog in leeven mogte syn, waarvan hij in eenige jaren geen brieven heeft gehad, dan zou haar als erfgenaam een legitieme portie toekomen. Dat de broers bij hun huwelijk steeds opgaven dat hun ouders dood waren, moet kennelijk met een korrel zout worden genomen.
Otto werd kapitein in de kustvaart op de Egyptische Galeij en vertrok eind 1720 naar Lissabon. Vanaf januari 1722 was hij tien jaar lang kapitein op de St. Franciscus naar het zuiden en rondom Gibraltar naar diverse Franse en Italiaanse havensteden. In 1723 werd de 53-jarige Andries Meijerfeldt, inmiddels sjouwer, voor de tweede maal weduwnaar. Hij hertrouwde de weduwe Anna Catharina Philips uit Flensburg en stelde met haar een nieuw testament op zonder zijn moeder te noemen. In 1726 werd een zoon Andries geboren, die na twee maanden al overleed. Het gezin woonde aan de Lindengracht bij de Noorderkerkstraat in de gang achter de bakker.
In het jaar 1733 beëindigde Otto zijn maandenlange vaarten en liet zich als kapitein opvolgen door Cornelis Breeker. In Amsterdam werd hij koopman en financier. Hij werd onder andere administrateur van testamenten, getuige bij notariële akten en handelde in schuldbrieven van zeelieden van eigen komaf: stuurmannen uit Zweden. Zo tekenden de broers Siewerts uit Karlshamn (een havenstad westelijk naast Karlskrona) in 1737 en 1738 een schuldbekentenis of obligatie aan hem voor al hun schulden, vlak voordat zij wegvoeren als onderstuurman respectievelijk soldaat met een VOC-schip. Het zijn geen kleine schulden: ze bedragen maar liefst 1.340 en 700 gulden. Otto zal de bedragen binnen 20 maanden met 4% rente terugkrijgen. Tot zekerheid stellen zij hun persoon en goederen en de gage die zij gaan verdienen. Dat is niet overbodig, want vijf jaar later overleed één van hen op de thuisreis.
Op 8 mei 1739 kocht Otto aan het End van de Waerelt het huis met de naam St. Maarten op de gevel en een achterhuis en erf op de hoek van de Nieuwezijds Voorburgwal en de Klimopsteeg.
Klimopsteeg of -straatje |
Woon- en Pakhuis ’t End van de Waereltlinks Nieuwezijds Voorburgwal rechts Achterburgwal / Spuistraat |
Otto en Margrietje kregen alleen Barbara als kind. Op 23-jarige leeftijd deed zij geloofsbelijdenis bij dominee Meijer. Op 20 november 1744 ging zij in ondertrouw met de 36-jarige Gerrit ’t Ziep, weduwnaar van Anna Raad (Antje Rade). In 1746 werd een dochter Margreta geboren, waardoor Otto grootvader was. De baby overleed echter. In 1748 werd nog eens een dochter Margreta geboren en begraven.
Otto verloor daarna nog meer familieleden. Broer Andries werd op 30 maart 1748 begraven. Een week nadat zij in 1750 getuigde bij de doop van een kind overleed Barbara Meijerfeldt op 18 februari op 32-jarige leeftijd. Zijn vrouw Margrietje Jacobs werd 10 april 1755 begraven. Vanaf zijn 72-ste leefde Otto nog 13 jaar zonder vrouw, dochter en broer, alleen met schoonzoon Gerrit ’t Ziep. Op 5 juli 1768 werd hij net als zijn vrouw, dochter en broer in de Nieuwe Lutherse Kerk begraven. Zijn bezittingen werden op openbare veilingen verkocht en brachten 11.650 gulden op. Apart werden zijn kostbare inboedel van porselein, kleding, juwelen en zilver verkocht. Zijn schoonzoon en de neven en nichten van zijn vrouw erfden dit vermogen, maar de naam Meijerfeldt nam hij mee het graf in.
Op grond van het bovenstaande is geen feitelijk verband van de broers uit Karlskrona met het Zweedse geslacht en de Nederlandse familie te leggen. Door dezelfde achternaam met Zweedse afkomst en Nederlands verblijf dringen zich wel de volgende gedachten op. Zou Otto in 1713 de achternaam Meijerfeldt hebben aangenomen toen zijn moeder Bentje Magnus hem onthulde dat vaandrig Carl Friedrich von Meijerfeldt sr haar in 1682 zwanger had gemaakt bij een tussenstop in Karlskrona op weg naar het front in de Zuidelijke Nederlanden? Zo ja, zou Otto hebben achterhaald dat zijn natuurlijke vader vier jaar eerder in Poltava was gesneuveld en in de winter van 1746-1747 de jonge graaf Von Meijerfeldt in Amsterdam hebben weten aan te schieten?
1. Stadsarchief Amsterdam (SA) / Notariële Archieven (NA), Inv 6798, Akte 510304, Inv 6804, Akte 577268 en Inv 6820, Akte 620290.
2. SA / Particuliere Archieven (PA), 213 Evangelisch-Lutherse Gemeente, Inv 559 Communicantenregister 1716 M. SA, 5001 Trouw, Inv 710, fol 384. SA, 5033 Poorterboeken 17′ 14′ 1716-1719, O, M, fol 354. SA/NA, Inv 6752A, Akte 146320. SA, 5001 Doop, Inv 201, fol 8v.


