3.4.1. Karlskrona

Toen de jonge Zweedse graaf Johann August von Meijerfeldt jr in de winter van 1746-1747 Amsterdam bezocht leefden daar Otto Meijerfeldt. Hij woonde in het huis met de naam St. Maarten op de gevel in de Klimopsteeg, tussen Nieuwezijds Voorburgwal en Achterburgwal, aangebouwd tegen het pakhuis End van de Waerelt. Op 8 mei 1739 had hij die grote woning contant voor 1800 gulden gekocht van het geld dat hij verdiend had als kapitein op kustvaarders naar de Middellandse Zee en sinds 1733 geldschieter voor zeeofficieren, vergelijkbaar met Weurman later bij de stamvader.

Klimopsteeg of -straatje Woon- en Pakhuis ’t End van de Waerelt
links Nieuwezijds Voorburgwal
rechts Achterburgwal / Spuistraat

De naam van Otto verschijnt in Amsterdam voor het eerst op 27 september 1713 bij de notaris. Hij ondertekende een scheepsverklaring met Meijerfeelt. Daarin verklaarde hij die zomer opperstuurman op het fregatschip Philippus te zijn gevaren naar Gallipoli, een haven in de hak van de laars van Italië. Daar waren grote en kleine vaten olijfolie geladen, gestouwd en luiken gesloten volgens goed zeemansgebruik. De thuisreis was aanvaard op 21 juli, maar onderweg was schade aan de lading ontstaan ten gevolge van een zware storm.

Op 25 februari 1716 liet Otto zich in Amsterdam aannemen als lidmaat van de Evangelisch-Lutherse Gemeente. Na een nieuwe reis naar Italië ging hij bij terugkomst op 27 november in ondertrouw op het stadhuis. Een trouwerij in een niet-hervormde kerk had geen rechtskracht.

Otto gaf op uit Karlskrona te komen. Dat was een vanaf 1680 planmatig aangelegde, gebouwde en bevolkte marinehaven en stad in het zuiden van Zweden. Rekenend met zijn 33-jarige leeftijd was hij daar in 1683 geboren. Nu woonde hij aan de Stromarkt, waar de Singel bijna in het IJ eindigt. Zijn ouders waren dood, maar zijn broer was zijn getuige. Deze Andries is op dat moment niet in de stad te vinden.

De Amsterdamse bruid was Margrietje Jacobs, 25 jaar oud, wonend aan de Voorburgwal. Dominee Tissel van de Lutherse kerk had haar op 21 oktober 1692 gedoopt. Vader Jacob Joosten gaf haar het patroniem Jacobs mee, was in 1653 geboren in Kampen (niet aan de IJssel maar in De Biesbosch) en eerder getrouwd met Maria Jans, de weduwe van de vermogende Jurriaan Harmens van der Kamp. Het gezin voegde naast het patroniem vaak de naam Kamp toe. Haar moeder Sara Pieters was getuige bij het huwelijk. Ook zij was eerder getrouwd met een vermogende Jan van Gerven. 

Het driewekelijks huwelijksgebod voor Otto en Margrietje vond op 29 november, 6 december en 13 december 1716 plaats. Op de laatste datum was de bevestiging voor de Schepenen, gevolgd door de trouwerij in de Evangelisch-Lutherse Kerk. Dankzij de schoonvader verwierf Otto twee dagen later het Amsterdamse poorterschap.

Op 28 juli 1717 was Margrietje hoogzwanger toen zij met Otto een wederzijds testament bij de notaris afsloot. De tekst bevatte standaard bepalingen. Toegevoegd werd dat de nog levende moeder van de eerst stervende een legitieme portie zou toekomen, mits er uit het huwelijk geen kinderen (meer) leefden. Mocht Otto op reis zijn dan moest zijn broer Andries de honneurs waarnemen. Enkele weken later werd een dochter geboren en door de dominee op 14 september 1717 met de naam Barbara gedoopt, met opnieuw Andries als getuige.

Drie keer is Andries Meijerfeldt nu al als broer genoemd. Op 20 april 1719 speelde hij eindelijk zelf de hoofdrol in Amsterdam. Hij ging in ondertrouw.

Hij kwam eveneens uit Karlskrona en woonde In ’t Hemelrijk, de sloppenwijk op de kop van de Voorburgwal. Zijn leeftijd staat niet vermeld, maar zijn bruid is 43 jaar oud. Bij hem staat vermeld dat hij weduwnaar van Maria Martens was. Een vrouw met die naam werd in Amsterdam op 24 juni 1714 begraven. Een andere of zelfde vrouw met die naam uit Danzig trouwde op 30 maart 1703 op 40-jarige leeftijd met de 33-jarige Andries Theunisz, met diens neef Barendt Pieterse Visser als getuige, allebei uit Karlskrona. Als dit dezelfde Andries was zou hij 13 jaar ouder dan Otto zijn geweest. Omdat een stuurman Otto Theunisz van CarelsCroon getekend Túnesen op 25 mei 1712 verklaarde, dat hij naar Livorno onder Pisa gevaren was onder dezelfde kapitein met hetzelfde schip als Otto Meijerfeldt een jaar later, lijkt dat aannemelijk. Dat zou betekenen dat broers hun achternaam tussen die twee data in Meijerfeldt hebben veranderd.

Andries en Anna de Witt gingen wonen op de Lindengracht, voorbij de Kerkbrug bij de Noorderkerkstraat in de gang achter de bakker. Zij  stelden een week na hun huwelijk een testament op met de bekende bepalingen en zijn broer Otto als zaakwaarnemer. Zelfs de passage over de moeder stond er. Andries voegde toe dat hij niet wist of zijn moeder Bentje Magnus nog in leven was, omdat hij al jaren geen brieven van haar had ontvangen. Otto had eerder ingevuld dat beide ouders dood waren, maar meestal diende dat om de vereiste van instemming te omzeilen.

In 1720 klom Otto op tot kapitein. Hij bleef in de kustvaart actief en vertrok eind dat jaar op het schip de Egyptische Galeij naar Lissabon. Vanaf januari 1722 was hij tien jaar lang kapitein op de St. Franciscus langs de kust naar het zuiden, rondom Gibraltar en diverse Franse en Italiaanse havensteden. Ook Andries was geen stuurman meer, maar werd sjouwer in de haven. 

Andries was nog geen vier jaar met Anna de Witt getrouwd toen zij kwam te overlijden en op 23 maart 1723 werd begraven. Andries trouwde op 16 september van dat jaar nog een derde keer, met de weduwe Catharina Philips uit Flensburg. Een jaar later stelde hij een testament met haar op, waarin hij niet zijn moeder maar wel zijn broer Otto aanwees. Zijn nieuwe bruid beviel van een zoon Andries. Otto en Margrietje waren op 18 april 1726 getuigen bij de doop.  Na twee maanden overleed het kind al. 

In het jaar 1733 beëindigde Otto zijn maandenlange afwezigheid van huis en liet zich als kapitein opvolgen. In Amsterdam werd hij koopman, geldschieter, administrateur van testamenten en getuige bij notariële akten. Hij handelde vooral in schuldbrieven van zeelieden van eigen komaf: stuurmannen uit Zweden. Zo tekenden de broers Siewerts uit Karlshamn (een havenstad westelijk naast Karlskrona) in 1737 en 1738 een schuldbekentenis of obligatie aan hem voor al hun schulden, vlak voordat zij wegvoeren als onderstuurman respectievelijk soldaat met een VOC-schip. Het waren geen kleine schulden: ze bedroegen maar liefst 1.340 en 700 gulden. Otto zou de bedragen binnen 20 maanden met 4% rente terugkrijgen. Tot zekerheid stelden zij hun persoon en goederen en de gage die zij gingen verdienen. Dat was niet overbodig, want vijf jaar later overleed één van hen op de thuisreis.

Otto en Margrietje kregen alleen Barbara als kind. Op 23-jarige leeftijd deed zij geloofsbelijdenis bij dominee Meijer. Op 20 november 1744 ging zij in ondertrouw met de 36-jarige Gerrit ’t Ziep, weduwnaar van Anna Raad (Antje Rade). In 1746 werd een dochter Margreta geboren, waardoor Otto grootvader werd, maar de baby overleed.

Na het bezoek van de Zweedse graaf in de winter van 1746-1747 verloor Otto in korte tijd zijn gezinsleden. In de Nieuwe Lutherse Kerk was achtereenvolgens de begrafenis van zijn 78-jarige broer Andries op 30 maart 1748, van een nieuw geboren kleindochter Margreta in datzelfde jaar en van zijn 32-jarige dochter Barbara op 18 februari 1750. Otto en Margrietje verkeerden in een vermogende positie zonder directe erfgenamen, dus zagen zij aanleiding om op 13 oktober 1750 een geheel herzien testament op te stellen. Zij benoemden elkaar tot algeheel erfgenaam. Voor de langstlevende regelden zij het ook, waarbij zij hun aangetrouwde familieleden Gerrit ’t Ziep en Catharina Philips niet noemden, maar wel een ingewikkeld pallet van hun broers en zussen met hun nabestaanden.

Hier is het pallet van Otto interessant. Zijn familie kwam uit een dorp twee Zweedse mijlen (20 km) van Karlskrona bij Caltrop (= Kaltorp) in de parochie van Listerby. Genoemd worden broer Pieter en drie zussen Christina, Ellien en Engel Truijlson. Dit zijn vernederlandste namen uit Zuid-Zweden. Hoogstwaarschijnlijk gaat het om Per, Kristin, Elin en Ingel met het patroniem Trulsson.  

Op 10 april 1755 overleed Margaretha Jacobs, waardoor Otto als 72-jarige weduwnaar verderging. Hij hertrouwde niet, in tegenstelling tot zijn schoonzoon Gerrit ’t Ziep. De weduwe van Andries overleed op 28 juli 1761. Tenslotte overleed Otto op 30 juni 1768 op 87-jarige leeftijd en werd 7 juli begraven. Zijn bezittingen werden op openbare veilingen verkocht en brachten 11.650 gulden op. Apart werden zijn kostbare inboedel van porselein, kleding, juwelen en zilver verkocht. De bloedverwanten erfden dit vermogen, maar de naam Meijerfeldt nam hij mee het graf in.

Otto Meijerfeldt legt door naam, plaats en tijd met vooral het Zweedse geslacht. Of hij in de winter van 1746-1747 de jonge graaf Von Meijerfeldt in Amsterdam ontmoette blijft ongewis. Of hij rond 1713 de naam aannam, omdat zijn moeder (Bentje Magnus) hem onthulde dat vaandrig Carl Friedrich von Meijerfeldt sr haar in 1682 zwanger had gemaakt bij een tussenstop in Karlskrona op weg van Riga naar het front in de Zuidelijke Nederlanden is ronduit speculatief.

Terug   ***   Bronnen   ***   Verder