3.4.1. Karlskrona

Uit Karlskrona kwamen twee luitenants die de Nederlandse stamvader in Paramaribo ontmoette; daar overleed de één in 1795 en arriveerde de ander in 1796. Uit Karlskrona kwam ook scheepskapitein Otto Meijerfeldt, die tijdens het verblijf van de Zweedse graaf in de winter van 1746 op 1747 in Amsterdam woonde. Hij was in die Zweedse marinestad geboren in 1683, het jaar nadat de Zweedse vaandrig Carl Friedrich von Meijerfeldt sr daar was langsgeweest op weg naar het front in de Zuidelijke Nederlanden. Otto is een naamgenoot om verder uit te zoeken.

De moeder van Otto was Bentje Magnus, afkomstig uit het dorp Caltrop / Kaltorp in de parochie Listerby, twee Zweedse mijlen (20 km) van Karlskrona. Zij had daar een zoon Pieter / Per en drie dochters: Christina / Kristin, Ellien / Elin en Engel / Ingel. Zij droegen het patroniem Truijlson / Trulsson, maar niet de achternaam Meijerfeldt. 

Otto was stuurman op het fregatschip ‘Philippus’ met thuishaven Amsterdam, getuige enkele door hem ondertekende scheepsverklaringen. Op 25 mei 1712 verklaarde hij naar Livorno onder Pisa gevaren te zijn, noemde zijn patroniem Theunisz en tekende met Tunesen. O27 september 1713 noemde hij als bestemming Gallipoli, een haven in de hak van de laars van Italië, waar grote en kleine vaten olijfolie waren geladen, gestouwd en luiken gesloten volgens goed zeemansgebruik. Op de thuisreis vanaf 21 juli was onderweg schade aan de lading ontstaan ten gevolge van een zware storm. Ditmaal ondertekende hij met Meijerfeelt.

Otto woonde ook in Amsterdam, aan de Stromarkt waar de Singel bijna in het IJ eindigt. Hij liet zich op 25 februari 1716 aannemen als lidmaat van de Evangelisch-Lutherse Gemeente. Na een nieuwe reis naar Italië ging hij bij terugkomst op 27 november in ondertrouw. Dat moest op het stadhuis, want een trouwerij in een niet-hervormde kerk had geen rechtskracht.

Hij verklaarde dat zijn ouders dood waren en nam zijn broer Andries Meijerfeldt als getuige mee. De Amsterdamse 25-jarige bruid Margrietje Jacobs woonde aan de Voorburgwal. Dominee Tissel van de Lutherse kerk had haar op 21 oktober 1692 gedoopt. Haar vader Jacob Joosten gaf haar het patroniem Jacobs mee, was zelf in 1653 geboren in Kampen (niet aan de IJssel maar in De Biesbosch) en eerder getrouwd met Maria Jans, de weduwe van de vermogende Jurriaan Harmens van der Kamp. Het gezin voegde naast het patroniem vaak de naam Kamp toe. Haar moeder Sara Pieters was getuige bij het huwelijk. Ook zij was eerder getrouwd met de vermogende Jan van Gerven. 

Het driewekelijks huwelijksgebod was op 29 november, 6 december en 13 december 1716. Op de laatste datum bevestigde de Schepenen het huwelijk en trouwden Otto en Margrietje in de Evangelisch-Lutherse Kerk. Dankzij de schoonvader verwierf Otto niet alleen een bruid, maar twee dagen later ook het Amsterdamse poorterschap. Op 28 juli 1717 was Margrietje hoogzwanger toen zij met Otto een wederzijds standaardtestament bij de notaris afsloot. In een extra bepaling werd toegevoegd dat de nog levende moeder van de eerst stervende een legitieme portie zou toekomen, mits er uit het huwelijk geen kinderen (meer) leefden. Mocht Otto op reis zijn dan moest zijn broer Andries de honneurs waarnemen. Enkele weken later werd een dochter geboren en door de dominee op 14 september 1717 met de naam Barbara gedoopt, opnieuw met Andries als getuige.

Broer Andries Meijerfeldt was 13 jaar ouder dan Otto. Hij was in Amsterdam op 30 maart 1703 getrouwd met de achternaam Theunisz, bijgestaan door zijn neef Barendt Pieterse Visser, allebei uit Karlskrona. De 40-jarige bruid Maria Martens uit Danzig werd op 24 juni 1714 begraven. Andries woonde In ’t Hemelrijk, de sloppenwijk op de kop van de Voorburgwal. Hij trouwde op 20 april 1719 nogmaals, ditmaal met de naam Meijerfeldt.

Hij ging met de 43-jarige bruid Anna de Witt aan de Lindengracht wonen, voorbij de Kerkbrug bij de Noorderkerkstraat in de gang achter de bakker. Zij stelden een week na hun huwelijk een testament op met de bekende bepalingen en broer Otto als zaakwaarnemer. Zelfs de passage over de moeder stond er in. Andries voegde toe dat hij niet wist of zijn moeder Bentje Magnus nog in leven was, omdat hij al jaren geen brieven van haar had ontvangen. Otto had eerder ingevuld dat beide ouders dood waren, maar meestal diende dat om de vereiste instemming te omzeilen.

In 1720 werd Otto kapitein in de kustvaart. Eind dat jaar ging hij met het schip ‘de Egyptische Galeij’ naar Lissabon en voer vanaf januari 1722 op de ‘St. Franciscus’ langs de kust naar het zuiden, rondom Gibraltar en diverse Franse en Italiaanse havensteden. Andries was over de 50 jaar oud, geen stuurman meer, maar wel sjouwer in de haven. Na nog geen vier jaar huwelijk werd Anna de Witt op 23 maart 1723 begraven. Andries trouwde op 16 september van datzelfde jaar een derde keer, met de weduwe Catharina Philips uit Flensburg. In hun testament wees hij niet meer zijn moeder maar zijn broer Otto aan als erfgenaam. Zijn nieuwe bruid was veel jonger en beviel van een zoon Andries. Otto en Margrietje waren bij de doop op 18 april 1726 getuigen. Het kind overleed na twee maanden. 

In het jaar 1733 beëindigde Otto zijn maandenlange afwezigheid van huis, liet zich als kapitein opvolgen en werd in Amsterdam koopman, geldschieter, administrateur van testamenten en getuige bij notariële akten. Net als Weurman later bij de Nederlandse stamvader handelde hij vooral in schuldbrieven van zeelieden van eigen komaf: stuurmannen uit Zweden. Zo tekenden de broers Siewerts uit Karlshamn (een havenstad westelijk naast Karlskrona) in 1737 en 1738 een schuldbekentenis of obligatie aan hem voor al hun schulden, vlak voordat zij wegvoeren als onderstuurman respectievelijk soldaat met een VOC-schip. Het waren geen kleine schulden: ze bedroegen maar liefst 1.340 en 700 gulden. Otto zou de bedragen binnen 20 maanden met 4% rente terugkrijgen. Tot zekerheid stelden zij hun persoon en goederen en de gage die zij gingen verdienen. Dat was niet overbodig, want vijf jaar later overleed één van hen op de thuisreis.

Op 8 mei 1739 kocht Otto van zijn verdiensten een grote woning contant voor 1800 gulden. Het huis had de naam ‘St. Maarten’ op de gevel in de Klimopsteeg, tussen Nieuwezijds Voorburgwal en Achterburgwal, aangebouwd tegen het pakhuis End van de Waerelt. 

Klimopsteeg of -straatje Woon- en Pakhuis ’t End van de Waerelt
links Nieuwezijds Voorburgwal
rechts Achterburgwal / Spuistraat

Barbara bleef het enige kind van Otto en Margrietje. Op 23-jarige leeftijd deed zij geloofsbelijdenis bij dominee Meijer. Zij ging op 20 november 1744 in ondertrouw met de 36-jarige Gerrit ’t Ziep, weduwnaar van Anna Raad (Antje Rade). In 1746 werd een dochter Margreta geboren, waardoor Otto grootvader werd, maar de baby overleed al snel. Na het winterbezoek van de Zweedse graaf verloor Otto in korte tijd zijn gezinsleden. In de Nieuwe Lutherse Kerk was achtereenvolgens de begrafenis van zijn inmiddels 78-jarige broer Andries op 30 maart 1748, van een nieuw geboren kleindochter Margreta in datzelfde jaar en van zijn 32-jarige dochter Barbara op 18 februari 1750. Omdat zij geen directe erfgenamen meer hadden voor hun aanzienlijk vermogen maakten Otto en Margrietje op 13 oktober 1750 een nieuw testament op. Zij benoemden elkaar tot algeheel erfgenaam. Hun aangetrouwde familieleden Gerrit ’t Ziep en Catharina Philips staan niet vermeld, wel zijn broers en zussen met nabestaanden in Zweden.

Op 10 april 1755 overleed Margaretha Jacobs. Otto bleef achter als 72-jarige weduwnaar en hertrouwde niet, anders dan zijn schoonzoon Gerrit ’t Ziep. Andries’ weduwe overleed op 28 juli 1761. Tenslotte overleed Otto zelf op 30 juni 1768 op 87-jarige leeftijd en werd op 7 juli begraven. Zijn bezittingen werden op openbare veilingen verkocht en brachten 11.650 gulden op. Apart werden zijn kostbare inboedel van porselein, kleding, juwelen en zilver verkocht. De bloedverwanten erfden dit vermogen, maar de naam Meijerfeldt nam hij mee in zijn graf.

Otto Meijerfeldt legt door naam, plaats en tijd vooral met het Zweedse geslacht een verbinding. Of hij de jonge graaf in Amsterdam ontmoette en of hij een natuurlijke zoon van diens oom Carl Friedrich sr was blijft een mysterie.

Terug   ***   Bronnen   ***   Verder