3.3.5. Afkoop

In de kerkboeken van de St Andreaskerk te Nehringen zijn veel familieleden van het Zweedse geslacht von Meijerfeldt te vinden. Op 15 juli 1800 staat de naam voor het laatst bij de begrafenis van de graaf en zijn bijzetting in het familiegraf in het kerkgewelf onder het koor, conform zijn wens zonder pracht en praal. De aanwezigen staan niet vermeld, maar het is niet denkbeeldig dat Augusta Juliana, zijn natuurlijke dochter en verkrijgster van zijn legaat, hierbij aanwezig was. Schabow ligt maar 21 kilometer reizen verwijderd. 

In een ander kerkboek verschijnt Augusta Juliana wel, namelijk aan de overkant van de rivier Recknitz in het stadje Sülze (Bad Sülze). Op 18 november 1801 kreeg zij een tiende kind met de namen August Friedrich Daniël en vijf dagen later vond de doop plaats. (1)

In dit kerkboek raakt zij feld in haar achternaam kwijt. Bij haar man staat voormalige pachter. Het landgoed Schabow stond te koop, omdat eigenaar von Bassewitz meer belangstelling had voor de opbrengsten van het kansspel dan het landgoed. Wolfsdorf had een nieuwe pachter Von Beringe.

Hoe Augusta Juliana het met acht jonge kinderen zonder pachtinkomen kon volhouden blijkt al snel. Zij accepteerde november 1802 het aanbod van de gravin-weduwe Sparre tot afkoop van het legaat voor een bedrag van 500 rijksdaalder. Dat bedrag gebruikte zij voor de financiering van de opstallen en inventaris van een hofstede, die haar man in het aangrenzende Marlow had gekocht. (2)

Deze verrassende ontwikkeling blijkt uit een vonnis van het Tribunaal van Wismar. De eisers in het onderhavige geschil waren Friedrich Christoph Karl Hagenow, pachter op Langenfelde, en Friedrich Steinmann, pachter op Nehringen. Zij tekenden beroep aan tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Greifswald. (3)

Uit het vonnis van 88 volgeschreven foliovellen komen veel feiten over Augusta Juliana naar voren. Sinds haar eerste bruiloft in 1783 had zij gewoond in het inspecteurshuis van Thilow in het aangrenzende stadje Loitz, minder dan 10 kilometer naar het zuiden. Na de geboorte van hun twee kinderen was haar man weliswaar plotseling overleden, maar had toch nog kans gezien twee maanden daarvoor op 9 november 1789 een testament op te stellen. Daarin had hij haar aangewezen als universeel erfgenaam en vruchtgebruiker over het deel van hun twee kinderen, voor wie hij Hagenow en Steinmann als voogd had aangewezen. 

Het testament van Thilow had op 10 februari 1790 werkingskracht gekregen, waarna Augusta Juliana met de voogden op 29 maart had afgesproken het huis in Loitz openbaar te verkopen en de inventaris in natura te verdelen. Kort na haar tweede bruiloft had zij de verdeling op 24 en 25 mei 1791 definitief afgewikkeld, maar het huis was nog niet verkocht. Eenmaal verhuisd naar Wolfsdorf en moeder van een tweeling was zij op 23 december akkoord gegaan met verkoop van het huis aan koopmansweduwe Jael Voss en de storting van de opbrengt van 600 rijksdaalder in de onverdeelde boedel.

Bij de afkoop van van het legaat van Augusta Juliana regelde voogd Hagenow – mede namens Steinman, die eigenaar van Gnoien in Mecklenburg was geworden – een hypothecaire zekerheid op het aangekochte pand in Marlow  voor de twee oudste kinderen. Voor de extra werkzaamheden die advocaat PommerEsche hiervoor moest verrichten bracht hij kosten in rekening, niet bij de gravin-weduwe maar bij Hagenow. Deze weigerde te betalen met het argument dat het testament van Thilow uit 1789 bepaalde dat de twee kinderen kostenvrij moesten blijven. Dit conflict kwam voor de rechter.

Aan dit conflict kwamen het Gerechtshof van Greifswald in 1803 en het het Tribunaal van Wismar in 1805 niet toe. Naar hun oordeel kon Hagenow geen voogd van de twee kinderen zijn en tevens toezichthouder over voogden. Die laatste hoedanigheid had hij verkregen door aankoop van het landgoed Medrow met Glewitz en Langenfelde van de gravin-weduwe von Meijerfeldt, met financiële hulp van zijn zwager Joachim Christian von Rodbertus, koopman in Barth. Daarmee won Hagenow begin 1802 de rijksadelstand met het suffix von, maar verloor de voogdijschap over de Thilowse kinderen. (4)

Terug   ***   Verder

1. Evangelische Kirche Sülze, Taufen, Heiraten, Kommunikanten u Tote 1791-1831, fol 112-113.
2. De Nalatenschapsbeschrijving van gravin Sparre van 1817 bevat toch nog een bedrag van 1.000 rijksdaalder. Dit even grote bedrag had de gravin in 1798 toevallig geleend van de inmiddels gepensioneerde Justitieraad Palmsvärd, oorspronkelijk Jan Eric Nibelius, een goede vriend van oud-huisleraar Kellgren. J.E. Palmsvärd. Autobiografie, Stockholm 1931. ♣
3. Der Eigentümer Hagenow zu Langenfelde und Friedrich Steinmann zu Gnoien als Vormünder der Thilowschen Kinder contra das königliche Hofgericht in Greifswald, Wismarer Tribunal, Relationen, Urteilsbegründungen des Assessoren, Landesarchiv Greifswald, 010.01. Schwedische Regierung Stralsund. 1805 IV nr. 6 d.d. 22-04-1805, pag. 1-88.
4. Brief van Ulrike Cordt, Freising 23 januari 1996, over haar betbetovergrootvader Friedrich von Hagenow. [CH-279]