Op woensdag 29 mei 1793 begint Johan August von Meijenfeldt uit Stralsund als Eerste Konstabel op het oorlogsfregat ‘De Erfprins van Brunswijk’ onder kapitein Pieter Hartsinck. (1)
Dit zijn de eerste in de Republiek te vinden sporen van de stamvader van de familie. Hij laat zich inschrijven, niet bij het stadsbestuur, een dominee of een notaris, maar bij de Admiraliteit van Amsterdam. Een eerdere inschrijving is van hem niet bekend. Het is geen vast dienstverband, maar een contract op het genoemde schip voor een te ondernemen reis. Het is ook geen dienstverband met de Admiraliteit, maar een arbeidscontract met de kapitein.
De Admiraliteit van Amsterdam is de bestuurlijke en juridische organisatie van de oorlogsvloot. De Republiek heeft ook admiraliteiten van De Maze (Rotterdam), Friesland (Harlingen), Zeeland (Middelburg en Vlissingen) en Noorderkwartier (Hoorn en Enkhuizen). Het hoogste gezag ligt weliswaar bij de Staten-Generaal en de Kapitein-Admiraal – op dat moment stadhouder prins Willem V van Oranje – maar de meeste besluiten komen van de Admiraliteit zelf.
De zetel van de Admiraliteit van Amsterdam is het Zeekantoor of Prinsenhof. Dat is het gebouw aan de Oudezijds Voorburgwal, waar later lange tijd het stadhuis gevestigd was.
Prinsenhof aan de Oudezijds Voorburgwal
Reinier Vinkeles 1765
De dagelijkse leiding van de Admiraliteit is in handen van een College, bestaande uit enkele ervaren zeeofficieren, bijgestaan door een Advocaat-Fiscaal en een Secretaris. Het is verantwoordelijk voor het bouwen en onderhouden van de oorlogsschepen op het eigen werf en voor het uitrusten daarvan uit het eigen magazijn. Daarnaast zorgt het voor de financiering, gedeeltelijk uit geïnde eigen in- en uitvoerrechten. De voordracht van kapiteins en vlagofficieren, de benoeming van hogere officieren aan boord en het spreken van recht in geschillen behoort tot taken van het College.
Op een oorlogsschip benoemt de Staten-Generaal of Kapitein-Admiraal de kapitein en enkele vlaggenofficieren. De kapitein is zelf verantwoordelijk voor de bemanning op zijn schip. Normaliter neemt hij de bemanning van zijn vorige schip over en vult dat aan met volk van binnenkomende schepen en werving van nieuwe zeelui. Omdat de WIC net geliquideerd is en de VOC op zijn achterste benen loopt, zijn er meer Hollanders op de markt dan normaal. Die kiezen echter voor de lucratieve en ongevaarlijke visserij, walvisvaart en koopvaardij, zodat buitenlandse zeelui van hen in de marine geen concurrentie te duchten hebben.
In plaats van open sollicitaties of vacatures in de krant loopt een trommelaar door de straten, die luidkeels roept dat een kapitein zeelui zoekt. Degenen die zich geroepen voelen zien op het Prinsenhof een ronselaar met enkele officieren gereed staan.
Ronselaar met drie gegadigden, officier en schrijver op trap Zeekantoor
Jacobus van Meurs 1792, Scheepvaartmuseum Amsterdam
Een gewiekst soort ronselaar is de volkhouder of slaapbaas, nogal eens de vrouw of weduwe van een zee-officier. Deze voert een logement om (buitenlandse) zeelui van onderdak, voedsel en drank te voorzien. Op de begane grond bevindt zich een tapperij en keuken en op de verdiepingen slaapzalen. De volkhouder staat in verbinding met zoekende kapiteins en geniet op die manier van beide zijden inkomsten. (2)
1. Nationaal Archief, 1.01.46 Admiraliteitscolleges, 2254 De Erfprins van Brunswijk, capitein Pieter Hartsinck 1793, folio 21.


1 Constapel Weúrman pb f 208 f 26 Johan Aúgúst Meynfeld v Straalsond 21
2. De uitleg in dit hoofdstuk is grotendeels gebaseerd op drie publicaties van M.A. van Alphen: “Het oorlogsschip als varend bedrijf. Schrijvers, administratie en logistiek aan boord van Nederlandse marineschepen in de 17de en 18de eeuw”, dissertatie Leiden 19-06-2014. “De schrijver en het inkomen van de zeeman. De financiële administratie aan boord van oorlogsschepen”, Tijdschrift voor Zeegeschiedenis 2024/1, pag. 82-99. “Zeevarenden op de oorlogsvloot”, in “Nieuwe Maritieme Geschiedenis van Nederland”, deel 2, hfd 4, par 3, Amsterdam 2024.
