1.8.2. De laatste graaf

Om één uur in de nacht van 21 april 1800 overlijdt Johann August jr, de laatste graaf von Meijerfeldt. Dat vindt plaats in het Meijerfeldtska Palatset, huis nr. 5 en 6 Hästhuvudet in Stockholm. Hij wordt net geen 75 jaar oud. Omdat hij een Serafijnen Ridder is wordt zo spoedig mogelijk bericht uitgebracht aan de Ordesecretaris graaf C. Mörner. Deze zorgt er voor dat op 24 april om 13:00 uur de speciale Serafijnen bel luidt. De klank en het tijdstip wijken voldoende af van normaal klokgelui, zodat het publiek weet dat een Ridder overleden is. Nieuwsgierigen kunnen bij de deur lezen dat het de veldmaarschalk is.

De uitvaart vindt op 2 mei vindt plaats. Het lichaam van Johan August jr wordt opgebaard in de St. Clara kerk in zijn woonwijk. Vanaf de Jakobskerk, de Johanneskerk en vermoedelijk alle kerken in Stockholm luiden de klokken, omdat het overlijden van Eén van ’s Rijks Heren, een veldmaarschalk en Serafijnen Ridder een bijzonderheid is. Diezelfde dag start ook een processie vanuit de Serafijnenzaal in het Koninklijk Slot. De Hoge Garde draagt zijn koperen wapenplaat vooraan mee in de stoet. De processie loopt een stukje op de Gamla Stan en eindigt om 16:00 uur voor de Riddarholm kerk. Dan wordt de baar in het schip van de kerk opgesteld. De uitvaartdienst begint met muziek en redevoeringen. De weduwe mag niet aanwezig zijn omdat zij geen Serafijnen Ridder is. De door G.J. Adlerbeth geschreven lange rede met loftuitingen aan het adres van Johan August jr wordt uitgesproken door de Rijksheraut en Ceremoniemeester L. von Hauswolff. Daarna spreekt Mörner zijn personalia uit. (1)

Na het overlijden van Johan August jr von Meijerfeldt is er niemand meer die de adellijke geslachtsnaam en -wapen draagt, behalve weduwe Louise die de samengestelde naam en het alliantiewapen met Sparre gebruikt. Om plagiaat, onwettig en ongeoorloofd gebruik of usurpatie door vreemden te voorkomen bestaat bij hooggeplaatste geslachten het eigenaardige gebruik, om de beëindiging van naam en wapen onderdeel te laten uitmaken van de ceremonie van de uitvaart. De meest vergaande vorm is het ter plaatse kapotslaan en begraven van een houten replica van het wapenschild en de minst vergaande is het (gedeeltelijk) spiegelen van een wapenschild bij het graf.

In de titel van de rede van Von Hauswolff staat “då Dess Vapen vid Jordfästningen krossades” (waar het wapen tijdens de uitvaart werd vernield). In de heraldiek staat deze gewoonte bekend als ‘briser les armoiries sur la tombe‘ of ‘das Wappen am Grab zerbrechen/stürtzen.’ Het protocol schrijft in dat geval voor dat de heraut het voornemen vooraf publiceert, tijdens de dienst driemaal plechtig vraagt of iemand recht op het wapen doet gelden, bij stilte de gammele houten replica met een zilveren bijl stuk slaat, de restanten in de grafkist werp of daarop vasttimmert en hiervan na afloop een proces-verbaal opmaakt. Voor het kapotslaan van het wapen zijn geen verdere aanwijzingen gevonden. Von Hauswolff zegt in zijn rede alleen dat Johan August jr als laatste het schild draagt, dat hem “följe i förgängesen stoftet” (volgt in het vergankelijke stof).

Op de door de Hoge Garde meegedragen koperen wapenplaat is net genoeg ruimte gevonden om in dezelfde letters de overlijdensdatum in te schilderen. Omdat naam en wapen Von Meijerfeldt zijn afgesloten wordt de koperen plaat na afloop van de dienst niet teruggebracht naar de Serafijnenkamer van het Koninklijk Slot, maar goed zichtbaar – tot op de dag van vandaag – aan een wand van de kerk opgehangen. In die wapenplaat blijkt wel een spiegeling aangebracht (zie punt 3 hieronder). 

Serafijnenschild
met gravenwapen, gravenkroon, twee orden en wapenspreuk
Tekst: Grefwe Johan August Meijerfelt.
Utnämd den 1 Nov: 1797. Död den 21 apr: 1800.
Artiest: 
Pehr Anders Liedström (1765-1804) in 1798
Materiaal: Verf op koperen plaat
Foto: Met QR-code gedownload van de besloten website ter plaatse,
na eerdere zwart-wit-foto van Govert (1934) en kleurenfoto van Jelle Terluin (1984)
Het koperen wapenschild aan de rechterwand van de Riddarholm kerk

Pehr Anders Liedström maakte 30 Serafijnenschilden. Net als bij andere schilden in de kerk wijken hij en zijn collega’s af van de afbeelding in het Ridderhuis en de beschrijving in de gravenbrief:

    1. De versiering boven het wapenschild ontbreekt: geen  geopende toernooihelmen, geen vlaggen met adelaarskop, geen gekruiste zwaarden en geen steigerend paard met ridder. In plaats daarvan een brede vergulde gravenkroon en een wapenspreuk (zie punt 4 hieronder).
    2. De versiering opzij van het wapenschild ontbreekt: geen rood-goud en blauw-zilver lofwerk links of rechts. In plaats daarvan de ketens van de twee hoogste ridderlijke onderscheidingen: een binnenketen van de Zwaard Orde met medaillon van Commandeur Grootkruis en een buitenketen van de Serafijnen Orde.
    3. De drie rode kogels tussen twee rode schuinbalken («tre röda kúhlor emellan twänne bander af samma färg») maken plaats voor drie gouden kogels binnen twee rode schuinbalken. Dit kan een slordigheidje zijn, maar lijkt eerder een bewuste spiegeling vanwege de afsluiting van naam en wapen. Toen de Nederlandse familieleden in 1934 voor het eerst met het familiewapen werden geconfronteerd was dat deze versie, die zij tot de ontdekking van het oorspronkelijke wapenschild in het Stockholmse Ridderhuis in 1983 als de enig juiste hebben beschouwd.
    4. Boven het wapen staat een spreuk: «Animus Secundis Dubiisque Rectus». Een jaar eerder bij de uitreiking van de Serafijnen Orde had Johann August een keuze moeten maken. Voor wapenspreuken was de Romeinse dichter Horatius een dankbare bron. Hoogstwaarschijnlijk gebruikte hij diens archaïsche lyriek uit Oden (Carmina) boek IV, hoofdstuk 9, regel 34-36, waarin rond 13 v. Chr. gouverneur Lollius wordt geprezen: “Est animus tibi Rerumque prudens et secundis Temporibus dubiisque rectus”. Vrij vertaald: Je hebt een verstandige geest, die opgericht blijft onafhankelijk van voor- en tegenspoed. In Zweedse biografische handboeken staat de vertaling: “En själ, som är upprätt i med- och måtgang“. De Riddarholm kerk geeft een Engelse vertaling: “A soul that is upright in both prosperity and adversity“. Classicus Govert von Meijenfeldt gaf in 1934 de Nederlandse vertaling “De geest opgericht in voor- en tegenspoed” en zijn neef dominee Frits moderniseert het later tot: “Kop op in voor- en tegenspoed”.
    5. Onder aan de wapenplaat staan twee data: 1 november 1797 en 21 april 1800. Dat betekent niet dat de graaf maar 2,5 jaar oud werd. Op de eerste datum werd hij in de Serafijnen Orde benoemd («utnämd»), terwijl hij op de tweede datum stierf  («död»). Bij de gegevens staat dat Liedström het wapen al in 1798 schildert. Door het iets kleinere handschrift is het aannemelijk dat een ander de precieze overlijdensdatum heeft bijgeschilderd.

Vaak wordt geschreven dat Johan August vervolgens ook in de Riddarholm kerk in Stockholm begraven is. Dat is echter alleen voor Zweedse koningen en prinsen weggelegd. Overeenkomstig zijn testamentaire wens wordt de lijkkist naar Stralsund verscheept en na een begrafenisdienst in de St. Andreas kerk in Nehringen op 15 juli 1800 zonder pracht en praal in de Meijerfeldtgruft bijgezet. (2) In of op zijn grafkist zijn overigens geen sporen van een stukgeslagen wapen opgemerkt; integendeel, op de kist is het volledig intacte wapenschild te zien.


Eén van de metalen wapenschilden aan de doodskisten

Louise Sparre blijft niet in Pommeren voor haar gebruikelijke zomervakantie, maar keert naar Stockholm terug. Nog in het jaar 1800 verhuist zij van Hästhuvudet nr. 5 en 6 naar de Drottninggatan in het blok Gripen 1 in de wijk Klara. In dat huis woonde de weduwe van Sprengtporten, wiens Serafijnen Ordenummer Johan August had gekregen. Louise voert ook daar nog een flinke hofhouding en maakt onderdeel uit van een carrousel van soupers onder de oudere adel, hoewel zij nog steeds pas 55 jaar oud is. (3)

Op 15 juli 1809 breekt Louise bij een val in Näsby een gewricht in haar arm. Het leidt tot een flinke zwelling in de arm en de pijn houdt haar uit de slaap. Eind juli gaat het al weer beter: de zwelling neemt af en ze kan haar vingers bewegen. Begin september draagt ze de arm toch nog wel in een band. Een jaar later wordt opgemerkt dat de reuma vooral in één helft van haar gezicht aanmerkelijk toeneemt, waardoor zij behoorlijk kriegelig in gezelschap wordt. (4)

Op een avond in 1817 vindt een bediende op de voortrap van dat huis een zacht huilende baby gewikkeld in fraaie doeken waarop de naam Oscara geborduurd staat. Het huis is in rep en roer en gravin Louise verzekert zich er eerst van dat het niet van een geliefde van een huisbediende is. De baby is niet voor niets op de stoep van een oude Hofdame gelegd, want later wordt bekend dat Oscara de onechte dochter van kroonprins Oscar is. De baby mag van Louise in het huis blijven om een schandaal te voorkomen en enkele maanden later neemt de 38-jarige Charlotte Aurore de Geer de opvoeding over, omdat zij weet dat haar 20-jarige dochter Jacquette Gyldenstolpe de moeder is. (5)

In 1817 schenk Louise twee zilveren kandelaars aan de kerk van Täby bij het landhuis Näsby. Haar schoonvader en schoonmoeder hadden vlak voor hun dood een klok aan de kerk van Sövde geschonken. Misschien dachten zij alleen het hiernamaals nog op tijd gunstig te stemmen. 

 Object: Twee zilveren kandelaars uit 1817 kolom gegolfd,
drie armen met manchet, elk met metalen lichtvlam
Inscriptie: «Feltmarskalkinnan Grefwinnan Lovisa Augusta Meijerfelt, Wrede-Sparre på Näsby»
Maten: 58 cm hoog, 773 ort = 3,3 kg
Kunstenaar: D. Hallman
Opdrachtgever en schenker: Lovisa Augusta Sparre
Waarde: 30.000 SEK = ca. € 2.900
Plaats: Täby Kyrka, Eviga Ljuset Kapell
Foto: Täby församling, K00197

Op 18 september van datzelfde jaar 1817 overlijdt gravin Lovisa August von Meijerfeldt geboren Sparre in Stockholm. De uitvaartdienst is daar in de St. Clara kerk. Vicaris en theologische hoogleraar Carl P. Hagberg houdt een rede. Zij wordt begraven in de Öja kerk bij Stora Sundby, in het grafkoor van het geslacht Sparre av Rossvik. (6)

In 1826 is er een nagekomen bericht over een aangetroffen pensioenbrief die de gravin had geschreven voor de toen nog niet volwassen Anna Sophia Forsell, die bij haar in huis woonde. (7)

Terug   ***   Verder

1. Tal öfver Hans Excellence den Högvälborne Grefven, Herr Johan August Mejerfelt, En af Rikets Herrar, Fältmarskalk, Riddare och Commendör af Kongl. Maj:ts orden, samt Riddare med Stora Korset af Kongl. Svärds-Orden, Uppläst då Dess Vapen vid Jordfästningen i Kongl. Riddareholms-Kyrkan krossades, Den 2 Maj 1800. Stockholm. Tryckt hos Carl Deleen och J, G. Forsgren. 1800. S. Rosenhane, “Anteckningar hörande till Kongl. Vetensk. Akademiens Historia”, Stockholm 1811, pag. 351.
2. Evangelisches Pfarrambt Glewitz, “Todten=Buch oder Register der Gestorbenen fiir die Kirche zu Nehringen angefangen mit dem Jahre 1792”, folio 38, no. 11.
3. Dit gebouw is niet meer te bezichtigen; aan het eind van de negentiende eeuw en opnieuw in de jaren zestig van de twintigste eeuw – na de aanleg van de metro – zijn hier grote winkelblokken gekomen.
4. Politisches journal, Hamburg, 1800 mnd 1-6, pag. 539-540.
5. B. Persson, “Jacquette Gyldenstolpe och hennes dotter Oscaras öden”, Finspong 1900.
6. Tal, öfver framledne En af Rikets Herrars, Fält-Marskalkens , Riddarens och Commendeurs af Kongl. Maj:ts Orden, Riddarens med StoraKorset af Kon. Svård-Orden, Högvälborne Herr Grefve Joh. August Meyerfelts Enkefru, Högvälborne Grefvinnan Lovia Augusta Meyerfelt, född Grefvinna Sparre, hållit vid Dess Jordfästing i St. Clara Kyrka den 23 September 1817 af Carl. P. Hagberg, Th. Doct. Professor, Kyrkoherde vid Clara Försammling. Stockholm, tryckt hos Olof Grahn, 1817.
7. Post- Och Inrikes Tidningar, 25-09-1826.