1.2.4. Zweedse adel

Op 24 november 1674 verheft de Zweedse koning Karel XI de inmiddels 44-jarige Andreas Meijer in de adelstand door ondertekening van de wapenbrief in Stockholm. (1)

Het ligt voor de hand dat Carl Gustaf Wrangel de Zweedse koning Karel XI op  Andreas Meijer gewezen heeft. Uit een eerder bezoek aan de Bruderschaft der Schwarzenhäupter in Reval op 6 september 1670 blijkt dat Andreas zijn vertrouweling is. Op een gegeven moment roept hij hem bij zich met de opdracht de pokaal van de Broederschap van binnen en buiten te laten vergulden: (2)

“Nach Ausweis des Denkelbuches ist der oben erwähnte Oberpahlensche Oberinspektor Meyer, der offenbar auch bei K.G. Wr. als dem Bruder seines hauptsächtlichen Vollmachtgebers, des Besitzers von Oberpahlen, Woldemar Wrangel, eine Vertrauensstellung genoβ, gelegentlich seines vorübergehenden Aufenthaltes in Reval, am 27. Febr. 1672 und am 28. Febr. 1673 durch zwei Älteste der Schwarzenhäupter an die Ausführung des ihm am 7. Sept. 1670 von K. G. Wr. bei dessen Besuch ihres Hauses gegebenen Auftrages wegen Bestellung eines vergoldeten Pokals voll 100 Lot Gewicht gemahnt worden. Wann der versprochene Pokal den Schwarzenhäuptern tatsächlich übergeben worden ist, wissen wir nicht.”

Van Karel XI is bekend dat hij vindt dat alle militaire officieren van adel moeten zijn. Andreas is niet meer in actieve dienst, maar heeft nog wel de hoge rang van luitenant-kolonel. Dat kan een tweede reden zijn hem in de Zweedse adelstand te verhogen. 

Nog een andere reden kan zijn loyaliteit aan Zweden zijn. Bij de Duits-Balten uit Estland is die vanwege hun besluit om vanaf 1562 bescherming bij de koning te zoeken groter dan die uit Lijfland, bij wie patriotisme na alle invasies hoogtij viert.

Een nog verderweg gelegen oorzaak voor deze en andere benoemingen in de adelstand zijn de gebeurtenissen in het jaar 1672. In Nederland staat dat jaar bekend als het Rampjaar. Eén van de buitenlandse mogendheden die binnenvalt is Zweden. In de Zweedse geschiedenisboeken wordt dit jaar aan iets anders verbonden: het jaar dat koning Karel XI meerderjarig wordt. Zweden is net als Rusland, Saksen en  Denemarken voortdurend bezig zijn grootmacht rondom de Oostzee te handhaven of herstellen. Ook de drie achtereenvolgende Zweedse koningen – vanaf 1654 Karel X Gustaaf, vanaf 1660 Karel XI en vanaf 1697 Karel XII – varen die koers. Veldtochten worden ondernomen, indrukwekkende overwinningen behaald en zware opofferingen van volk en strijders gevergd. Een belangrijke factor die er voor zorgt dat geen van de partijen het overwicht verkrijgt, is dat de grotere Europese grootmachten Frankrijk en Engeland-Nederland zich steeds met de oorlogen bemoeien als de vrijhandel in de Oostzee in gevaar dreigt te komen.

De buitenlandse erfenis van Karel XI is ingewikkeld. Hij zit vast aan een overeenkomst van de hem vijandig gezinde Rijksdag om 16.000 man te leveren in Duitsland in geval koning Lodewijk XIV Nederland zou binnenvallen. Uiteindelijk komt hij daardoor in 1674 in Branden­burg terecht. Hij verheft trouwe onderdanen in de adelstand om hen dichter aan het koningshuis te binden en het relatieve aandeel tegenstanders in de adel te verkleinen.

De bevelhebber van het Zweedse leger is weer Carl Gustaf Wrangel, die via Uckermark opmarcheert. Als hij in 1675 ziek te bed ligt neemt zijn halfbroer en Anders’ voormalige pupil Wolmar Herman Wrangel de leiding over. Hij buit de plaatselijke bevolking op een gruwelijke manier uit. De Zweedse troepen worden bij Fehrbellin verpletterend verslagen en weten na enkele zware oorlogsjaren nog maar net de uitgangssituatie van 1674 te behouden.

 

1. Riksarkivet Stockholm, 1112.1 Riksregistraturet, B/412, folio 310 e.v., “Sköldebref för Inspectoren Meijerfelt“.
2. G. Wrangell, “Geschichte der Revaler Schwarzenhäupterein Beitrag zur Geschichte des deutschen Kaufmanns im Osten”, 1930, pag. 196-197. Zwarthoofd duidt op de gelaatskleur van patroonheilige St. Mauritius
.