1.6.6. Gouverneur-generaal


Johan August von Meijerfeldt sr
Kleding: 
Rijksraad
(beschadiging  geretoucheerd)

Brigitha von Barnekow
geh. von Meijerfeldt


Techniek: Olieverf op canvas doek
Afmeting: 
140 cm hoog x 112 cm breed
Artiest: 
Georg Egelhard Schröder (1684-1750)
Jaartal: 1721
Bezit: 
bij Familiearchief bekend
Bronnen: 
Nationalmuseum 1924:1520-1521, Strömbom, pag. 628

Foto: Lester von Meijenfeldt

Begin februari 1721 verlaat graaf Johan August von Meijerfeldt Stockholm. Hij reist die maand naar Berlijn en krijgt opnieuw audiëntie bij de Pruisische koning Frederik Willem I. Ditmaal gaat het over de afwikkeling van schadeloosstellingen voor de Zweedse landgoederen die in het Pruisische deel van Pommeren zijn komen te vallen. De koning slaagt er in de betaling daarvan uit te stellen en in stukjes af te betalen.

Johan August gaat vervolgens naar Skåne om zijn familie op te halen: zijn hoogzwangere vrouw, dochter en zoon. Zij gaan op weg naar Zweeds-Pommeren, want daar kan de vader zijn functie als Gouverneur-Generaal of Vice-Koning eindelijk gaat uitoefenen. In plaats van militaire functies heeft hij nu bestuurlijke, zij het dat één van zijn eerste handelingen is om de regering in Stockholm om bescherming van handelsschepen uit Stralsund en Rostock tegen vijandelijke kapervaart te vragen; daartoe worden twee marineschepen van Karlskrona naar Göteborg verplaatst. Hij krijgt een jaarsalaris van 5.200 Taler. In zijn gezelschap is Trautvetter, die tot commandant van Stralsund is benoemd.

Johan August Eind april steekt over van Ystad en komt op 3 mei in Stralsund aan.is met zijn familie naar Stralsund overgestoken:  Op 6 mei 1722 wordt daar weer een dochter geboren. Zij krijgt de namen Anna Catharina; de moeder van haar vader had dezelfde voornamen. Bij de doop op 20 mei 1722 in de St. Nikolaikerk wordt toegevoegd de volgende getuigen of peetouders genoemd: (1)

General Trautvetter (commandant van Stralsund);
Generaalmajor Crassow (laatste chef in Nederland);
Landrat Normann (Philipp Christian);
Landrat Wulffraht (Hermann Alexander, ambtman van Rügen);
Frau Generalin Binetten (Magdalena Eleonora Barnekow, oudere zus van Brita);
Frau Generalin Stahlen; (Ingeborg Christina Horn, weduwe van Georg Bogislaus Stahl von Holstein);
Frau Obristin Meyerfelden (Anna Christina Hastfer?);
Frau Gräfin Reinschilden (Elisabeth Funck, enkele maanden eerder weduwe geworden).

Tenslotte wordt op 4 mei 1725 een zoon Johan August jr in Stralsund geboren. De volgende dag wordt het kind gedoopt in de St. Nikolaikerk van Stralsund. Als doopgetuigen treden de volgende personen op: (2) 

Generaal baron von Trautvetter namens der gesamten Königlichen Regierung;
Generalsu­perin­ten­dent Joachim von Krackevitz namens der gesamnten Priesterschaft;
Oberst Wulffrathen frau namens namens der gesamten Ritterschaft
(Hedvig Sofia von Maltzahn).

Op 3 juni 1725 overlijdt “Frau der Obristen von Meijerfeldt” in haar woonplaats Stralsund. De opbaring vindt plaats in de St. Nikolai Kirche. Zij wordt op 21 juni in de St. Andreas Kirche in Nehringen begraven. (3)

De vrouw van kolonel Von Meijerfeldt die bij de doop van Anna Catharina in 1722 getuigt en in 1725 overlijdt is moeilijk thuis te brengen. Als het Catharina Wulff is, moet zij 95 jaar oud geworden zijn en er een fout gemaakt zijn bij de rang van haar man Anders en in het begraafboek van de St. Petri kerk in Riga (7 april 1692). Als het Anna Catharina Hastfer is, moet zij 44 jaar oud geworden zijn, is de rang van haar man Carl Friedrich wel juist weergegeven en is er een onverklaarbare afwijking met de bronnen die haar overlijden pas plaatsen in Kårtorp (Vedum), 30 september 1762. (4)

Ulrika Margareta von Meijerfeldt overlijdt op 26 juni 1728 in Stralsund op 9-jarige leeftijd. Ook zij wordt opgebaard in de St. Nikolai Kirche en vier dagen later in het Nehringse familiegraf begraven. (5) 

In Wenen verblijft nog steeds Wolmar Johan von Meijerfeldt. Juni 1723 doet hij om onbekende redenen het verzoek zijn kwartier te mogen maken in Breslau (Wroclow). Net als zijn collega-officieren moet hij veel moeite doen zijn achterstallige jaarwedde uitbetaald te krijgen. Na enkele vergeefse pogingen doet hij in 1721 en opnieuw in 1722 een officieel ver­zoek tot uitbetaling. In 1724 wordt hij voor zijn soldij op de belastingopbrengsten van Moravië aangewezen, hetgeen hem tot zijn dood ergernis zal blijven opleveren. In 1729 komt hij zelfs in conflict met de Weense Hofkammer, omdat hij zich in zijn verbittering beledigend over de betaalmeesters in Brünn (Brno) uitlaat. De Hofkriegsrat heeft hiervoor echter begrip en oordeelt mild over hem, wellicht ook omdat zijn oude veldheer prins Eugenius de president is.

Johan August von Meijerfeldt krijgt als gouverneur-generaal in de eerste plaats te maken met aanhoudende militaire en politieke druk van Pruisen. Ondanks de malaise in het Zweedse leger weet hij er een verdubbeling van zijn Zweedse troepen tot 3.000 man en de uitbouw van de vestingwerken van Stralsund door te drukken. De plaatselijke Landstände ziet dit als een veel te zware last en Johan August draait geleidelijk in hun richting. Hij weet het in de loop der jaren zo te regelen dat alleen het landelijke infanteriekorps en het stedelijke artilleriekorps betaald moet worden, vervolgens dat de tekorten van het garnizoen van Stralsund op de rijkskas drukken en tenslotte in 1739 dat er regelmatig rijksbijdragen in de huishoudkosten van Zweeds-Pommeren komen. (6)

Van Johan August wordt gezegd, dat hij niet alleen een van Karel XII’s bekwaamste generaals is, maar ook als bestuurder goede eigenschappen bezit. (7) Hij moet het bestuur voeren namens koning Frederik op grond van de oude orde van 1663. Dit betekent herstel van de privile­ges van de Pommerse adel en steden, niet in het minst veroorzaakt door het feit dat vier Rijksraden, waaronder Johan August, daar landgoederen bezitten. Hij verzet zich in 1728 met succes tegen het Matrikel van Lagerström om op basis van de oppervlakteberekeningen van het kadaster uit 1692-1698 belasting te gaan heffen, want dat zou een enorme verhoging tot gevolg hebben gehad.

In vergelijking tot het straffe bewind van het naburige Pruisen is het Zweedse regime mild te noemen. Economisch gezien raakt het gebied echter snel achterop, ondermeer door het gezapige leven, de afzijdigheid van de overheid, het slecht innen van de pachtsommen en de Pruisische blokkade aan de landsgrens. ‘Unter drei Kronen läßt sich’s ruhig wohnen’, luidt een spreekwoord uit die tijd. Dat geldt niet voor alle bevolkingsgroepen, want in 1729 krijgt Johan August opdracht Zweedse zigeuners via Pommeren uit het rijk te deporteren. (8)

Het culturele leven bloeit wel op, waarbij de Universiteit van Greifswald een rol speelt ten gevolge van de bijzondere koninklijke gunst die zij geniet. Met name de geschiedschrijving van Pommeren neemt een grote vlucht. Het gaat desalniettemin om één van de kleinste universiteiten van Duitsland en Zweden (gemiddelde omvang van 82 studen­ten), die vooral bekend staat om haar geringe activiteiten en haar theologen­strijd. Johan August is lange tijd Kanselier (1714-1747), maar wordt niet als een succesvol Kanselier herin­nerd: Seine militäristischen Verdienste machten ihn wahrscheinlich eher dafür zuständig, die Regierung in Stralsund zu leiten als die Univer­sität zu überwachen und zu lenken, in derer Ge­schichte er nachwei­slich keine bemerkenswertere Spur hinter­lassen hat. (9)

Begin 1726 spoort hij de rector per brief wel tot meer activiteiten aan en eind 1730 leidt hij persoonlijk de visitatie van de universiteit, die tot een kritisch rapport aan de koning leidt. Deze onderneming is op gang gekomen onder druk van de enige Zweedse hoogleraar Nettel­bladt, die in 1724 buiten de voordracht om (en achteraf haastig gesteund door Johan August) door de koning benoemd is. In 1736 benoemt Johan August zelf een Zweedse hoogleraar die niet als eerste op de voordracht staat, maar verder laat hij de universiteit toch vooral een Duits karakter houden. Hij staat in 1739 een deel van zijn zeggenschap af aan de Pommerse regering.

In 1726 wordt in Zweden het oorlogsschip met de naam “Greve Meijerfelt” te water gelaten, naar mag worden aangenomen in aanwezigheid van graaf Johan August von Meijerfeldt zelf. Het schip is gebouwd op de private werf Masthugget in Göteborg. Constructeur en bouwmeester is C.J. Falck. Het schip weegt 140 ton, heeft een lengte van 118 voet (35,03 meter), een breedte van 19 voet (5,64 meter) en een diepgang van 6,25 voet (1,85 meter). Aan oorlogstuig zijn er 2 kanonnen van 12 pond en 4 van 3 pond. In de 40 jaar dat het schip dienst doet worden geen krijgshandelingen vermeld. Op 14 mei 1765 zinkt het bij Zuid-Aspholmssund.

IMG_0305Kopergravure of lithografie uit 1850 van het Meyerfeldtsches Palais, Badenstraße 17, Stralsund
Het plein is een tussenfase naar de herbouw van andere gebouwen. De grote dubbele trappen vóór de ingang worden in 1835 op last van de gemeente verwijderd vanwege het ruimtegebrek op straat.

In de binnenstad van Stralsund is een grote leegte ontstaan ten gevolge van een bombardement gedurende de belegering van Stralsund in 1678 door de Keurvorst van Brandenburg. Johan August besluit dat daar het nieuwe Zweedse overheidsgebouw moet komen. Stettin ligt nu immers in Pruisisch gebied.  Voor dit gebouw is geen geld en daarom besluit de gouverneur-generaal uit eigen zak een buitengewoon paleis neer te zetten. Op 1 augustus 1726 legt hij de eerste steen voor de residentie, tot op heden het Meyerfeldtsches Palais of Schwedisches Regierungspalais geheten.

Het gebouw wordt volgens het ontwerp van Cornelius Loos gebouwd, een Zweedse genieofficier, die dan met de vernieuwing van de vestingswerken van Stralsund bezig is. Meijerfeldt kent hem nog uit Bender, van waaruit hij een rondreis langs de architectonische hoogstandjes van het Turkse rijk had mogen maken. Het paleis is geheel in barokke stijl met Mansardwalmdak opgetrokken. Het u-vormige complex met de vleugels naar achteren is in lijn met de laatste Zweedse overheidsgebouwen. De inrichting is voor die tijd exceptioneel luxueus, omdat – naast de privéverblijven van de familie – ruimte is gemaakt voor een brouwerij met bierkelders, een bakkerij en konditorei en een stoombadhuis. In totaal 49 ruimtes zijn op de begane grond, het souterrain en de verdieping ingedeeld. In 1730 gaat Johan August er met zijn gezin in wonen.  (10)

Vestingbouwer Loos ontwerpt  niet alleen een zeer zwaar fundament, maar ook een dubbel bemuurde bunker tegen bombardementen en de pest. Een half afgebouwde onderaardse gang onder de Badenstraβe dient als (nooit gebruikte) vluchtroute en/of als waterafvoer naar de plaatselijke Giergraben.

Als stadsarcheoloog Brüggeman dit tijdens de restauratie allemaal ontdekt slaat de fantasie van de journalist van het lokale nieuwsblad Ostsee-Zeitung flink op hol: “Der hochrangige Militärmann muss auch eine enorme Angst vor den Kanonenangriffen seiner Feinde gehabt haben, und gleichzeitig war er ein Hypochonder wie er im Buche steht. Über die spannende bauhistorische Geschichte des Palais und die filmreife Biografie des einstigen Besitzers erfuhren die interessierten Gäste am Tag der Städtebauförderung am Sonnabend sehr viele aufschlussreiche Details. (…) Der für seine speziellen Phobien bekannte Generalgouverneur ließ sich im Keller des Palais eine Art Panic Room errichten, um sich vor angreifenden Feinden und dem Beschuss durch Kanonenkugeln zu schützen. (11)

Johan August ziet zijn kastelenbezit in die tijd sterk uitgebreid. Uit het vermogen Barnekow-von Ascheberg valt hem in 1724 het landgoed Gammal Køgegård op het Deense eiland Sjæland toe. Hij bindt de boeren aan zich door in 1736 een unieke drankvergunning voor de plaatselijke herberg te regelen. (12) Uit hetzelfde vermogen krijgt hij het kasteel en uitgebreid landgoed Sövdeborg in de Zuid-Zweedse provincie Skåne. De graaf brengt zijn tijd graag op dit laatste landgoed door en hij trekt zich hier ook op het eind van zijn leven terug. Daarnaast laat hij zijn slot Näsby in 1731 verbouwen, hoewel hij er uitsluitend vertoeft als hij in Stockholm is.

De gouverneur-generaal neemt door zijn Pommerse bestuurswerkzaamheden nauwelijks deel aan het politieke leven in Stockholm. Ulrika Eleonora was als koningin afgetreden ten gunste van haar echtgenoot Frederik, maar was nog troonpretendent en bij diens afwezigheid regentes. Johan August wordt er vreemd genoeg van verdacht dat hij naar de Holstein-partij overhelt en daarin zelfs een vooraanstaande plaats inneemt, niet in de laatste plaats omdat die partij voordeel trekt uit het feit dat hij meer dapperheid dan diplomatie bezit. (11)

In de jaren 1726-1727 woedt de alliantiekwestie op haar hevigst. Van 7 tot 9 februari 1729 dienen alle staatscolleges een geheim standpunt in te nemen over de vraag naar een bloedband met het Holsteinse huis. Tot dan had Johan August meestentijds in het buitenland vertoeft, zodat hij zich aan de besluitvorming had kunnen onttrekken. Uiteindelijk weet hij zichzelf in een neutrale positie te manoeuvreren. (12)

In 1729 doet zich een schandaal voor rondom de pastor van Nehringen, Christoph Heinrich Fischer uit het Saksische Alsleben. Twaalf jaar eerder was pastor Johann Heinrich Gröteke overleden en had de daar toen tijdelijk heersende Deense koning zijn kans schoon gezien een jaar later een vertrouweling uit Kopenhagen te beroepen. Heel anders was het gegaan met Medrow (en Glewitz), waar Karel XII de in Bender aanwezige Vollrath Friedrich Ruch in 1711 beriep om zijn vader op te volgen. Wie weet heeft Ruch de koning geadviseerd de leen als Johan August’s beloning voor Stettin uit te kiezen. Na de vrede van 1721 neemt Von Meijerfeldt Nehringen en Medrow in bezit. Fischer heeft begrijpelijkerwijs minder Zweedse sympathieën dan Ruch, maar blijft op zijn post en kan zich aanvankelijk inhouden, wellicht vanwege de omvangrijke verbouwing van de St. Andreas Kirche. Na acht jaar gaat hij in zijn preek ver zijn boekje te buiten. Hij laat zich in de meest onwelvoeglijke en beledigende bewoordingen uit over de gouverneur-generaal, zonder hem overigens direct te noemen. Fischer wordt onmiddellijk geschorst en aangeklaagd, maar weet ontslag te ontlopen door onder ede te verklaren Johan August niet bedoeld te hebben. De Deense koning is zo verstandig hem daarna in Holstein te beroepen. Zijn opvolger is Andreas August Sigismund uit het Mecklenburgse Allerstorff. Hij is op dat moment  privéleraar in de familie Von Meijerfeldt. Tot 9 september 1756 blijft hij pastor en wordt het jaar daarop opgevolgd door Friedrich Wilhelm Schröder, die tot 1796 pastor is.

Terug   ***   Verder

1. Evangelische Pfarramt  Stralsund, St. Nikolai Kirche, dopen 1722, nr. 204b. 
2. Evangelische Pfarramt Stralsund, St. Nikolai Kirche, dopen 1725, nr. 225b.
3. Evangelische Pfarramt Stralsund, St. Nikolai Kirche, overlijden nr. 420. Evangelische Pfarramt Glewitz, Nehringsches Kirchen Büch 1682-1792, begrafenis.

4. O.M. von Stackelberg, “Genealogisches Handbuch der esthländischen Ritterschaft”, Görlitz 1931, pag. 101.
5. Evangelische Pfarramt Stralsund, St. Nikolai Kirche, overlijden nr. 497. Evangelische Pfarramt Glewitz, Nehringsches Kirchen Büch 1682-1792, begrafenis.
6. W. Buchholz,
“Meyerfeldt (Meyerfeld, Meijerfeldt), Johan August”, in Neue Deutsche Biopraphie, deel 17, Berlijn 1994, pag. 390.
7. H. Villius, lemma in “Svensk Uppslagbok”, Malmö 1951, deel 19, pag. 778.
8. A. Minken, “Nordic Taters – ethnic identity, social cathegorizing and economic adaption ca 1500-1850”, case study Pehr Jönsson Hellbom. Brief aan de gouverneur-generaal over 11 zigeuners in Riksarkivet Stockholm, Inrikes Civilexpeditionen B1a 15.
9. I. Seth, “Die Universität Greifwald und ihre Stellung in der schwedische Kulturpolitik 1637-1815”, Berlin 1956, pag. 117.
10.  Stadtarchiv Stralsund, 01.02.01.
Handschriften.
11. Ostsee-Zeitung 23.05.2016, „Panic-Room“ des schwedischen Grafen im Bauamtskeller entdeckt, en 12.09-2016, Meyerfeldtsches Palais für 4,7 Millionen Euro saniert.
12. ?
13. H. Hofberg, “Svenskt Biografiskt Handlexikon”, Stockholm 1876, deel 2, pag. 17.
14. Kjeld Ejdorf, “Godaftenkroen och Korporalskroen, En privilegeret kro med hængerøv”, Strandsiden, oktober 2007, pag. 6-7.
15
. B. Hammarlund, “Politik utan partier. Studier i Sveriges politiska liv 1726-1727”, Stockholm 1985, pag. 61, 127 en 213. C.G. Malmström “Sveriges Politiska Historia från konung Karl XII:s död till statshvälfningen 1772”, Stockholm 1893-1899, deel 2, pag. 14.