De tweede zoon van de tak De Koe heet net als zijn vader Frederik Hendrik von Meijenfeldt, roepnaam Frits. Hij meldt zich op 13 augustus 1904 op 16-jarige leeftijd aan als vrijwilliger voor een achtjarige militaire dienst. Van hem worden geen andere kenmerken genoteerd dan zijn lengte van 174 cm. Meteen begint hij bij het Instructiebataljon van de Infanterie. Het jaar daarop wordt hij korporaal en krijgt een aanstelling bij het 10de regiment. In 1906 is hij sergeant en krijgt een overplaatsing naar het 7de regiment. Nu hij onderofficier is gaat hij in Kampen de tweejarige Hoofdcursus tot officiersopleiding in Oost-Indië volgen. Vanwege het feit dat hij zes jaar in militaire dienst zit krijgt hij een onderscheiding. Bij Koninklijk Besluit van 9 september 1910 valt hem op 22-jarige leeftijd de rang van Tweede Luitenant toe.
Hij neemt afscheid van het 7de regiment en gelijk van zijn ouders, broers en zusters. Hij treedt namelijk in dienst van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Eerder dan zijn broer Carl en zus Nellie zet hij zich op een schip aan de lange reis naar Magelang op Java.
|
|
|
Frits trouwt daar op 24 april 1912 met Suzanne (Suze) Mathilde Kimmijser. Zij is in Djokjakarta geboren op 12 juli 1889 uit Willem Christiaan Kimmijser (1858-1912) en Mathilde Leontine Elisabeth Dom (1865-1922).
Enkele maanden na zijn huwelijk wordt Frits bevorderd tot Eerste Luitenant. In 1916 wordt hij in Pare Pare op Celebes gelegerd. Hij leidt een patrouille van 17 man naar het eiland Kaboena, keert op 4 maart terug en meldt dat een prauw is omgeslagen, waardoor vijf inlandse fuseliers verdronken zijn en 15 geweren verloren gingen. In 1919 is hij in Banjoebieroe op Java gelegerd.
In 1920 gaan Frits en Suze met hun kinderen op groot verlof. In Amsterdam wonen zij tijdelijk in de Constantijn Huygensstraat. In het gezin zijn drie kinderen geboren:
— Engeltje, Magelang 31 december 1912.
— Mathilde Leontine Elisabeth, Baoe Baoe 15 september 1915.
— Frederik Hendrik, Baoe Baoe 24 augustus 1917.
Terug in Indië gaat het gezin naar Buitenzorg en in 1922 Batavia. In 1924 krijgt Frits een bevordering tot kapitein in het KNIL. In 1928 komt hij met met zijn gezin voor de tweede keer met Europees Verlof, dit keer voor acht maanden. Zij gaan aan de Noorder Amstellaan in Amsterdam wonen. Het jaar daarop reizen zij voor de derde termijn naar Bandoeng op Java en daarna Palembang op Sumatra.
In 1932 volgt de definitieve terugkeer. Het gezin gaat in de Klimophof in Den Haag wonen. Frits is secretaris-penningmeester van de Koninklijke Vereniging Oost en West, gericht op onderwijs. Het feit dat hij oud-KNIL-kapitein is, leidt niet tot zijn internering door de Wehrmacht. Wel moet hij het huis in 1942 ontruimen vanwege de aanleg van de Atlantikwall. Terwijl neef Carl uit de tak Van Leusden van Voorburg naar Nijmegen moet verhuizen, lukt hem onderdak te vinden bij neven in de Mgr. Van Steelaan 270 in Voorburg, waar hij na de bevrijding blijft wonen. Op 24 januari 1964 overlijdt Frits op 75-jarige leeftijd. Zijn vrouw Suze Kimmeijser volgt hem datzelfde jaar op 29 september.
1. Stadsarchief Amsterdam, 5225 Politierapporten ’40-’45, inventaris 6731, pag. 53, inventaris 6179, rapport 364 en inventaris 6180, rapport 1-2.
2. Nationaal Archief, 2.10.14 Algemene Secretarie van de Nederlands-Indische Regeering, Inv 5254.
3. Nationaal Archief, Ministerie van Defensie: Collectie Krijgsgevangenen, nummer toegang 2.13.98, inventarisnummer 11, “Meyenfeldt von F.H. 7722 2e luitenant Artillerie zugang Oflag 67 am 6-3-1945 von Offlag XXI C/Z Grune bei Lissa“.
4. NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, Toegang 400 Indische Collectie, Inv 570. Processen-verbaal van getuigenverhoren van “romusha’s” door mr. F.H. von Meijenfeldt, substituut auditeur-militair van de Temporaire Krijgsraad te Makassar, 20-07-1946.


