Nk.3. Kimmijser

Frederik Hendrik (1888-1964)

De tweede zoon in het gezin De Koe is Frits von Meijenfeldt. Hij wordt om 5 uur in de ochtend van 4 april 1888 geboren op de Commelinstraat 34 in Amsterdam. In de gebruikelijke annonce in de krant laat zijn gelijknamige vader zetten, dat zijn geliefde echtgenote Engeltje de Koe voorspoedig is bevallen van een welschapen zoon. Dominee Brouwer doopt hem op 25 april. Hij groeit op in het streng gereformeerd gezin, gaat naar de gereformeerde basisschool en de middelbare school. Omdat alleen de oudste zoon Carl mag studeren vervolgt hij zijn opleiding op 16-jarige leeftijd als vrijwilliger in het leger voor een diensttijd van acht jaar. Bij zijn aanmelding staat zijn lengte van 174 cm genoteerd, maar verder geen bijzonderheden.

Op 13 augustus 1904 start Frits bij het Instructiebataljon van de Infanterie. Een jaar later is hij korporaal en krijgt een aanstelling bij het 10de regiment. In 1906 is hij sergeant en krijgt een overplaatsing naar het 7de regiment. In 1907 krijgt hij uiteraard vrijstelling van de Nationale Militie, maar hij wil nu wel officier worden. De Koninklijke Militaire Academie in Breda is te duur voor zijn vader, dus volgt hij in Kampen de tweejarige Hoofdcursus tot officiersopleiding in Oost-Indië. Zijn eerste onderscheiding haalt hij binnen omdat hij zes jaar in militaire dienst is. Bij Koninklijk Besluit van 9 september 1910 valt hem op 22-jarige leeftijd de rang Tweede Luitenant toe. Het jaar daarop is zijn overplaatsing van het 7de regiment naar het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). (1)

Op 11 maart 1911 vertrekt Frits met zijn detachement uit Rotterdam aan boord van het stoomschip ‘Tabanan’ naar Indië. Tijdens de vaart maakt hij kennis met Suze Kimmijser, geboren met de doopnamen Suzan­ne Mathilde op 12 juli 1889 in Djokjakarta. Zij reist in gezelschap van haar ouders. Haar vader is de 53-jarige Wil­lem Christiaan Kimmijser, een voor zijn aandeel in de Atjeh-strijd met de Willems Orde omhangen KNIL-kapitein op weg naar Indië vanwege zijn tuberculose. Haar moeder Ma­thilde Leontine Elisa­beth is een ‘Indische dame’ uit de familie Dom van de Javaanse suikerindustrie.

Frits von Meijenfeldt jr

Suze Kimmijser

Op 1 juni 1911 verloven Frits en Suze zich in Djokjakarta. In Magelang op Midden-Java overlijdt schoonvader vlak vóór het huwelijk van Frits en Suze op 24 april 1912. Suze stopt zoals gebruikelijk na haar bruiloft met haar baan als onderwijzeres. Enkele maanden later krijgt Frits een bevordering tot Eerste Luitenant. Hij wordt gelegerd op Celebes (Sulawesi), eerst in het zuidwesten in Pare Pare, waar hij een patrouille van 17 man leidt naar het eiland Kaboena, op 4 maart terugkeert en meldt dat een prauw is omgeslagen, waardoor vijf inlandse fuseliers verdronken zijn en 15 geweren verloren gingen. Vervolgens moet hij het zuidoostelijk sultanaat Boeton, dat loyaal is aan Nederland, beschermen tegen vijandelijke buren. 

Het gezin woont verscheidene jaren op het eiland Boeton. In het gezin zijn inmiddels drie kinderen geboren:
Enny, Magelang 31 december 1912.
Tilly, Boeton 15 september 1915.
Frits, Boeton 24 augustus 1917.
Frits voedt zijn kinderen streng op, maar zonder geweld. Wijzen naar de oude Pruisische strijdknots met zeven stekels op zijn bureau is voldoende. Suze gebruikt haar
eigen kennis en kunde en haar netwerk voor hun basisonderwijs. Van het gezin maken naast de weduwe-schoonmoeder ook vijf inheemse gezinsleden onderdeel uit. Zij bestieren het huishouden en gaan mee met elke overplaatsing, zelfs over de generaties heen. Zo is baboe (kinderverzorgster) Katirah voor de kinderen een tweede moeder, terwijl zij zelf als kind opgegroeide in het huishouden van schoonmoeder Dom.

In 1919 wordt Frits in Banyubi­ru op Java gelegerd en gaat het jaar daarop met zijn gezin op Europees Verlof. In Amsterdam wonen zij tijdelijk in de Constantijn Huygensstraat. Terug in Indië krijgt Frits in 1921 een bevordering tot kapitein in het KNIL. Zij gaan wonen in Buitenzorg en gaan voorjaar 1922 nog een keer heen en weer naar Amsterdam, waar zij tijdelijk in de Wakkerstraat 51 wonen. Op 13 mei gaan zij als weer aan boord van de ‘Prins der Nederlanden’ naar Batavia. In dat jaar overlijdt schoonmoeder Dom. Frits is geen houwdegen, wat blijkt uit het feit dat hij gaat werken bij het hoofdkantoor van de Topografische Dienst in Weltevreden. Hij wordt goede vrienden met zijn chef kolonel dr. L.F. van Gent. Hij schrijft een lang artikel over de collega’s van Brits-Indië. (2) 

De kinderen horen een felle discussie tussen hun ouders over het harde optreden van het KNIL sinds de opstand van Bantam in 1926, waardoor nationalisten die streven naar meer vrijheid in de armen worden gedreven van de nationalisten die onafhankelijk willen worden. Op 5 september 1928 vaart het gezin aan boord van de P.C. Hooft voor de tweede keer naar Nederland voor een Europees Verlof van acht maanden. Het gaat in Amsterdam aan de Noorder Amstellaan wonen. Als Frits en Suze in de winter van 28-29 naar Parijs gaan, komt andere grootmoeder Engeltje de Koe op de kinderen passen. Het jaar daarop begint de derde termijn in Bandoeng op Java en daarna Palembang  op Sumatra.

In 1932 slaat de wereldwijde economische crisis toe en lijkt er financieel geen toekomst meer. Hij vraag en krijgt pensioen in Nederland van f 500 per maand, een behoorlijk bedrag. Aan boord van de Johan van Oldenbarneveldt keert het hele gezin naar Nederland terug en vestigt zich in Den Haag. Het eerste jaar aan Copernicusstraat 53, het tweede aan Marconistraat 81, daarna drie jaren aan  Klimophof 15 en vervolgens Sweelinckstraat 195A. Frits volgt midden 1939 de wegens ziekte afgetreden secretaris-penningmeester van de Koninklijke Vereeniging ‘Oost en West’ op, waarbij helpt dat hij in Batavia secretaris-penningmeester van het Generaal Van Heutzfonds voor Indische weduwen was. Het bestuur zetelt in Den Haag en verstevigt de banden met de koloniën in Oost- en West-Indië en verzorgt vooral het onderwijs voor tijdelijk overkomende kinderen.

De bezetting leidt er niet toe dat Frits als oud-KNIL-kapitein wordt geïnterneerd. Wel moet het gezin in 1942 het huis ontruimen vanwege de aanleg van de Atlantikwall. Hoewel neef Carl van de tak Van Leusden naar Nijmegen moet verhuizen, lukt het hem onderdak te vinden in Voorburg op de Rembrandtlaan 87 en de Mgr. Van Steelaan 270. Na de bevrijding blijft het gezin daar wonen. Op 24 januari 1964 overlijdt Frits op 75-jarige leeftijd. Zijn vrouw Suze Kimmeijser volgt hem datzelfde jaar op 29 september.

Terug   ***   Verder

1. Nationaal Archief, 2.13.09, Inv 4679, Inf Instr Bat Nr 19292. Inv 2023 Inf 7e Reg Nr 2070.
2. “Oorlogservaringen van den Britsch-Indischen Topografischen Dienst”, Militair Indisch Tijdschrift 1926, pag. 820-831.