Stamvader Johan August von Meijenfeldt beweerde een zoon van de Zweedse veldmaarschalk te zijn. Er zijn geen documenten bewaard gebleven, waarin hij dat zelf heeft opgeschreven. Zijn kinderen hebben het wel opgeschreven, maar dat is ‘van horen zeggen’.
Papieren over de afkomst van de stamvader zouden er wel geweest zijn, maar in Rotterdam verloren gegaan bij een brand of ontploffing. Hoe kan het dan dat er papieren van hem van vóór 1810 zijn overgeleverd? Hoogstwaarschijnlijk omdat die op dat moment in het bezit van anderen waren. (1)
Rond 1830 zou de stamvader naar Zweden hebben willen reizen, maar daar door zijn kinderen vanaf zijn gehouden vanwege zijn hoge leeftijd. Als ervaren zeeman had hij rond zijn 70ste best nog naar Zweden hebben kunnen reizen. Kustvaarders namen vanuit Rotterdam regelmatig passagiers mee. Zo’n reis kostte toen vier tot vijf dagen en was niet al te duur. In plaats daarvan zou hij naar Magdeburg zijn gereisd. Dan had hij naar Hamburg moeten varen en vandaar een enorm lang stuk de Elbe stroomopwaarts tot Magdeburg. In 1830 woont daar een stadsrechter Friedrich Thilo, aldus A.R. Buchholz, Amtsleiter Stadtarchiv Magdeburg [CH-228 CH-229 en CH-230]. De gelijknamige Rotterdamse doopgetuige uit 1815 woont niet daar, maar bij Rostock. Of zouden de nakomelingen van de stamvader Marlow, waar zijn zuster woonde, hebben verwisseld met Magdeburg? De stamvader zou zijn kinderen nooit van zijn bedoelingen verteld hebben, maar waarom maakte hij zijn afkomst van de Zweedse graaf dan wel bekend?
1. Brief van Govert von M. [CG-15].
