2.1.1. Scheepsrol

Op de scheepsrol staan nog wel wat meer gegevens dan alleen de naam Johan August von Meijenfeldt en zijn geboorteplaats Stralsund. f 26 betekent dat zijn soldij 26 gulden per maand bedraagt. Het is in wezen een betaalsrol. Er staat ook dat hij diezelfde dag een voorschot van één maand om benodigdheden voor de reis aan te schaffen. In het gebouwencomplex loopt hij meteen door naar het Comptoir Hoofdelijke Betaling om het voorschot in klinkende munt in ontvangst te nemen.

Er staat nog een ander bedrag op de betaalsrol: Weúrman pb f 208. Dat vraagt om uitleg. De letters pb (of pbill bij enkele anderen) betekenen per billet ofwel schuldbrief. In tegenstelling tot veel anderen staat er niet maandbrief, wat betekent dat een kwart of minder van de gage wordt uitgekeerd aan de achterblijvende vrouw en kinderen. Johan August heeft kennelijk geen gezin, maar wel openstaande rekeningen. Middenstanders weten dat zeelui nooit contant geld hebben. Zij geven krediet en rekenen met hen af uit het bij de afvaart betaalde voorschot. Johan August is niet de enige wiens schuld veel hoger is dan het voorschot en pas kan afrekenen bij terugkomst. De aantekening op de rol is een handig geheugensteuntje voor hemzelf, maar vooral een garantie tot terugbetaling voor de schuldeiser. Zelfs als Johan August onderweg zou overlijden of verdwijnen en zelfs als zijn schip zou vergaan, kan de schuldeiser het bedrag op het zeekantoor opvorderen. Om de berekening te vergemakkelijken is de schuld afgerond in een veelvoud van het soldij. Zijn 208 gulden is gelijk aan acht maanden soldij van 26 gulden. De meeste tochten duren twee keer zo lang. Kennelijk vindt de schuldeiser het risico van niet-terugbetaling aanvaardbaar, zelfs na aftrek van de onderweg aan Johan August uitbetaalde voorschotten. (1)

De schuldeiser is Barend Harmen Weurman, een bekende kredietverlener aan zeelui in Amsterdam. Hij is een 62-jarige kleermaker aan de Nieuwendijk tussen de St. Jacobsstraat en de Armsteeg in Amsterdam. Samen met zijn broer en neef was hij 35 jaar eerder met de naam Wöhrman uit de plaats Hilter in het Teutoburgerwoud gearriveerd en vrijwel direct getrouwd. Zijn inkomsten komen uit zijn kleermakerij en uit kredietverlening. Hij trekt met mede-schuldeisers samen op, vertegenwoordigt hen of koopt hen vóór de vaart uit tegen een schappelijk bedrag. Omdat de Admiraliteit vereist dat (onder-)officieren een uniform dragen, zal de schuld van Johan August in elk geval bestaan uit het exemplaar dat Weurman hem heeft aangemeten. De omvang van het bedrag wijst op meer openstaande rekeningen, zoals van genoten logies, voedsel en drank. Daar komt de gedacht vandaan dat hij een tijdje bij een volkhouder heeft doorgebracht. Een maand na de aanmonstering overlijdt Weurman. Daarmee is Johan August niet van zijn schuld verlost, want de weduwe treedt in diens plaats. (2)

Een week vóór de aanmonstering had het College van de Admiraliteit van Amsterdam de monsterrol geopend. Kapitein Hartsinck is dus pas een week bezig met het werven van bemanning. Zijn opdracht luidt om ultimo oktober 1793 totaal 230 koppen (matrozen en soldaten) aan boord te krijgen voor zijn reis. Zijn prioriteit ligt bij essentiële bemanning voor het bevaren van zijn schip, zoals schippers, stuurmannen, timmermannen, zeilmakers en een smit. Tegelijk trekt hij de belangrijkste mannen aan voor het voeren van oorlog: luitenants en konstabels. Ook heeft hij snel personeel nodig voor het verzorgen van de bemanning: chirurgijns, koks, bakkers en botteliers. (3)

Het soldij van Johan August gaat pas tellen zodra hij aan boord gaat. Daarom loopt hij nog diezelfde dag met zijn geld en spullen in een half uurtje van het Prinsenhof naar het schip bij de Admiraliteitswerf. Die ligt op Kattenburg, het voorste van de Oostelijke Eilanden. Rond de brug naar het eiland wordt die dag voor de zesde keer ‘Bijltjesdag’ herdacht.

Kattenburgerbrug 29 mei 1787
Patriottische vrijkorpsen voor de brug, opgehaald door Prinsgezinde scheepstimmerlieden (Bijltjes). Na kappen van de brugtouwen bestormen zij een dag later Kattenburg en nemen bloedig wraak. De aanhouding van prinses Wilhelmina bij Goejanverwellesluis een maand later leidt alsnog tot de Pruisische inval en de vlucht van Patriotten naar Frankrijk. 

Links vooraan op het eiland ligt het enorme Zeemagazijn. Het is net helemaal hersteld en wit bepleisterd, nadat het twee jaar eerder totaal was uitgebrand, tot op de zwart geblakerde buitenmuren, al dan niet door sabotage van de Patriotten. De voorraden tuigage, zeilen, vlaggen, scheepsuitrusting, artillerie en voedsel zijn aangevuld. In het tonnengewelf onder de binnenplaats is regenwater opgevangen. Verderop links ligt op de eiland de langgerekte scheepswerf en rechts smalle straatjes en woningen met verdiepingen. Hier werken respectievelijk wonen de werklieden.

’s Lands Dok, Werf en Zeemagazijn op Kattenburg
Johann Wilhelm Winther 1730

Al snel meldt kapitein Pieter Hartsinck zich ook aan boord. Hij is de dertigjarige jongste zoon van de vijf jaar eerder overleden vice-admiraal Andries Hartsinck. Zijn eerste wapenfeit was in de Vierde Nederlands-Engelse Oorlog, toen hij in 1781 op net achttienjarige leeftijd dapper als luitenant deelnam aan de beroemde Slag bij de Doggersbank. Daarna was hij vijf jaar lang kapitein tweede klasse van de schoener ‘De Vliegende Visch’ op de Middellandse Zee. Toen Frankrijk heel recent op 1 februari 1793 de oorlog verklaarde aan het op land en ter zee nauwelijks voorbereide Nederland, was hij op 15 maart commandant geweest op een Scheveningse pink met 12 man en twee 12-ponders op de Merwede voor Hardinxveld. Zo hielp hij de Frans-Bataafse invasie onder Dumouriez een halt toeroepen en terugdrijven.

Terug   ***   Verder

1. Brieven van M.A. van Alphen en J.M. Reinders, 19 september resp. 3 oktober 2024 [CH-802]. H. Landheer, “Een mandceelhouder en zijn klanten” en “De bankiers van de marine”, Historisch Tijdschrift Holland 2013, nr. 3/4, pag. 137-145 en 2014, nr. 4, pag. 211-221.
2. Testament weduwe Weurman 3 Feb 1794, Stadsarchief Amsterdam 5075, Inv 16412, N.0 73.
3. Resolutiën Admiraliteit van Amsterdam, Nationaal Archief 1.01.46, Inv 1506, 22 en 28 mei 1793.