2.1.2. Kruitdiefstal

Begin 1793 heeft Johan August veel schulden uitstaan. Een koopman uit de binnenstad Christopher Wallis biedt hem een gebruikelijke uitweg: kruitvaten uit het magazijn van de Koninklijke Artillerie aan hem verkopen. Hij laat zich overhalen en sluit op dinsdag 26 maart een akkoord ten bedrage van 112 Rijksdaalder voor 16 kruittonnen van 100 pond (centenaren). Een dag later regelt hij bij Johann Friedrich Freese uit de Tribseer Vorstadt een huifkar bespannen met vier paarden.

Op Witte Donderdag ligt het rijp op de daken en wegen als hij tegen zeven uur in de morgen lopend het Laboratorium bereikt, waar Freese hem al tegemoet komt lopen en een wachtpost hem groet. Hij haalt eerst nog twee afdekzeilen thuis in de Knieper Vorstadt op en rijdt op de huifkar mee langs het Laboratorium naar het reserve magazijn, dat hij met zijn sleutels opent. Het laden met 16 houten tonnen, elk gevuld met 50 kg buskruit, en het afdekken met de zeilen is zwaar werk. Lopend voor de kar uit leidt Johan August de vracht door de Knieper Poort de stad in, gaat achter de St. Johannis Kerk langs via de Fehr Straße en Baden Straße naar de steeg tussen de Langen en Heilig Geist Straβe.

Om half negen arriveert Johan August bij het huis van Wallis, schuift een blokkerende vuurton uit de weg en loodst de huifkar door de openstaande poort. Daar staat Wallis met zijn brouwersgezel Johan Holtz klaar om de kruittonnen af te laden, in de kolenkelder op te slaan en met hout en matten aan het zicht te onttrekken. Voor de ontvangst van zijn 112 rijksdaalder schrijft hij een kwitantie uit:

Voor 16 centenaar buskruit heb ik van de heer Wallis ontvangen à 7 Rdr – – – – 112 Rdr
Stralsund, de 28e maart 1793     J: A: Schohl .

Johan August denkt na het afbetalen van zijn schulden van de hele zaak af te zijn, omdat hij er van uitgaat dat het van een artillerie-oefening overgebleven kruit niet gemist zal worden. Dat loopt anders, want de nauwkeurige magazijnmeester meldt op donderdag de ontvreemding en de wachtpost zegt hem bij het magazijn gezien te hebben. Op zondag 7 april wordt de grond te heet onder zijn voeten. Hij bezoekt in de ochtend Wallis, die bevestigt dat de kruitvaten nog bij hem in de kelder verborgen zijn, ontdoet zich in de middag thuis van zijn uniform en vertrekt in een Levantjas. Om 20:00 uur komt hij niet terug voor het avondmaal en om 22:00 uur niet voor de overnachting. Nu heeft hij het wel goed voorvoelt, omdat hij als dief is ontmaskerd, op staande voet uit het Zweedse leger is ontslagen, militair aanklager Ronander een Krijgsraad voorbereidt en zoekacties naar hem gaande zijn. (1)

Johan August ziet onderweg in Vorstadt Franken om 19:30 uur dienstbode Catharina Dorothea Jäger. Hij vraagt haar Wachsmuth te melden dat hij in Franzburg te vinden is. Om 1:00 uur in de nacht komt hij daar aan en klopt aan bij kleermaker Hartman, de zwager van Wachsmuth. Hij maakte een bezorgde en ellendige indruk en mag blijven overnachten. Rond het middaguur arriveert Wachsmuth, bij wie de dienstbode die ochtend om 7:00 uur aan zijn deur was gekomen. Paardenhandelaar Zahr maakte het mogelijk snel te reizen. Na tevergeefs bij zus Augusta Juliana in Wolfsdorf te hebben gezocht en vond hij hem bij zijn zwager. Johan August neemt een geldbeurs gevuld met 12 rijksdaalder en het paard van hem over en vertrekt spoorslags naar de grensstad Damgarten, waar een andere zwager Hartman hem over de grens met Mecklenburg helpt. Daarmee ontsnapt hij aan de achtervolgers, die pas om 19:00 uur Wachsmuth lopend naar huis tegenkomen, in Franzburg door naar Damgarten worden gestuurd, waar zij constateren dat de vogel is gevlogen. 

Die zelfde avond ontdekken de Zweden het verborgen kruit bij Wallis. Drie dagen later houdt de Krijgsraad haar eerste zitting. Uit de verhoren van onder andere wagenvoerder Freese, koopman Wallis en blikslager Wachsmuth en uit een brief van Johan August aan zijn legerchef Armfelt van 19 april vanuit Altona bij Hamburg is het bovenstaande relaas op te tekenen. Zonder illusie over de mogelijkheid van terugkeer vraagt Johan August om excuses en begrip voor zijn daden. Het Niedergericht van Stralsund handelt de zaak tegen Wallis en Wachsmuth strafrechtelijk af. De eerste wordt veroordeeld tot een boete van maar liefst 500 rijksdaalder, omdat hij op vele manieren kon en moest begrijpen dat het kruit gestolen was en wegens het ernstig overtreden van het verbod om meer dan 10 pond in huis te hebben, met de vernietigende kruitontploffing van 1770 in gedachten. Deze boete staat niet aan zijn verdere succesvolle koopmansloopbaan in de weg. De tweede wordt van straf vrijgesteld, nadat hij en zijn vrouw een zuiveringseed afleggen dat zij niets van de diefstal en de vlucht wisten. Een half jaar later overlijdt hij door een ouderdomsziekte, niet vanwege de opwinding. (2)

Met zijn vlucht in april 1793 sluit de stamvader zijn jeugd in Stralsund af. Zijn levensverhaal met de gewijzigde achternaam Meijenfeldt gaat een maand later in Amsterdam verder in het volgende hoofdstuk. Hier gaat het levensverhaal van zijn zus Augusta Juliana wel verder, met haar ook gewijzigde achternaam Meijerfeldt. Hetzelfde geldt voor zijn achterblijvende 5-jarige zoon Carl Wilhelm, die de achternaam ook gaat dragen.   

Terug   ***   Verder

1. Svenska Krigsarkivet, 0023 Generalmönsterrullor, 1738. R. Oldach, “Stadt und Festung Stralsund. Die Schwedische Militärpräsenz in  Schwedisch-Pommern 1721–1807”, Greifswald 2017, pag. 395-397.
2
. Stadtarchiv Stralsund, Rep. 3, Nr.6351