Volgens de koopakte woont Johan August al op dit adres. Dan is hij daar met zijn gezin eerder naar verhuisd, al dan niet met een huurcontract. Het kan te maken hebben met het verhaal dat zij in de Rotterdamse binnenstad slachtoffer zijn geworden van een ontploffing van een kruitmagazijn of vuurwerkfabriek, waarbij alle papieren, porselein en huisraad verloren zijn gegaan en alleen het naakte lijf is gered. (1)
In het familiehuis woont Johan August met zijn vrouw Cato en hun drie zoons Jan, Hendrik en Carl. Een volgend kind dient zich aan. Op 29 juni 1817 wordt midden in de nacht om half vier een vierde zoon geboren. Hij krijgt de naam Friedrich. Op het stadhuis doet vroedvrouw Cornelia de Bodt daarvan op 1 juli aangifte. Hoewel de katholieke regel dat de doop binnen enkele dagen moet plaatsvinden ook een lutherse is, doet dominee Sander het pas op 24 juli. Hij is niet ziek, maar wacht vermoedelijk op de komst van de vijf jaar eerder ook aanwezige doopgetuigen Johann August von Meijenfeldt en Antonetta von Sparre gehuwd von Meijenfeldt. (2)
Schoonouders Pieploo zijn met dochter Engeltje teruggekeerd naar Amsterdam, waar zij weer aan de Palmgracht wonen. In het Almoezeniersweeshuis woont oudste dochter Wilhelmina Augusta. Haar beide grootouders waren in 1815 kort na elkaar overleden. Net als alle meisjes doet zij textielwerk voor gegoede Amsterdamse families. Op 10 november 1818 legt zij geloofsbelijdenis af, in de Oude Lutherse Kerk bij de nieuw aangestelde dominee Uckerman van de Hersteld Lutherse Gemeente. Nadat zij het weeshuis een jaar later verlaat wegens haar 18de verjaardag gaat zij op kamers wonen in de St. Annastraat. (3)
In Rotterdam wordt op 16 februari 1821 een dochter Anthonetta Engelina Juliana geboren, het zevende kind van de stamvader. Drie dagen later doet vroedvrouw Cornelia de Bodt daarvan aangifte op het stadhuis, waarbij zij als geboortehuis Oostsingel N 70 opgeeft. Dominee Sander was inmiddels bestuurslid van de door koning Willem I ingestelde Evangelisch Lutherse Synode en begint op het eind van zijn krachten te komen, maar op 28 februari maakt hij tijd voor de doop met de overgekomen grootouders Pieploo als getuige. (4)
Een week later laat Pieter Ziervogel zijn zoon Carel Gustaaf in dezelfde kerk dopen, hoewel die zoon een week vóór Anthonetta was geboren. Hij vraagt niet zijn vriend Johan August om te getuigen, maar wacht op een andere Zweedse Nederlander, namelijk kapitein Gustaaf Adolph de Falck. Cato is eind oktober van dat jaar wel doopgetuige bij een zoon van Willem Haakman en Hendrika Elzerman in de Lange Frankenstraat, vlak in de buurt van hun voormalige woning aan de Lange Baanstraat. Met de dood van Napoleon op St. Helena is Europa dat jaar zijn grootste onruststoker kwijt.
Medio 1821 richt Rotterdam de Tusschenschool op. Het schoolgeld daarvoor kost Johan August met korting voor drie of meer kinderen slechts 50 cent per kind per maand en schoolbehoeften zijn gratis. Het is mogelijk dat hij de zesjarige Carl voor deze school aanmeldt. Hij moet een bewijs overleggen van doop of geboorte en van vaccinatie of doorstane ziekte, alles begeleid door een verklaring van twee wel bekende stadgenoten. Op 1 januari 1822 gaat de school werkelijk van start.
Op 5 maart 1822 worden de ouders Pieploo aangenomen in het Oude Mannen en Vrouwen Huis van de Evangelisch-Lutherse Diaconie van Amsterdam (Wittenberg). Al op 9 november van datzelfde jaar overlijdt moeder Engeltje Samuels daar op 66-jarige leeftijd. Hendrik schrijft in een brief naar Rotterdam dat de begrafenis 13 november heeft plaatsgevonden. (5)
Wezen, Mannen en Vrouwen Diaconie Huis Amsterdam
In het Rotterdamse gezin zijn nu vele monden te vullen. Na een zeer strenge winter en voedselgebrek door bevriezingen blijkt Cato begin 1823 nogmaals zwanger te zijn. Johan August is ruim 62 jaar oud en brengt steeds minder geld in het laatje. Daarom besluit hij binnen zeven jaar na aankoop op 18 april 1823 een hypotheek van 200 gulden op zijn woning af te sluiten bij koopman Willem de Vlugt. Op diezelfde dag maken Johan August en zijn vrouw een testament op, waarin zij elkaar als enig algemeen erfgenaam aanwijzen. (6)
Kort daarna op 5 juli wordt een dochter geboren. Drie dagen later doet vroedvrouw Cornelia de Bodt hiervan aangifte op het stadhuis en noemt vier doopnamen: Engelina Catharina Margaretha Augusta. Haar roepnaam wordt Nellie. Het adres dat de vroedvrouw opgeeft is opnieuw onnauwkeurig: Oostsingel N 71. Dominee Sander is drie maanden eerder overleden en zijn collega’s Hollinghausen en Fortmeijer nog maar net begonnen, waardoor collega Snabilié de doop op 28 juli met beide ouders als getuige volvoert. (7)
1. Brieven van Carl von Meijenfeldt (Nl.1), 14 oktober 1935 [CG-38] en 10 november 1935 [CG-39] met citaat van nicht Cato van der Tas geh. Bakhuizen. Dat originele huwelijksbiljetten uit 1807 en gelukwensen uit 1810-1812 bewaard zijn gebleven lijkt hiermee in strijd, maar deze kunnen ten tijde van de ramp in het bezit van de schoonouders Pieploo in Amsterdam zijn geweest.
2. Akte van Geboorte, Stadsarchief Rotterdam 999-01, fol B 040v akte 1190. Doopboek, SR 9999-32, Ev-Luth 238, fol 133 en fol 1817.
3. Vrouwe Ledematen, Stadsarchief Amsterdam PA 190, nr. 212, en film 972 Lidmatenregister. De smalle Sint Annenstraat ligt achter het Beursplein tussen de Warmoesstraat en de Oudezijds Achterburgwal.
4. Akte van Geboorte, SR 999-01, fol A 80v akte 394. Doopboek, SR 9999-32, Ev-Luth 239, fol 1821.
5. Diaconiehuis, Noord-Hollands Archief 358.7, Inv 134, blad 22. Brief van Hendrik Pieploo, Amsterdam 14-11-1822.
6. Hypotheekakte, SR 314, Inv 500, fol 142-144. Testament, SR 314, Inv 520, fol 168-170.
7. Akte van Geboorte, SR 999-01, fol B 013 akte 1301. Doopboek, SR 9999-32, Ev-Luth 238, E fol 121, Ev-Luth 239, blad 1823.
